9

Toen de bloedmooie Judith van Zeebrugge met haar handtasje onder de arm in luchtige tred de grote recherchekamer had verlaten, keek Vledder zijn oude collega bedremmeld aan.

“Een veld papavers,” sprak hij hoofdschuddend, “een veld papavers. Wat moeten wij daarmee? Past een veld papavers in ons onderzoek naar de gruwelijke moord op Jasper van de Gouwenaer?”

In zijn stem trilde ongeloof. De Cock maakte een schouderbeweging.

“Ik…eh, ik zie geen enkele relatie,” sprak hij achteloos.

“Ik zie ook niet in waarom wij nachtmerries in ons onderzoek zouden moeten betrekken. Mijn oude moeder leerde me altijd al: dromen zijn bedrog.”

Vledder keek hem uitdagend aan.

“Je zegt zelf altijd dat wij in een moordonderzoek nooit iets mogen verwaarlozen. Vallen nachtmerries daar niet onder?”

De Cock glimlachte.

“Waaraan denk jij bij een veld papavers?”

“Opium.”

De Cock knikte.

“Je hebt gelijk. Papavers…opium. Dat was ook mijn eerste gedachte.”

Vledder keek hem onderzoekend aan.

“Ken jij dat spul?”

“Ik heb het jaren geleden eens op grond van de Opiumwet in beslag genomen…bruine drab, gevouwen in een vetvrij papiertje. Ik vond het bij de fouillering van een man die verdacht werd van mishandeling.”

Vledder grinnikte.

“Bruine drab.”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Ik wist niet wat het was. Maar omdat de man er nogal geheimzinnig over deed en mij niet wilde vertellen wat voor spul het was en waarvoor het diende, stapte ik met die bruine drab naar doctorandus Eskes, onze legendarische politiedeskundige.”

“Leeft hij nog?”

“Geen flauw idee. Hij was jaren ouder dan ik. Doctorandus Eskes was een prachtige man, van wie ik tijdens mijn opleiding tot rechercheur nog les had gehad. Ik kon vroeger met mijn problemen altijd bij hem terecht. ‘De Cock,’ zei hij, ‘dat is ruwe opium’.”

Vledder gniffelde.

“Dat was jouw eerste kennismaking met dat spul?”

De Cock glimlachte bij de herinnering.

“Teleurstellend. Het woord opium had voor mij tot dan toe een magische klank. Ik had er meer van verwacht. Volgens doctorandus Eskes kwam opium van het Griekse woord opion, wat slaapbolsap betekent. Het is het ingedroogde sap van de papaver somniferum, een plant afkomstig uit Klein-Azië. Opium wordt al sinds onheuglijke tijden in de geneeskunde toegepast. Maar het is vooral bekend geworden als genotmiddel. Je kunt het kauwen, eten, roken, schuiven…”

“En smokkelen,”onderbrak Vledder hem lachend. De Cock knikte instemmend.

“Maar een heel veld papavers komt in ons land weinig voor. De felrode papavers die wij soms langs onze wegen zien bloeien, worden niet gebruikt voor het winnen van opium. Dat zijn klaprozen. Men maakt er wel afkooksels van om hun verzachtende en hoeststillende werking. Er worden ook hoestbonbons van gemaakt.”

Vledder glimlachte om de uitleg van zijn leermeester.

“Hoe krijgt Petertje Slibbroek een nachtmerrie van een veld papavers?”

De Cock grijnsde.

“Geen idee.”

“Judith van Zeebrugge vond het belangrijk genoeg om het ons te vertellen.”

De Cock maakte een achteloos gebaar.

“Die nachtmerrie van haar man heeft blijkbaar diepe indruk op haar gemaakt.”

“Op jou niet?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik weet echt niet hoe ik het begrip ‘een veld papavers’ moet inpassen.”

Hij gebaarde met zijn armen voor zich uit.

“Zie jij enig verband tussen de moord op Jasper van de Gouwenaer en een veld papavers?”

“Nee.”

De Cock maakte een wegwerpgebaar.

“Laten we die nachtmerrie van Petertje de Knoet dan laten voor wat het is…een nachtmerrie, zoals eenieder die wel eens heeft.”

Gevangen in hun eigen gedachten, zwegen de rechercheurs geruime tijd. Het was De Cock die peinzend het zwijgen verbrak.

“Heb je bij het lijk van Jasper van de Gouwenaer nog voor de herkenning[3] gezorgd?”

Vledder knikte.

“Vrijwel onmiddellijk na de sectie. Ik had vader Van de Gouwenaer en broer Joost op Westgaarde ontboden. Ze kwamen mooi op tijd en ik heb hen heel formeel het lijk van Jasper getoond.”

“En?”

“De herkenning was positief.”

De Cock zette zijn handen op het blad van zijn bureau.

“Ik had niet anders verwacht…stiefvader en broer…overtuigend.”

“Inderdaad.”

“Was er van hen nog enige reactie?”

“Je bedoelt een reactie die iets aan ons onderzoek kan bijdragen?”

“Ja.”

Om de mond van Vledder gleed een wrange glimlach.

“Ik was blij,” sprak hij zuchtend, “dat de assistent van dokter Rusteloos het laken over het lijk van Jasper tot onder de kin had opgetrokken, zodat de vader en de broer niet konden zien hoe het lichaam van Jasper na de sectie met grove steken was dichtgenaaid.”

De Cock trok zijn schouders op.

“Het is niet altijd mogelijk,” sprak hij vergoelijkend, “om de herkenning van het slachtoffer nog voor het verrichten van de sectie te doen.”

Met een rimpel in zijn voorhoofd strekte Vledder plotseling zijn wijsvinger naar De Cock uit.

“Een ander onderwerp. Je leek even aangeslagen…overrompeld…toen Judith van Zeebrugge jou vertelde dat vermoedelijk alle personeelsleden van het vervoerbedrijf zo’n vreemde dolk, zo een waarmee Jasper van de Gouwenaer was vermoord, in hun bezit hadden.”

De Cock knikte.

“Dat klopt.”

“Waarom?”

De Cock maakte een weids gebaar.

“Ik hoopte dat de dolk waarmee Jasper van de Gouwenaer was vermoord een uniek exemplaar was…exclusief…zodat het vinden van de dolk direct naar de dader zou wijzen. Door het verhaal van Judith wordt de kring van verdachten aanmerkelijk groter. Hoe meer soortgelijke dolken in omloop, hoe moeilijker de bewijsvoering.”

Vledder schudde zijn hoofd.

“Juist niet. De kring van verdachten blijft beperkt tot de personeelsleden van het vervoerbedrijf. Dat is, dacht ik, te overzien.”

De Cock snoof.

“Tenzij Joost van de Gouwenaer zijn handeltje in dolken heeft uitgebreid en ook niet-personeelsleden van dolken heeft voorzien.”

“Verwacht je dat?”

De oude rechercheur antwoordde niet. Hij keek even omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur van de recherchekamer.

“Het is tien uur. We kunnen nog wel even op onderzoek uit. Heb jij ergens het adres van Joost van de Gouwenaer?”

Vledder trok een lade van zijn bureau open en raadpleegde enige aantekeningen.

“Bontekoestraat 475. Op de eerste etage.”

Met Vledder aan het stuur reden ze in hun oude Golf vanaf de houten steiger achter het politiebureau via de Oudebrugsteeg naar het Damrak. Het regende nog steeds…niet fel, maar vies, druilerig. De felle lichtreclames van het Damrak werden speels weerspiegeld in het natte asfalt. Vledder zette de ruitenwissers aan. De Cock blikte opzij.

“Weet je de Bontekoestraat te vinden?”

“Een zijstraatje van de Nova Zemblastraat,” wist Vledder.

“Precies.”

De jonge rechercheur keek met een frons naar de doorschijnende plastic zak op de knieën van De Cock.

“Wat heb je daar?”

“De dolk uit de rug van Jasper van de Gouwenaer.”

“Wat wil je daarmee?”

De Cock legde zijn hand op de plastic zak.

“Tonen…tonen aan Joost van de Gouwenaer.”

Vledder snoof.

“Hij kent die dingen.”

“Maar hij weet niet dat zijn broer is vermoord met een dolk die door hem uit Bulgarije is ingevoerd.”

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

“Je hebt gelijk. Joost heeft zijn broer nooit met de dolk in zijn rug gezien. Toen ik voor de wettelijk voorgeschreven herkenning het lijk van zijn broer aan Joost toonde, had dokter Rusteloos de dolk al verwijderd.”

De Cock knikte begrijpend.

“Je hebt het al uitvoerig verteld…de confrontatie vond vrijwel onmiddellijk na de gerechtelijke sectie plaats.”

Vledder keek hem van terzijde aan.

“Wat wil je met het tonen van die dolk bereiken? Broer Joost van de Gouwenaer een soort schuldcomplex aanpraten…in de geest van: als jij de dolk niet had ingevoerd, was Jasper nooit vermoord?”

“Dat is onzin,” antwoordde De Cock hoofdschuddend.

“De moordenaar of moordenares kon elk wapen hebben gebruikt. Maar Joost heeft ons nooit iets over zijn handeltje in dolken verteld. Ik hoop dat hij bij het zien van die dolk en het verhaal dat zijn broer daarmee is vermoord, openhartig wordt en ons vertelt hoeveel en aan wie hij dolken heeft verkocht.”

Vledder glimlachte.

“Om achter de moordenaar te komen, wil jij de bezitters van die bijzondere dolken in kaart brengen?”

Langzaam boog De Cock zijn hoofd een paar keer.

“Ik besef terdege,” sprak hij ernstig, “dat het een moeizame poging is, maar we hebben eerlijk gezegd weinig keus. Bar veel mogelijkheden om snel tot de oplossing van deze zaak te komen, zie ik niet.”

Vledder grinnikte.

“Je gaat toch niet wanhopen?”

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

“We hebben sinds de ontdekking van de moord op Jasper van de Gouwenaer in ons onderzoek weinig vorderingen gemaakt. Ik zie nog geen enkele lijn in de gebeurtenissen. Het levert nog geen wanhoop op, maar…”

De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. Vledder reed de golf via de Westerdoksdijk, het Barentszplein en de Van Diemenstraat naar de brug over het Westerkanaal. Na de brug reed hij linksaf de Nova Zemblastraat in. Het was er stil en de schaarse straatverlichting gaf vage contouren. De jonge rechercheur parkeerde de Golf enige meters voor de hoek met de Bontekoestraat. De rechercheurs stapten uit en sloften de Bontekoestraat in.

Midden in de straat bleef De Cock plotseling staan en keek om zich heen.

“Ik heb hier in mijn wilde jaren nog eens verkering gehad met een lief, jong meisje dat ik roodborstje noemde.”

Vledder schoot in de lach.

“Roodborstje?”

De Cock bleef serieus.

“Ze droeg altijd een strak rood truitje. Ik weet nog dat de inhoud daarvan mij machtig intrigeerde.”

“Het is niets geworden?”

De Cock schudde zijn hoofd en liep verder. Voor de bruingelakte toegangsdeur tot perceel 457 bleven ze staan. De Cock bekeek het tableau met de naamplaatjes van de bewoners. Bij de bouton van de eerste etage stond J. van de Gouwenaer in zwarte, verzonken letters. De oude rechercheur hield de wijsvinger van zijn rechterhand boven de bouton; se-condelang. De oude rechercheur drukte niet. Er was iets dat hem ervan weerhield. Een vreemd gevoel van onrust en angst maakte zich van hem meester. Het ritme van zijn hartslag zwiepte omhoog.

Vledder keek hem van terzijde aan.

“Wat is er?”

De Cock antwoordde niet. Hij nam uit een steekzak van zijn regenjas het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen en koos met kennersblik de juiste sleutelbaard. Vledder stootte een elleboog in zijn zijde.

“Waarom bel je niet gewoon?”

In zijn stem klonk ergernis.

De Cock negeerde de vraag. Met een strak gezicht hanteerde de grijze speurder het apparaatje en in luttele seconden had hij de deur van het slot. Met zijn knie drukte hij de deur verder open en vanaf een klein portaal hees hij zijn negentig kilo zacht kreunend langs een vettige leuning omhoog. Vledder volgde met lichte tred.

“We krijgen hier nog eens een groot gedonder mee,” mopperde hij.

“Het is ook volkomen onwettig wat jij steeds met dat apparaatje doet en deze keer ook volkomen onnodig. Je had gewoon kunnen bellen.”

De Cock ging aan de opmerking van zijn jonge collega voorbij. Hij kende de bezwaren die Vledder tegen het gebruik van het apparaatje van Handige Henkie koesterde. Op het portaaltje van de eerste etage bekeek De Cock de half openstaande toegangsdeur tot de woning. Er waren geen sporen van braak of verbreking. Met de punt van zijn schoen schoof hij de deur verder open.

De deur leidde, zoals bij vele oude Amsterdamse woningen, naar een rommelige keuken. Op het granieten aanrechtblad stonden een bord met etensresten en een paar vuile pannen.

Vledder gebaarde om zich heen.

“Het lijkt wel iets op de slordige keuken van broer Jasper in de Haarlemmer Houttuinen.”

De Cock gaf geen commentaar. Vanuit de keuken liep hij de lichte huiskamer binnen.

De scherpe blik van de oude rechercheur gleed door het smalle, te overdadig gemeubileerde vertrek met staande schemerlampen rondom.

Op een lage, vierkante, eikenhouten tafel met bolvormige poten stond een hoog glas half gevuld met verschaald bier. Rondom de lage tafel stonden vier zware, eikenhouten fauteuils met kussens overtrokken met een kleurige, grove wollen stof in opzichtige motieven van knalgele zonnebloemen. Op de bruine laminaatvloer ontwaarde hij tussen twee verschoven fauteuils het lichaam van een grote, zwaargebouwde man. Hij lag op zijn buik. Door het vlasblonde haar schemerde een kalende kruin. De machtige armen van de man lagen schuin gespreid langs zijn lichaam. Zijn vingers boven de handpalmen waren sterk gekromd.

In zijn rug, iets onder het linkerschouderblad in een kring van donkerrood bloed, stak in een zwarte trui het heft van een zware dolk.

Vledder stapte langs De Cock. Hij bukte zich over de man heen en bezag het vlasblonde haar, de zwarte trui en de gebleekte spijkerbroek.

De Cock herkende aan het schokken van de rug van Vledder dat zijn jonge collega hevig schrok. Nog in gebukte houding keek de jonge rechercheur schuin naar De Cock omhoog.

“Het is…”

hijgde hij, “het is Joost van de Gouwenaer.”

De Cock knikte kort.

“Net als Jasper…met een dolksteek afgemaakt.”

Загрузка...