3

Ze reden vanaf de Haarlemmer Houttuinen terug naar de Kit. Het was gaan regenen…een zachte, vettige motregen, die tegen de voorruit kleefde. Vledder zette de ruitenwissers aan. Vrijwel onmiddellijk liet De Cock zich terugzakken en schoof zijn oude hoedje ver naar voren. Hij kende de hypnose van de ruitenwissers, die hem ertoe verleidden de zwiepende gang met zijn hoofd te blijven volgen. Na een poosje schoof hij zijn hoedje iets terug en keek schuin omhoog.

“Heb je de woning afgesloten?”

“In het colbert van het slachtoffer vond ik in een van de zijzak-ken tussen het kleingeld een sleutel. Die bleek op de woningdeur te passen.”

“Dat zou erop duiden dat Jasper zijn eigen woningdeur heeft geopend.”

Vledder knikte instemmend.

“Ik heb tegen buurman Klaas van der Vaart gezegd dat hij ons onmiddellijk moet waarschuwen als iemand zich aan de woning van Jasper meldt. We moeten voor alles voorkomen dat iemand in de woning van het slachtoffer gaat struinen. Ik wil de mogelijk aanwezige vingerafdrukken van de dader niet kwijtraken.”

De Cock bromde.

“We moeten commissaris Buitendam opjutten dat hij onze nieuw aangestelde hoofdcommissaris aanspoort om het gebrek aan mankracht bij de dactyloscopische dienst direct op te heffen. Dit kan toch niet. Moeten we voor de tweede keer naar de peedee[1] terug.”

Vledder snoof.

“We kunnen beter zelf de hoofdcommissaris benaderen. Buitendam is in die dingen veel te soft.”

De Cock reageerde niet.

“Wat vind je van het verhaal van Klaas van der Vaart?”

Vledder ademde diep.

“Het is jammer dat hij kort nadat Jasper en zijn gezelschap naar boven waren gegaan, zijn eigen woning heeft verlaten om bij zijn dochter, die een paar huizen verder woont, aan tafel te schuiven. We weten nu niet hoe lang het gezelschap van Jasper is gebleven.”

De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.

“Zijn waarnemingen.”

“Je bedoelt de stemmen op de trap…de lach van Jasper?”

De Cock knikte.

“Je zou daaruit op kunnen maken dat die twee elkaar goed kenden.

“Jasper, dat had je moeten zien,” duidt volgens mij op een relatie die al enige tijd heeft geduurd. Het heeft een vertrouwelijk aspect.”

Vledder glimlachte.

“Het lijkt in niets op de kreet van een rechercheur tegen een man die hij kort tevoren heeft gearresteerd.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Die man in gezelschap van Jasper was naar mijn overtuiging ook geen rechercheur.”

Vledder gebaarde voor zich uit.

“Hoe onderbouw je dat?”

De Cock kwam iets omhoog.

“Volgens Louis van Marcinelle werd Jasper door twee rechercheurs gearresteerd.”

“En?”

“Van der Vaart zegt dat hij van mening is dat Jasper slechts in gezelschap was van één man. Ik heb daar wel vertrouwen in. Die man woont al jaren op die tweede etage en kent de geluiden van de trap.”

Vledder glimlachte.

“Hij was daarin ook vrij positief.”

“Zeker,” zei De Cock.

“Verder is het heel ongebruikelijk dat een koppeltje rechercheurs na een anestatie uit elkaar gaat en slechts één van hen de begeleiding voortzet.”

“Dat is volgens jou niet gebeurd?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“De enige mogelijkheid die ik zie, is dat de rechercheurs die de arrestatie hebben verricht, Jasper kort daarna weer hebben vrijgelaten.”

Vledder grinnikte.

“In overleg met wie…met jou?”

De oude rechercheur reageerde wat verward.

“Met mij?”

Vledder knikte.

“Jij, De Cock, zou de arrestatie hebben bevolen.”

De oude rechercheur staarde somber voor zich uit.

“Het stinkt.”

Vledder parkeerde hun oude Golf op de spekgladde houten steiger achter het politiebureau. Ze stapten uit. De motregen was uitgegroeid tot een heuse bui. De Cock schoof de kraag van zijn regenjas omhoog en drukte zijn hoedje iets naar voren.

Via de Oudebrugsteeg sjokten ze naar de Warmoesstraat.

Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Rozenbrand De Cock vanachter de balie met een kromme vinger.

De oude rechercheur liep op hem toe.

“Niet weer een lijk.”

De wachtcommandant keek naar hem op.

“Heb jij een lijk? Daar weet ik niets van. Ik heb geen melding van een lijk binnengekregen.”

“Die Jasper van de Gouwenaer,” legde De Cock uit, “die jij in jouw arrestantenbestand zou moeten hebben, is vermoord.”

“Vermoord?”

De Cock knikte.

“We vonden hem thuis in zijn woning, met een zwaar model dolk in zijn rug.”

Jan Rozenbrand sloeg zijn hand voor zijn mond.

“Is dat waar?”

De Cock spreidde zijn handen.

“Natuurlijk is dat waar,” sprak hij korzelig.

“Ik vind het een te slecht verhaal voor een sprookje.”

De wachtcommandant slikte en stak zijn hand omhoog.

“Die man van vanavond…de vader van die Jasper van de Gouwenaer…zit boven op je te wachten.”

Met loden schoenen liep De Cock de trap op naar de tweede etage. In luttele seconden overwoog hij tal van woorden, zinsneden, die hij zou gebruiken om de man te vertellen wat er met zijn zoon was gebeurd. Geen tekst beviel hem. Hij benijdde pastoors, dominees en priesters, die in soortgelijke situaties een pasklare retoriek voorhanden hebben. Die had hij niet.

Vledder volgde hem de trap op met gebogen hoofd. Toen de heer Van de Gouwenaer op de tweede etage de grijze speurder in het oog kreeg, stond hij van de bank op en liep op hem toe.

“Weet u al waar mijn zoon is?”

De Cock keek de man een moment aan.

“In de hemel…hoop ik.”

De oude rechercheur kneep onmiddellijk zijn ogen dicht en in zijn hart woelde de bereidheid om zijn tong af te bijten. Zo cru, zo grof had hij het niet bedoeld, en zeker niet gewild. Het was een snelle, ondoordachte reactie.

Met een gevoel van schaamte liep De Cock aan de man voorbij en maakte de deur van de grote recherchekamer open. Daarna draaide hij zich om en liep terug naar de man die op de plek was blijven staan.

De oude rechercheur las het onbegrip op het gezicht van de heer Van de Gouwenaer. Hij legde zijn hand op de schouder van de man.

“Ga mee. Kom bij me zitten.”

Als in trance liep Van de Gouwenaer achter hem aan en ging op de stoel naast zijn bureau zitten. De Cock boog zich iets naar de man toe.

“Ik heb,” verdedigde hij zich, “mij aan mijn belofte jegens u gehouden. Ik heb de werkgever van uw zoon, de heer Louis van Marcinelle uitgebreid over de arrestatie van Jasper verhoord. De kreeg van hem nog nadere informatie. Jasper zou inzake een fraude, door hem samen met anderen gepleegd, zijn gearresteerd in opdracht van mij, rechercheur De Cock van het politiebureau aan de Warmoesstraat.”

De oude rechercheur zweeg even. Hij bracht zijn rechterhand naar zijn borst.

“Ik verklaar u met de hand op mijn hart dat ik een dergelijke opdracht nooit heb gegeven. Ik heb geen fraudezaak in behandeling en ik heb uw zoon nooit gekend.”

Van de Gouwenaer schudde zijn hoofd.

“Ik geloof u niet.”

De Cock zuchtte.

“Dat is jammer, want het is de waarheid.”

De man schudde opnieuw zijn hoofd.

“Dt geloof u niet.”

De Cock negeerde de kreet.

“Omdat ik zekerheid wilde, ben ik, in gezelschap van mijn collega Vledder, naar de woning van uw zoon gegaan. De deur stond halfopen. Wij zijn naar binnen gegaan en vonden uw zoon.”

“Hoe?”

De Cock zuchtte.

“God hebbe zijn ziel.”

Van de Gouwenaer snoof.

“Dat bedoelde u met ‘in de hemel’, hoop ik.”

De Cock knikte.

“Het was geen gelukkige opmerking,” sprak hij met gebogen hoofd.

“Dt betuig u mijn spijt. Ik had u op een gevoeliger, meer menselijke manier duidelijk moeten maken wat er met uw zoon is gebeurd.”

“Hij is dood?”

De Cock knikte opnieuw.

“Jasper leeft niet meer.”

De heer Van de Gouwenaer keek naar hem op. Zijn ogen flikkerden en zijn mond vormde een strakke lijn.

“Jullie,” snauwde hij, “hebben hem vermoord.”


De Cock had slecht geslapen. De zaak van de dode Jasper van de Gouwenaer hield zijn gedachten voortdurend gevangen. Het feit dat zijn naam bij de arrestatie was genoemd, vond hij ronduit alarmerend. Het leek erop of iemand hem in een slecht daglicht wilde stellen. Hij vroeg zich af welke collega’s daar baat bij hadden. In zijn lange carrière bij de recherche had hij nog nooit iets dergelijks meegemaakt.

Op het Stationsplein stapte hij uit een overvolle tram en sjokte in de stroom treinreizigers mee naar het brede trottoir van het Damrak.

Het was prachtig weer. De zon straalde vol, vrolijk en uitbundig. Na de regen van de nacht was de lucht geklaard. Een enkel wolkje dreef eenzaam aan een verder strakblauwe hemel. Een koele bries deed de vlaggen aan de masten bij de aanlegsteigers van de rondvaartboten wapperen. Het oude Amsterdam toonde zich in feestgewaad.

Bij de Oudebrugsteeg bleef de grijze speurder even staan. Een moment overwoog hij om die dag maar eens te spijbelen…weg te blijven uit de ellende die hem ongetwijfeld nog te wachten stond. Hij drukte die gedachte weg en stak met een sprintje voor een aanstormende tram van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Bij de Schippersbeurs lachte een vrouwtje om hem. Terecht. De Cock in draf was een koddig gezicht.


Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, wierp hij zijn oude hoedje missend naar de kapstok. Daarna wurmde hij zich uit zijn regenjas en raapte zijn hoedje op. Vledder zat achter zijn computer. Zijn rappe vingers dansten over het toetsenbord. Toen hij De Cock in het oog kreeg, keek hij naar de klok boven de deur. Zijn ogen lichtten op.

“Je bent op tijd,” brulde hij opgewonden.

“Fantastisch. Streep aan de balk. Dat is, naar ik meen, in tien jaar nog niet voorgekomen.”

De Cock liet zich met een strak gezicht in de stoel achter zijn bureau zakken.

“Heb je al een reactie gekregen op ons telexbericht van gisteravond?”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Niets.”

De Cock wreef zich achter in de nek.

“Ik heb vannacht slecht geslapen. De moord op Jaspur van de Gouwenaer bleef door mijn hoofd spoken. Daarom…ik vond dat ik het me vandaag niet kon veroorloven te laat op het bureau te komen.”

Vledder zuchtte.

“Je hebt gelijk. De hel is losgebarsten.”

“Waar?”

“Hier.”

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

“Hoezo?”

Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

“Commissaris Buitendam was hier al. Hij leek mij nogal gespannen. Ik denk dat ook hij slecht heeft geslapen. Je moet onmiddellijk bij hem komen.”

“Waarom?”

Vledder trok een lade van zijn bureau open, nam daaruit de ochtendkrant en wierp die De Cock toe. De oude rechercheur pakte de krant op en zag in grote letters op de voorpagina:

EEN DOOR DE RECHERCHE VAN BUREAU
WARMOESSTRAAT GEARRESTEERDE MAN DOOD
IN ZIJN WONING GEVONDEN…AFGEMAAKT

De Cock las niet verder. Zijn gezicht zag rood. Hij legde de krant voor zich neer.

“Dit is het werk van vader Van de Gouwenaer. Die man heeft zich in het hoofd geprent dat wij iets met de dood van zijn zoon van doen hebben. Een krant zoals dit ochtendblad, neemt zo’n sensatieverhaal graag op.”

“Zonder weerwoord van ons.”

De Cock gebaarde naar de krant.

“Heeft Buitendam dit al gezien?”

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

“Dat neem ik aan.”

“Heeft hij er iets over gezegd?”

“Niet tegen mij.”

De Cock kwam overeind, pakte de krant op, klemde die onder zijn arm en verliet dreunend de recherchekamer.


Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het bekende politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.

“Kom binnen, De Cock,” sprak hij geaffecteerd, “en ga zitten.”

Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving. De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. Nors, ontoegankelijk. Toenaderingen van zijn chef wees hij in de meeste gevallen koel en hooghartig van de hand. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar leefde met hem toch op enigszins gespannen voet. De Cock hield dat graag zo, beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.

“Als het u hetzelfde is, dan blijf ik liever staan.”

Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos.

“Zoals je wilt.”

Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats. De Cock nam de krant onder zijn arm vandaan en legde die voor Buitendam neer.

“Hebt u dit gelezen?”

Buitendam knikte.

“Wat is daar van waar?”

De Cock stak zijn kin iets omhoog.

“De enige waarheid waarvoor ik kan instaan, is dat wij, Vledder en ik, gisteravond kort voor middernacht in zijn niet afgesloten woning het lijk van Jasper van de Gouwenaer hebben aangetroffen. De man bleek met een dolksteek in zijn rug te zijn vermoord.”

“Wie heeft die man gistermiddag gearresteerd? In dit artikel staat wegens fraude.”

De Cock spreidde zijn handen.

“Geen flauw idee. Het opmerkelijke is dat de mensen die de ar — ’restatie hebben verricht, tegen Louis van Marcinelle, de werkgever van het slachtoffer, hebben gezegd dat zij de arrestant zouden overbrengen naar bureau Warmoesstraat omdat ik de aanhouding van Jasper van de Gouwenaer inzake fraude had bevolen.”

“En dat is niet zo?”

De Cock grijnsde.

“Als ik dat had bevolen, dan zou ik toch ook weten wie die rechercheurs waren. Bovendien…ik heb geen fraudezaak in behandeling.”

“Een vreemde affaire.”

De Cock knikte.

“Ik stel voor om alle rechercheurs van ons bureau aan die Louis Van Marcinelle te tonen.”

Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.

“Daar voel ik niets voor.”

De Cock zuchtte.

“Dat is de enige manier om duidelijk te maken dat het geen mensen van ons bureau waren.”

Buitendam schudde opnieuw zijn hoofd.

“Ik voel er niets voor om mijn mensen, voor wie dan ook, te kijk te zetten.”

De Cock wees naar de krant.

“Als wij niet oppassen,” sprak hij overtuigend, “dan gaat dit verhaal een eigen leven leiden. We moeten dit gerucht onmiddellijk de kop in drukken.”

Buitendam keek hem strak aan.

“Nee, niet op jouw manier.”

De Cock maakte een wanhopig gebaar.

“Het is de enige manier.”

“Nee.”

De Cock snoof. Hij voelde hoe de woede in zijn aderen sloop. Hij balde zijn vuisten en drukte zijn nagels diep in de muis van zijn handen.

“Man,” gromde hij, “gebruik nu voor één keer je verstand.”

Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind en wees trillend met zijn hand naar de deur.

“Eruit.”

De Cock ging.

Загрузка...