20

De man met de baard rende langs de gaanderij. Zijn lange benen in een slobberige broek bewogen in een snelle cadans. Het witgele jack dat hij droeg, hing los, klapperde als vleugels. Hij keek niet om.

Vledder volgde, wild, verbeten. Hij was woedend op zichzelf, omdat hij in de hal van de flat te snel had gereageerd. Hij was te agressief geweest, te begerig, waardoor de man nog net had kunnen ontkomen. Vloekend rende hij verder.

De plotselinge inspanning deed hem zwaar hijgen. Hij voelde zijn hart. Het bonsde in zijn borst als een stoomhamer, klopte in zijn keel. De man met de baard wapperde voor hem uit. De afstand werd steeds groter.

Aan het einde van de gaanderij schoot de vluchtende man de ruimte van de liften binnen. In een flits realiseerde hij zich, dat het een dwaasheid was nu op een lift te wachten. Hij vloog naast de schacht de trap af.

Maar op het moment waarop hij langs de liftdeuren van de derde verdieping glipte, ging er een open. Een paar vrouwen en kinderen stapten uit. Onbewust van het gevaar.

Zij vormden voor de man met de baard een plotseling obstakel. Ze waren te dichtbij. Hij kon er niet meer omheen. Zijn snelheid was te groot.

Pal voor hem was een meisje, drie turven hoog, met een pop op de arm. In een wanhopige poging om het kind te ontwijken sprong hij. Het was een wilde sprong, zonder controle. Zijn lichaam raakte uit balans. Zijn linkervoet schoof weg, vond geen houvast meer, en met een wilde smak plofte hij tegen de stenen vloer. Versuft bleef hij liggen. Halfverdoofd. Ergens ver weg hoorde hij vrouwen en kinderen angstig gillen. Het was een vreemd, trillend geluid van mensen in paniek. Hij deed zijn ogen open om te kijken waar het vandaan kwam. Hij kon niet zien. Het beeld was in de verte te wazig. Dichterbij ging het beter. Niet ver van zijn hoofd lag een pop. Hij kon de contouren ervan goed onderscheiden. Het was een oude plastic pop met een starre, wezenloze glimlach. Het boeide hem ongemeen. Hij wist niet hoe het kwam. Hij moest naar die starre glimlach kijken. En hij bleef kijken tot het bewustzijn uit hem wegzakte.

‘Wat zeiden ze in het ziekenhuis?’

Vledder zuchtte.

‘Hij heeft een shock. Voorlopig mag hij nog niet worden verhoord.’

‘Ernstig?’

‘Nee, de dokter meende dat hij met een paar dagen wel zou zijn opgeknapt. Het valt achteraf nogal mee.’

‘En het meisje?’

‘Niets, een paar schaafwondjes aan armen en benen. Ze is alweer met haar moeder mee naar huis.’

De Cock zuchtte diep. ‘Daar ben ik blij om.’

Vledder beet op zijn onderlip.

‘Ik ook, geloof me. Ik voel mij namelijk een beetje schuldig aan die valpartij. Ik had die Pierre Popko nooit de kans mogen geven om te vluchten. Als ik hem gewoon kalm naar binnen had laten gaan, was er niets gebeurd. Die vent was ook zo rap.’ De Cock grijnsde. ‘Je hebt in het ziekenhuis toch hopelijk wel voor een goede bewaking gezorgd?’

‘Wat dacht je? Ik heb de commissaris zo ver gekregen dat hij mij twee agenten toestond. Eén zit op een stoel naast zijn bed. De andere bewaakt de gang.’

‘En de ramen?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Geen gevaar. De ramen zien uit op een binnenplaats. Vandaar kom je beslist niet verder.’

De Cock stond van zijn stoel op.

‘Mooi,’ zei hij. ‘Twee agenten lijken mij dan wel voldoende. Zie je, ik was onze vriend niet graag weer kwijt.’

‘Dat begrijp ik. Je hebt hard genoeg gewerkt om hem te krijgen. Heb je al iets gehoord van de luitjes van het technische werk?’ De Cock knikte traag.

‘Ik heb, net voordat jij van het ziekenhuis terugkwam, drs. Beskes van het laboratorium aan de telefoon gehad. Hij vertelde dat hij in de flat, aan de wanden van de stortkoker en in het afvoerrooster van de douche enige blonde haren en duidelijke sporen van menselijk weefsel had gevonden. Een overtuigend bewijs voor mijn theorie dat Nanette daar in die flat is vermoord en verminkt.’

Vledder knikte. ‘En vingerafdrukken?’

‘Er zijn in de flat vingerafdrukken gevonden, heel veel zelfs. In de keuken, in de douche, praktisch overal. Maar men kan er nog niets van zeggen. Ze zullen nog vergeleken moeten worden.’ ‘Wat denk je?’

‘Het zal wel kloppen.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Je bedoelt dat de vingerafdrukken afkomstig zijn van Pierre Popko en Nanette de Bougaerde?’

‘Inderdaad.’

Vledder schudde zijn hoofd en zuchtte.

‘Ik moet eerlijk zeggen, ik begrijp er nog niet veel van. Hoe kwamen bijvoorbeeld die twee in de flat van de oude Van Stuchteren en waarom die moord? Welk motief had die schilder om Nanette naar het leven te staan? Ik zie het niet. Echt, ik zie het niet.’

Met de handen diep in de zakken van zijn broek begon De Cock door de recherchekamer te stappen. Traag schoven zijn voeten over het zeil. Ondanks zijn succes voelde hij zich triest en somber. Bij het raam bleef hij staan. De regen hing als een mistige sluier over de glimmende daken van de oude Warmoesstraat. ‘Hondenweer,’ mompelde hij, ‘vuil vies hondenweer.’ Ineens dacht hij weer aan zijn oude moeder en haar haast bijgelovige angst voor die paar dagen in juli. Vertederd door de herinnering glimlachte hij zachtjes voor zich uit. Hij zag het hem zo vertrouwde gezicht weer voor zich; twee felle ogen in een gezicht vol lieve rimpeltjes. ‘Wees voorzichtig met de hondsdagen, mijn jongen,’ hoorde hij haar zeggen, ‘ze zijn verraderlijk, verraderlijk, verra…’ Haar stem bleef, resoneerde tegen zijn schedeldak als een echo.

Even nog bleef hij besluiteloos staan. Toen draaide hij zich om, greep in het voorbijgaan jas en hoed van de kapstok en waggelde naar de deur. ‘Kom, we gaan naar het ziekenhuis. Ik wil het verhaal van de schilder, nu, vandaag.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Maar,’ riep hij, ‘de dokter…’ De Cock luisterde niet. Onverstoorbaar liep hij verder de lange gang in. Vledder volgde, hoofdschuddend, zijn regenjas in een knoedel over zijn schouder.

De Cock kon er niet goed tegen. Die typische ziekenhuisgeur van lysol en carbol benauwde hem. Wanneer hij er beroepshalve moest zijn, maakte hij zijn bezoeken altijd zo kort mogelijk. Hij stootte Vledder aan. ‘Waar ligt-ie?’

‘Boven op de eerste etage.’

Ze gingen de trap op. Een paar jonge verpleegsters in krakend wit huppelden hen dartel voorbij. Vledder toonde zijn knapste gezicht en stralendste glimlach. De Cock vermoeide zich niet. Op de gang van de eerste etage troffen ze een jonge agent. Hij stond voor een gesloten deur, wijdbeens.

De Cock grijnsde hem vriendelijk toe. ‘Ik ben rechercheur De Cock.’

De agent lachte. ‘Met ceeooceekaa. Ik ken u wel.’

‘Mooi. Waar is je collega?’

‘Binnen, om die vent z’n handje vast te houden.’

‘Prachtig,’ zei de rechercheur grinnikend, ‘roep hem maar. Vledder en ik nemen de bewaking een halfuurtje over. Scharrel maar wat rond. Er zal wel ergens een keuken zijn met koffie en verpleegsters.’

De jonge agent maakte een grimas. ‘Een halfuurtje?’ ‘Ja, zo ongeveer. En maak je onderwijl geen zorgen. Wij gaan hier beslist niet weg voordat jullie terug zijn.’

De jonge agent knikte. Hij deed de deur van het ziekenkamertje open en wenkte zijn collega, een grote, zware kerel, die wat verveeld op een stoel naast het bed zat.

‘Kom, liefdezuster,’ spotte hij, ‘de rechercheurs nemen het even over.’

Collega liefdezuster kwam blij overeind. Een kleine onderbreking was hem welkom. Het straalde van zijn gezicht. Toen de agenten waren verdwenen, liepen Vledder en De Cock naar het bed. Aan het voeteneinde bleven zij staan en keken naar de man die hen in de flat zo had verrast. Een hernieuwde confrontatie.

Pierre Popko lag er wat witjes bij, op zijn rug, verbandgaas als een tulband om het hoofd. Hij bekeek zijn bezoekers rustig. De blauwe ogen stonden helder.

De Cock nam zijn oude, vilten hoedje van zijn hoofd en hield het onhandig, haast verlegen voor zijn borst. Het was een stuntelig gebaar, alsof hij niet precies wist waar hij zijn hoed moest laten. Vledder keek hem van opzij aan. Op zulke momenten ergerde hij zich aan De Cock. Dat stuntelige, gewild schuchtere gedoe van zijn leermeester stond hem tegen. Het was van De Cock een pose, zo wist hij, om zijn tegenstanders te ontwapenen. Het was alleen zo duidelijk, zo doorzichtig, dat Vledder niet begreep dat de mensen er zich steeds weer door lieten misleiden. ‘Hoe maakt u het?’ hoorde hij hem zeggen. Het klonk bezorgd. Pierre Popko schonk De Cock een matte glimlach.

‘Het gaat wel, ja, het gaat wel.’ Hij tastte aarzelend naar de witte tulband. ‘Mijn hoofd is nog gevoelig.’

De Cock schoof de stoel naast het bed wat dichter naar het hoofdeinde en ging zitten. ‘U hebt ook een flinke smak gemaakt.’ De schilder grinnikte zo’n beetje. ‘Ja,’ zei hij grijnzend, ‘dat mag u best zeggen. Hoe… eh, hoe is het met het kind?’ ‘Best, slechts een paar schrammetjes. Het is alweer thuis.’ ‘Ik wilde haar nog ontwijken.’ De hand op het witte laken maakte een gebaar. ‘Het ging niet meer. Ik kwam van de trap. Ik had te veel vaart.’

Er viel een kleine pauze.

Vledder liep van het voeteneinde van het bed vandaan. Hij schuifelde op zijn tenen naar het raam en ging daar op een wit houten stoeltje zitten, afwachtend, een notitieboekje op de knie. Hij wist dat dit slechts een aanloop was. De Cock zou het gesprek straks beslist in de richting van de moord voeren. Hij kende zijn leermeester. Het was zijn tactiek om kalm, bijna ongemerkt tot het onderwerp te komen. De schilder draaide met zijn hoofd, voorzichtig, omdat het pijn deed.

‘U bent rechercheur De Cock. Is het niet?’

De Cock knikte. ‘U kent mij?’

Pierre Popko aarzelde even. ‘Christel heeft mij van u verteld.’ ‘U kent Christel?’

De schilder glimlachte. ‘Christel is een oude vriendin.’ ‘Oude vriendin?’

‘Als vriendin, ja. Ik kende haar al voor zij in de Gravenstraat De Drie Rooskens begon. Ik heb haar een paar jaar geleden door haar broer leren kennen.’

‘Floor de Bougaerde?’

‘Inderdaad, zo noemt hij zich. Hij heeft om de een of andere reden als schrijver de naam van zijn moeder aangenomen. Hij heet eigenlijk Floris van Daele. Floor had een paar interessante boeken geschreven. Werk dat mij wel aansprak. Op een avond werd ik in een of andere soos aan hem voorgesteld. Het was het begin van een kortstondige vriendschap.’

‘Wat is er van hem geworden?’

Pierre Popko maakte een lichte schouderbeweging.

‘Dat weet ik niet. Zoals ik al zei, onze vriendschap heeft niet zo lang geduurd. Hij kreeg contact met mensen die mij niet aanstonden. Dat gaf op den duur een verwijdering. Ik heb later wel eens gehoord dat hij verslaafd was aan verdovende middelen. Ik weet niet of het waar is. Ik heb hem eenvoudig uit het oog verloren.’

De Cock knikte. ‘Maar uw… eh, vriendschap met Christel bleef?’

Pierre Popko toonde voor het eerst iets van onrust, onbehagen. Zijn benen bewogen onder het dek.

‘Wel?’ drong De Cock aan.

‘Mijn… eh, mijn vriendschap met Christel bleef.’

Zijn stem had ineens een scherpere klank.

De rechercheur boog zich naar hem toe. ‘En toen Nanette verscheen…?’

Hij had de vraag zo achteloos mogelijk gesteld. Gespannen lette hij op de reactie.

Over het gezicht van de schilder vloog een lichte blos. ‘Dat… dat was wat anders. Dat had niets te maken met Christel en mij. Ik bedoel, dat viel buiten onze vriendschap. Christel begreep dat.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik niet.’

‘Wat?’

‘Ik begrijp het niet.’

Pierre Popko zuchtte. ‘Nanette, Nanette was een verdoving. U mag het achteraf ook een bevlieging noemen, waanzin.’ Hij spreidde beide armen in een theatraal gebaar. ‘Ze hield van mij, zei ze, alleen van mij.’

Hij schudde zijn hoofd en kneep zijn ogen stijf dicht. Zijn hele lichaam begon te beven. Boven de baard trilden de lippen. Zijn handen verkreukelden het laken.

‘De adder,’ siste hij, ‘de adder. Geloof me, ik ben door een hel gegaan, de laatste dagen, door een hel.’ Hij zuchtte diep. Het klonk als een snik. ‘Maar ik ben gelouterd, gelouterd…’ De Cock drukte de rug van zijn hand tegen het hete gezicht. Hij was bang voor een nieuwe shock. Uiteindelijk was dit verhoor door de behandelende arts verboden. Hij had geen toestemming. En als er iets gebeurde…

‘Laten we er samen eens kalm over praten,’ zei hij zacht sussend, ‘in alle rust, als verstandige mensen. Het zal u goeddoen, geloof me. Het lucht op. U… eh, u wilt er toch wel over praten?’ Pierre Popko knikte nauwelijks merkbaar.

De Cock nam het laken en veegde daarmee voorzichtig langs de scherpe neus, de ooghoeken en de wangen. Het gezicht van de schilder was nat van zweet. Het parelde in zijn baard. ‘Toen u uw oude vriendin Christel eens in De Drie Rooskens bezocht, zag u daar Nanette?’

‘Ja.’

‘Het was de eerste keer dat u haar ontmoette?’

‘Ja.’

‘En u vond haar aantrekkelijk?’

‘Ja.’

‘Verliefd?’

‘Niet direct.’

De Cock pauzeerde even. Hij glimlachte de schilder bemoedigend toe. Pierre Popko was iets rustiger geworden. De vriendelijke, zacht dwingende stem van De Cock had hem gekalmeerd. Het beven was opgehouden.

‘Hoe is het toen verder gegaan?’

‘Nanette was heel anders dan Christel. Veel uitbundiger, frivoler. Toen ze hoorde dat ik schilderde, drong ze zich aan mij op, hardnekkig, schaamteloos. Ze wilde op mijn atelier komen en bood zich aan als model.’

Hij grinnikte zachtjes voor zich uit.

‘Ik heb eerst geweigerd. Echt, ik wilde niet. Ziet u, ik was feitelijk bang van haar. Ze bracht mij in de war. Als ze bij mij was, voelde ik mij onzeker, onrustig. Dan was het net alsof ik er niet meer was, alsof mijn eigen ik, mijn eigen persoonlijkheid had opgehouden te bestaan. Begrijpt u? Ik was dan mijzelf niet meer. Ik was gewoon een willoos schepsel.’

Hij zweeg even.

‘Op een avond zei ze dat ze van mij hield.’

Hij hield zijn beide handen voor zijn gezicht.

‘Vanaf dat moment is alles verkeerd gegaan.’

‘Hoezo?’

Pierre Popko likte aan zijn droge lippen.

‘Ze zei dat ze een groot man van mij zou maken. Beroemd zou ik worden. Schilderen, zei ze, was niet alleen een kwestie van begaafdheid, kunst, talent, maar veel meer een zaak van publiciteit. Het deed er niet veel toe wat je schilderde, als de mensen er maar van spraken. Ze zei dat ze een journalist kende die ze wel zover zou kunnen krijgen dat hij een paar artikelen over mij schreef.

Het klonk mooi. U moet bedenken, ik had met mijn schilderijen nooit veel succes gehad. Ik leefde wat armoedig in een oude schuur op het Prinseneiland. Ik noemde het mijn atelier, maar het was niet veel meer dan een hok waar ’s nachts de ratten feest hielden. Toen ik lang geleden Van Stuchteren eens liet zien hoe ze aan mijn verf hadden gevreten, gaf hij mij de sleutel van zijn flat in Moerenburg. Ik mocht de flat zo lang als slaapplaats gebruiken.’

Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn lippen. ‘Ik kwam er ook met Nanette. Als zij bij mij was, verkeerde ik in een soort roes. Ik zweefde, alsof ik aan elke voet een wolk had.’ De rechercheur knikte begrijpend.

‘Hoe kwam Nanette in contact met Van Stuchteren?’ ‘Door mij. Ik had haar van Van Stuchteren verteld, dat de flat van hem was, dat hij een rijk man was met een fantastische verzameling schilderijen, en dat ik wel eens opdrachten van hem kreeg.

Ze drong er bij mij op aan dat ik haar aan hem zou voorstellen. Zij wilde wel eens kennis met hem maken. Ze zou er dan op haar manier wel voor zorgen dat Van Stuchteren mij belangrijk werk gaf.’

‘En toen kreeg je dus de opdracht voor het maken van dat naakt op de sofa.’

Pierre Popko schudde het hoofd. ‘Dat schilderij was geen opdracht.’

‘Wat?’

‘Welnee, het was een idee van Nanette. Laat die oude Van Stuchteren maar eens wat van mij zien, zei ze. Des te nieuwsgieriger wordt hij.’

‘En die rode sofa?’

‘Dat was ook een idee van haar. Kijk, Van Stuchteren had haar in een sentimentele bui van zijn overleden vrouw verteld en Nanette had goed geluisterd. Zij wist dat wijlen mevrouw Van Stuchteren altijd op die rode sofa zat.’

Pierre Popko slikte. ‘Ze wilde de oude Van Stuchteren zover krijgen, dat hij haar ten huwelijk vroeg.’

‘En moest jij haar daarbij helpen?’

‘Ja, dat zei ze. Ik heb fraaie schetsen van haar gemaakt en die aan Van Stuchteren laten zien. Hij was er helemaal kapot van.’ ‘Maar hoe kon je dat doen? Ze hield van jou, zei ze. En jij moest haar helpen die oude Van Stuchteren in te palmen. Dat, dat is toch niet te rijmen?’

Pierre Popko sloeg opnieuw beide handen voor zijn gezicht. ‘Ik weet het niet meer. Ik weet het allemaal niet meer.’ In zijn stem klonk wanhoop.

‘Ze had het over een schijnhuwelijk. Het zou niets te betekenen hebben en het zou geen enkele afbreuk doen aan hetgeen tussen haar en mij was. Het zou integendeel onze verhouding nog verdiepen. Het huwelijk met de rijke man zou haar bovendien de mogelijkheid verschaffen veel voor mij te doen. En als de oude Van Stuchteren stierf, dan waren er nog jaren genoeg.’ Hij bewoog zijn hoofd heen en weer.

‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet meer. Ik was eenvoudig verdoofd, apathisch. Het leek alsof ik geen enkele norm meer had.’ De Cock keek hem scherp aan. ‘Wanneer kwam je weer tot jezelf?’

Pierre Popko drukte zich in zijn bed omhoog. Hij ging rechtovereind zitten, legde zijn hoofd in de nek en hield zijn mond halfopen. Het was alsof hij zich uitrekte, ontwaakte uit een diepe slaap.

‘Ik werd pas wakker,’ zei hij zacht, ‘toen ik haar dood voor mij zag. Het was net of ik in een boze droom werd gewekt. Het was alles zo onwerkelijk. Ook haar dood. Toen ik het eindelijk begreep, heb ik bij haar lijk zitten huilen, lang, heel lang, tot ik niet meer kon. Tot ik geen traan meer overhad.’

‘En toen?’

Pierre Popko schoof in zijn bed onderuit. Hij liet zijn hoofd op het kussen terugzakken en staarde naar de zoldering. ‘Ineens,’ zo ging hij verder, ‘besefte ik dat ze weg moest. Dat ze niet in de flat kon blijven. Het kon niet. Het mocht niet. Als ze haar zouden vinden… Tenslotte wist Van Stuchteren dat ik de flat in gebruik had. Ik raakte in paniek. In een wilde impuls tilde ik haar over mijn schouder en liep met haar naar buiten, de gaanderij op. Ik durfde geen gebruik te maken van de liften. Ik was bang dat iemand mij dan zou zien. Er komen altijd mensen thuis. Ook in de nacht. Ik ging de andere kant op, naar de wenteltrap aan het eind van de gaanderij. Het is een noodtrap waar haast niemand gebruik van maakt.’

Hij pauzeerde even, zakte weg in zijn herinnering.

‘Ik was bijna met haar beneden, toen er een auto stopte en iemand de trap op kwam. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik draaide mij zo snel mogelijk om en ging weer terug naar boven. Het ging gemakkelijk. Nanette was niet zwaar. Op de weg achter het flatgebouw zag ik een paar auto’s en brommers rijden. Ineens besefte ik, dat ik van alle kanten kon worden gezien, door iedereen. Het idee beangstigde mij. Ik begon met het lijk op mijn rug te rennen, zo hard ik kon. Ik kreeg het steeds benauwder. Ik hoorde geluiden om mij heen die er niet waren, zag plotseling overal deuren opengaan. Het was een hel, compleet een hel. Toen ik haar eindelijk weer in de flat had, was ik volslagen gek.’ De schilder zweeg, wreef met zijn hand langs zijn gezicht, zijn baard. Het zweet gutste van zijn wangen.

‘Op de bank, op die bank in de voorkamer heb ik zitten nadenken hoe ik haar kwijt kon.’

‘En toen kwam je op het idee van de stortkoker.’

Hij knikte traag.

‘Er was langzaam een vreemde rust over mij gekomen. Een kalme gelatenheid. Ik herinner mij niet in mijn leven ooit zo rustig te zijn geweest. Ik heb haar heel voorzichtig de kleren uitgetrokken en naar de douchecel gedragen.’

‘Is het daar gebeurd?’

Hij zuchtte diep. ‘Ja, daar is het gebeurd.’

De Cock liet zich tegen de leuning van de stoel terugvallen. Hij voelde zich loom, vermoeid. Het verhoor van de schilder had hem afgemat.

In zijn gedachten liet hij het gesprek nog eens de revue passeren. Elk woord, elke intonatie en expressie, elk detail. Hij ging na of hij alles had, voor later, voor de bewijsvoering en voor al de vragen van de rechters, de officier van justitie, de verdediger. Hij keek op zijn horloge. Het halve uur was allang verstreken. De agenten waren nog niet terug. Hij vroeg zich af waar ze bleven. Ineens schoot hem iets te binnen, een vraag die hij had vergeten te stellen. Hij keek de schilder aan. ‘Wat was de directe aanleiding? Ik bedoel, wat dreef je ertoe haar uiteindelijk te vermoorden?’

Pierre Popko sperde zijn ogen wijdopen. Zijn gezicht kreeg een uitdrukking van opperste verbazing. ‘Vermoorden…?’ ‘Ja.’

‘Ik… eh, ik heb haar niet vermoord.’

‘Wat?’

‘Ik heb haar niet vermoord. Nanette was al dood toen ik haar vond.’

De Cock slikte van verbijstering. Nog nooit in zijn lange loopbaan als rechercheur had een antwoord hem zo geschokt. Het was alsof ineens alles om hem heen begon te draaien. Of de grond onder zijn stoel wegzakte. Hij kneep zijn ogen dicht om die tollende wereld stil te zetten. Verderop, bij het raam, hoorde hij hoe Vledder op zijn stoel bewoog.

De deur van het ziekenkamertje zwaaide open. In de deuropening stonden de beide agenten.

‘Sorry,’ zei de jongste, ‘het heeft wat langer geduurd. Toen we eindelijk de keuken hadden gevonden, moest de koffie nog worden gezet.’

De Cock kwam wat wankel overeind. ‘Het is al goed,’ zei hij loom.

Hij nam zijn oude, vilten hoed van het bed, mompelde een afscheid en waggelde de gang op.

Vanuit de deuropening keek Vledder hem somber na. Hij had het gevoel dat hij zijn oude leermeester nu niet moest volgen, dat hij hem moest laten gaan, alleen, op zijn missie.

Met een haast tot touw verknoedelde ceintuur om zijn middel, de handen diep in de zakken van zijn oude regenjas, slenterde De Cock vanuit het ziekenhuis over de smalle Grimburgwal. Om zijn mond lag een norse trek. Zo nu en dan veegde hij met zijn zakdoek de regen uit zijn gezicht. Het vertraagde zijn tred niet. In zijn typische, wat waggelende gang liep hij voort, over het Rokin naar de Dam. Er waren momenten waarop hij een hekel had aan zijn beroep, waarop hij geen rechercheur wilde zijn, waarop hij gerechtigheid haatte. Zo’n moment was nu. Hij stak de Dam over en liep via de Nieuwendijk naar de oude Gravenstraat. Bij De Drie Rooskens bleef hij staan en keek omhoog naar het smeedijzeren uithangbord voven de deur. Er was een wapen op geschilderd. Het was voor het eerst dat hij het zag: drie rode rozen op een blank veld.

Hij bleef ernaar kijken en overwoog onderwijl om verder te gaan, gewoon door te lopen. Tegelijk wist hij dat het geen zin had. Hij legde zijn vinger op de bel en drukte.

Загрузка...