De Cock smeet woedend de hoorn op de haak.
‘Wie was het?’ vroeg Vledder.
‘Ter Wielingen,’ sprak hij verbeten. ‘Hij beweert onomwonden dat de jonge Van Stuchteren Nanette de Bougaerde heeft vermoord.’
‘Wat?’
‘Ja, hij zei dat hij eenvoudig niet begreep waarom ik Ronald niet had vastgehouden, waarom ik hem gewoon had laten gaan. Volgens Ter Wielingen zou de jongeman op de dag dat Nanette verdween nog een afspraak met haar hebben gehad en haar toen hebben vermoord.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Hoe weet hij dat, van die afspraak?’
De Cock haalde wat nukkig zijn schouders op.
‘Hoe weet hij zoveel, onze journalist, bijvoorbeeld van dat schilderij aan de Spiegelgracht? Herinner je je, hij was de man die ons tipte.’
Vledder knikte. ‘Ja, en hij was ook de man die het sombere naakt ongezien van de antiquair wilde kopen, ongeacht de prijs.’
‘Precies, Ter Wielingen zit er tot zijn nekharen in. Zijn interesse is meer dan beroepsmatig. Veel meer. Hij is persoonlijk heel nauw bij deze affaire betrokken. Hij hield van Nanette de Bougaerde en liefde kan een mens op rare wegen voeren.’ De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
‘Maar wat ik vooral vreemd vind, wat ik niet begrijp, is: Hoe weet Ter Wielingen dat Nanette inderdaad is vermoord? Zie je, het feit dat wij vanmorgen op de gemeentelijke stortplaats het lijk van Nanette hebben gevonden, is op nog geen enkele wijze openbaar gemaakt. Het is buiten die paar mensen van de stadsreiniging en die twee broeders van de Geneeskundige Dienst alleen aan de politie bekend.’
Vledder keek hem bewonderend aan.
‘Je hebt gelijk, Ter Wielingen weet veel meer dan hij feitelijk kan weten. En dat is verdacht, vind je niet, hoogst verdacht.’ De Cock knikte. Hij stond van zijn stoel op en beende naar de kapstok. Hij kreeg er weer zin in. Er zat weer schot in de zaak. Hij plantte zijn oude vilten hoed achter op zijn hoofd en hees zich in zijn lekkende regenjas.
‘Kom, jongen,’ riep hij vrolijk, ‘het wordt tijd dat wij vriend journalist Ter Wielingen een zeer toepasselijk spreekwoord voorleggen.’
Vledder keek hem niet begrijpend aan. ‘Een spreekwoord?’ ‘Ken je het niet?’ vroeg de rechercheur grinnikend. ‘Wie veel weet, heeft veel te verantwoorden.’
Vledder grijnsde met zijn hele gezicht.
Bram ter Wielingen zag er moe uit, afgetobd, alsof hij een nacht niet had geslapen. Zijn grijze ogen stonden dof. Zijn gezicht zag vaal. Zelfs zijn opmerkelijke knevel hing er wat mistroostig bij. Zijn droeve blik bleef op De Cock rusten.
‘Ik had u min of meer verwacht,’ zei hij met een diepe zucht. ‘Ik ben er eerlijk gezegd voor thuisgebleven.’
‘Heel vriendelijk.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Het heeft met vriendelijkheid niets te maken. U bent mij een verklaring schuldig. Daar wachtte ik op. Waarom liet u Ronald van Stuchteren vrij?’
Zijn stem klonk dwingend. Hij scheen te menen wat hij zei. ‘U hebt hem laten gaan,’ ging hij verder, ‘zonder de achtergronden behoorlijk te hebben onderzocht. Dat is onvergeeflijk. U liet een moordenaar vrij.’
De Cock keek hem onbewogen aan en reageerde niet. Bram ter Wielingen begon zich op te winden. Luid riep hij: ‘Als u niet binnen vierentwintig uur de moordenaar van Nanette de Bougaerde arresteert, schrijf ik uw reputatie als speurder aan flarden, hoort u? Ik laat in mijn artikelen geen spaan meer van u heel.’
Niet in het minst geïmponeerd wachtte De Cock geduldig tot de journalist was uitgeraasd. Toen stond hij langzaam van zijn fauteuil op. Zijn breed gezicht had een ernstige uitdrukking. Hij stak de jongeman voorzichtig een hand toe. ‘Mijn innige deelneming,’ zei hij somber, haast plechtig, ‘met het verscheiden van Nanette, de jonge vrouw die zich in uw oprechte liefde mocht verheugen. Het bericht van haar dood moet u hebben geschokt.’ Even aarzelde Ter Wielingen. Hij monsterde het gezicht van De Cock, zocht naar een spoor van onoprechtheid. Het was er niet. Toen drukte hij de toegestoken hand. ‘Dank u,’ zei hij hees. De Cock zuchtte.
‘Ik had de schok graag wat voor u willen verzachten, bijvoorbeeld door persoonlijk de tijding van haar overlijden te brengen. Ik begreep echter uit uw telefoontje dat u al op de hoogte was.’ Ter Wielingen knikte. ‘Iemand belde mij op.’
‘Wie?’
De journalist maakte een wat vaag gebaar.
‘Ik heb… eh, kennissen bij de politie. Zij houden mij van interessante zaken op de hoogte.’
De droeve, wat milde uitdrukking op het gezicht van De Cock veranderde. Het werd een koud, hard masker.
‘Interessante zaken,’ herhaalde hij bijtend, cynisch, ‘zoals het vinden van een in stukken gesneden lijk van een dartele jonge vrouw, een vrouw die je hebt gekend, van wie je hield, die je dierbaar was. Heel interessant, ja, voor de pers…’
Ter Wielingen sloeg zijn handen voor het gezicht. ‘Hou op,’ gilde hij. ‘Hou op.’
De Cock snoof. Zijn neusvleugels trilden.
‘Nanette de Bougaerde… Hoe noemde je haar ook weer? O ja, de wilde madelief uit De Drie Rooskens… een schat, waauwwaauw, wat een meid. En je had haar in veertien dagen niet gezien.’ Zijn stem droop van sarcasme.
Ter Wielingen kreunde. De woorden van De Cock deden hem pijn. Ze troffen hem in het diepst van zijn hart. Hij liet zich in zijn fauteuil zakken. Met moeite slikte hij zijn tranen weg. Ook De Cock ging weer zitten. Zijn woede was weggeëbd. Hij had de jongeman gekwetst, doelbewust, om zijn weerstand te breken. Hij strekte behaaglijk zijn benen en keek de kamer rond. Op de boekenplank stond nog een klein porseleinen vaasje met veldbloemen. De steeltjes bogen al door.
‘Als u van het begin af aan,’ zei hij kalm, ‘wat openhartiger tegen mij was geweest, misschien had ik dan voor de arrestatie van de dader geen vierentwintig uur meer nodig gehad. Misschien wist ik dan nu al wie de moordenaar was.’
Zijn toon werd scherper.
‘Beste Ter Wielingen, u hebt nu lang genoeg padvindertje met ons gespeeld. Het wordt tijd dat u opening van zaken geeft.’ Hij boog zich dreigend naar voren. ‘En geloof me, als u van nu af aan ook maar iets voor mij verzwijgt… laat ik geen spaan meer van u heel.’
Onder de diepzwarte snor van de journalist schemerde iets van een glimlach. ‘U hebt gelijk,’ zuchtte hij. ‘Ik heb het aanvankelijk niet zo ernstig ingezien. Ik dacht meer aan een primeur voor mijn krant dan dat ik werkelijk bezorgd was om Nanette. Ziet u, Nanette was in mijn ogen helemaal niet zo’n meisje dat gemakkelijk in moeilijkheden raakt. Ze was daarvoor te zelfstandig, te ongrijpbaar. Begrijpt u, ze was als… eh, als kwikzilver. Op dat moment waarop je dacht dat je haar vast in de hand had, glipte ze door je vingers. Zo was ze, als kwikzilver, niet het type om in zeven sloten tegelijk te lopen.’
‘Om te verdrinken, is één sloot al voldoende.’
Ter Wielingen knikte traag. ‘Inderdaad,’ zei hij somber, ‘dat is nu wel gebleken. Ze was achteraf toch niet zo ongrijpbaar als ik dacht. Iemand heeft haar te pakken gehad…’
Een tijdlang zwegen zij. De Cock was de eerste die de stilte verbrak. ‘Uw houding in deze affaire is mij toch niet geheel duidelijk. Bijvoorbeeld, waarom vertelde u ons wel van een bezoek van haar aan de Walletjes, iets wat veertien dagen tevoren had plaatsgevonden, terwijl u een afspraak van haar met Ronald van Stuchteren op de dag van haar verdwijning eenvoudig voor ons verzweeg? Het lijkt mij toe dat u ons bewust om de tuin hebt geleid.’ ‘Dat is ook zo. Ziet u, ik hield van Nanette. Ik wist van haar heimelijke bezoeken aan de walletjes. Het intrigeerde mij. Uiteraard. Maar ik heb er nooit een oplossing voor kunnen vinden.’ De Cock grijnsde. ‘En toen dacht u: dit is een mooie gelegenheid. Als ik de recherche een hint geef, dan zoeken ze dat en passant wel even voor mij uit. Is het niet?’
Ter Wielingen zuchtte. ‘Het had toch verband kunnen houden met haar verdwijning,’ zei hij verontschuldigend.
De rechercheur knikte. ‘Maar u geloofde daar zelf niet in.’ ‘Nee, eerlijk gezegd hechtte ik helemaal geen geloof aan Nanettes verdwijning. Ik beschouwde het eenvoudig als een grap, een grap van Nanette om van die Oude Keuvelaar af te komen.’ De Cock trok zijn wenkbrauwen omhoog. ‘Die Oude Keuvelaar?’
‘Zo noemde ze makelaar Van Stuchteren.’
‘Waarom?’
‘Hij vervolgde haar dag en nacht met huwelijksaanzoeken. Van Stuchteren is een rijk man. Hij vertelde haar bij herhaling wat hij haar buiten zijn eigen charmante persoonlijkheid allemaal te bieden had.’
‘En?’
Ter Wielingen keek wat verstoord op. ‘Wat en?’ zei hij kriegel. ‘Hoe reageerde Nanette?’
‘Ze wilde natuurlijk niets van die oude Van Stuchteren weten. Hij was ook bijna driemaal zo oud als zij. Toen hij almaar bleef aandringen, heeft ze ten einde raad een afspraak met Ronald gemaakt om hem te vragen zijn vader te verzoeken haar verder met rust te laten. Begrijpt u?’
De Cock knikte. ‘Ik begrijp het. En die afspraak was op de dag van haar verdwijning?’
‘Precies. Ik was die dag nog bij haar in De Drie Rooskens en kocht, zoals u gisteren zo scherpzinnig opmerkte, dat fraaie veldboeketje. Ze vertelde mij toen van haar afspraak met Ronald.’ ‘Vandaar uw conclusie dat Ronald van Stuchteren Nanette heeft vermoord?’
‘Ja, dat spreekt toch voor zich. Nanette is nadien niet meer in leven gezien. Hij moet haar hebben vermoord.’
‘En het motief?’
Ter Wielingen haalde zijn schouders op.
‘Misschien,’ zei hij aarzelend, ‘misschien was hij wel bang dat zijn vader uiteindelijk toch met Nanette zou trouwen.’ ‘Tegen haar wil?’
Het gezicht van Ter Wielingen kreeg een wat pijnlijke uitdrukking. ‘Je weet het nooit,’ zei hij haast onwillig. ‘Geld, geld vormt tenslotte een niet te loochenen verleiding.’
De Cock glimlachte.
‘Uw vertrouwen in haar liet ruimte voor twijfels?’
Ter Wielingen maakte een triest gebaar.
‘Nanette was een vrouw, nietwaar?’
De Cock keek de jongeman aan. In zijn hart groeide iets van een milde genegenheid, een vorm van sympathie. Het was alsof hij in het wezen van de journalist iets van zichzelf ontdekte, een gelijke gerichtheid.
‘Vertel mij van het schilderij,’ zei hij na een poosje. Zijn stem klonk vriendelijk.
‘Dat naakt?’
De Cock knikte. ‘Inderdaad, dat naakt op de rode sofa.’ ‘Nanette,’ zei de journalist loom, ‘verhuurde zich als model. Ze verdiende er op die manier wat bij. Ik was erop tegen.’ Hij maakte een hulpeloos gebaar. ‘Maar wat kon ik doen? Ik had tenslotte niets over haar te zeggen. Ze was geen type die je iets kon verbieden.
Pierre Popko, de schilder voor wie zij het meest model stond, had haar eens geschilderd, naakt op een sofa. Het was een bijzonder fraai schilderij. Ik heb het gezien toen het bijna klaar was.’ ‘Waar?’
‘In het atelier van Popko op het Prinseneiland. Ik haalde Nanette daar wel eens af.’
‘En?’
‘Ik denk dat Nanette er op een of andere manier met de oude Van Stuchteren over heeft gesproken. In ieder geval kocht hij het schilderij van Popko op en hing het in zijn kamer. Ik was woest toen ik het hoorde. Wat moest die vent met Nanette naakt aan de wand? Op een dag ben ik in een balorige bui naar Van Stuchteren gestapt. Ik had tevoren wat moed ingedronken en deed brutaalweg een bod op het schilderij. Ik bezat wel niet zoveel, maar geloof me, ik had er al mijn spaarduitjes voor over gehad.’ Om zijn lippen speelde een glimlach.
‘Van Stuchteren keek mij eerst verbaasd aan. Toen het tot hem doordrong wat ik bedoelde, lachte hij mij vierkant uit. “Neet, zei hij, kale neet, armtierige pennenvoerder…” En toen liet hij mij al zijn kostbare schilderijen zien. Ik wou hem op zijn poenige snuit timmeren, maar ik sloeg mis. Ik denk dat ik toch wat te veel had gedronken.’
Hij pauzeerde even.
‘Gisteravond, nog laat,’ zo ging hij verder, ‘hing ik wat rond in de buurt van de Keizersgracht.’
‘Bij het huis van Van Stuchteren?’
‘Ja, u was ’s morgens geweest en had mij gezegd dat Nanette was verdwenen en dat Christel haar opsporing had gevraagd. Ik wist dat ze de avond tevoren een afspraak had met Ronald en hoopte een spoortje van haar te vinden. Ik had er een aardig artikeltje van kunnen maken voor de krant: Journalist vindt vermist meisje.’
De Cock grijnsde. ‘Het werd geen artikeltje.’
‘Nee,’ zuchtte hij, ‘het werd geen artikeltje. Ik heb Nanette niet gezien. Ook Ronald niet. Ik zag alleen zo tegen half twaalf de oude Van Stuchteren thuiskomen. Dat was alles. Uiteindelijk gaf ik het op en besloot te gaan slapen. Morgen, zo dacht ik, zou Nanette wel weer boven water komen. Op weg naar huis liep ik langs de stille zijde van de Spiegelgracht. Ik kom daar wel meer. Ik houd van antieke zaken en snuffel graag langs de etalages.’
‘En toen ontdekte je het schilderij?’
‘Ja, ik wist niet wat ik zag. Ik begreep er geen draad van. Mijn eerste gedachte was: dat schilderij moet ik hebben. Dit is mijn kans. Ik liep naar de dichtstbijzijnde telefooncel, belde de antiquair en vroeg hem het schilderij voor mij vast te houden. Ik gaf hem ook mijn naam. Hij vroeg erom.
Toen ik terugliep naar de Spiegelgracht om het nog eens goed te bekijken, bedacht ik dat het eigenlijk maar vreemd was dat Van Stuchteren het schilderij zo plotseling had verkocht. Er moest iets zijn voorgevallen. Iets waardoor de makelaar plotseling van mening was veranderd en het schilderij niet meer in huis wilde hebben.
Na enig nadenken besloot ik het hem botweg te vragen. Waarom ook niet? Ik liep terug naar de telefooncel, belde hem op en vroeg waarom hij zijn Nanette had verkocht.
Van Stuchteren toonde zich niet eens verbaasd. Hij zei dat het schilderij uit zijn huis was gestolen. Hij had de diefstal nog geen tien minuten tevoren bemerkt. “Wel,” zei ik, “het hangt bij de antiquair.” ’
De Cock knikte. ‘En toen je aldus,’ zei hij somber grijnzend, ‘Jan en alleman had wakker geschud, gaf je ook nog een vage tip aan de recherche, een raadseltje om de jongens bezig te houden.’ Ter Wielingen boog het hoofd.