6

De onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst zeiden niet veel. Ze legden het slappe, uitgeputte lichaam van Floor de Bougaerde op de brancard, schikten een deken over hem heen en sjorden de riemen vast. Daarna namen ze hem voorzichtig op en droegen hem door de lange gang. Rechtstandig manoeuvreerden ze de brancard langs de smalle wenteltrap vanaf de tweede etage naar beneden. Het ging allemaal simpel, gemakkelijk, getuigend van grote routine.

De Cock liep mee naar beneden.

Achter de balie maakte de brigadier-wachtcommandant een vage beweging in de richting van de brancard en trok zijn wenkbrauwen op.

‘Hee, De Cock,’ zei hij zacht grijnzend, ‘wat moet ik in mijn dagelijks rapport zetten? Weer een slachtoffer van een verhoor in de derde graad?’

De Cock kon het wrange grapje niet erg best waarderen. ‘Zet maar: Man onwel, vermoedelijk ten gevolge van vergiftiging door overmatig gebruik van verdovende middelen.’ De wachtcommandant snoof.

‘Het spul zal wel zijn uitgewerkt. Dat is het. De nekslag komt altijd achteraf.’ Hij keek naar het witte gezicht op de brancard en schoof zijn onderlip vooruit. ‘Ze zeggen dat je medelijden met ze moet hebben, dat zeggen ze. Het zal wel zo zijn.’ Het klonk niet overtuigend. ‘Hoe kwam hij eigenlijk hier?’ ‘Hij is bij jou aan de balie gekomen, herinner je je nog? Je hebt hem zelf naar boven gestuurd,’ antwoordde De Cock. De wachtcommandant trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, ‘die bleke met die donkere bril. Ik heb nog met je gebeld.’ Hij pakte een kladbloc en dicteerde zichzelf. ‘Man eigener beweging aan dit bureau verschenen en per ambulancewagen van de Geneeskundige Dienst overgebracht naar…’ Hij keek naar de wachtende broeders. ‘Waar gaat hij heen?’ Ze zetten de brancard even aan de grond.

‘Het Wilhelmientje,’ antwoordde de oudste.

‘… het Wilhelminagasthuis,’ schreef de wachtcommandant. ‘Wat denkt u?’ vroeg De Cock. ‘Zullen ze hem daar in het ziekenhuis houden of sturen ze hem als hij bijkomt straks zo weer weg?’ De oude broeder schudde het hoofd.

‘Hij blijft wel een paar dagen in observatie. Als het erg is, houden ze hem voor een ontwenningskuur. Dat is zo gebruikelijk bij die klanten.’

‘En dan?’

‘Steeds maar hopen dat ze het spul nooit meer in handen krijgen. Anders is het zo weer mis.’ De andere broeder knikte instemmend. Ze namen de brancard weer op en liepen het bureau uit. De ambulancewagen stond klaar met open achterdeuren. Een agent hielp bij het inladen.

Toen De Cock in de recherchekamer terugkwam, rook het er naar koffie. Vledder had het restje poederkoffie in de la van De Cocks bureau ontdekt en twee koppen klaargemaakt. ‘Is hij weg?’

De Cock ging achter zijn bureau zitten. Met beide handen aan het kopje begon hij aan de koffie te slurpen. Zijn gedachten waren bij Floor de Bougaerde, bij zijn verslaafdheid en wild geuit verlangen naar zijn nicht. De kreet Na-nette klonk nog na, resoneerde tegen zijn schedeldak.

‘Is hij weg?’ herhaalde Vledder.

De Cock knikte.

‘Ze brengen hem voorlopig naar het Wilhelminagasthuis ter observatie. Misschien geven ze hem wel een ontwenningskuur, als hij tenminste zelf wil meewerken. Het is in feite de enige therapie.’

Vledder zuchtte. ‘Begrijp je dat nou? Zo’n begaafde, intelligente kerel. Je zou toch verwachten dat zo’n man wel weet wat uiteindelijk de gevolgen zijn. Als je ermee doorgaat, ga je naar de bliksem, onherroepelijk.’

De Cock zette zijn kop neer.

‘Als je ermee doorgaat…’ herhaalde hij langzaam.

‘Wat bedoel je?’

‘Net wat ik zeg, als je ermee doorgaat. Zie je, niemand heeft vooraf het plan ermee door te gaan. Eenieder denkt dat het gevaar van verslaving voor hem of haar niet geldt. Men begint eraan, om welke reden dan ook, en beschouwt het als een remedie tegen een tijdelijk ongemak, een pijn, lichamelijk of geestelijk, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van inspiratie.’ Vledder keek verrast op. ‘Denk je dat Floor de Bougaerde om die reden zijn heil in morfine heeft gezocht?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Het kan zijn. We weten nog te weinig van onze vriend om daarover al iets zinnigs te kunnen zeggen. In ieder geval is hij reeds geruime tijd verslaafd. Gezien zijn lichamelijk verval schat ik op minstens een jaar. Misschien nog wel langer. Het lijkt mij het beste dat wij morgen eens contact opnemen met de dokter die hem in het ziekenhuis behandelt. Intussen kunnen wij ons bezighouden met een uiterst belangrijke vraag.’

‘Vraag?’

De Cock knikte.

‘Langs welke weg kreeg Floor de Bougaerde zijn morfine?’ Vledder haalde nonchalant zijn schouders op.

‘In de buurt van de Walletjes en de Zeedijk lijkt mij dat nou niet zo moeilijk. Daar liggen contacten genoeg. Ik denk dat Floor de Bougaerde juist naar de Achterburgwal is getrokken om dichter bij de bron te zijn. Wat heeft hij anders in de buurt te zoeken?’ De Cock antwoordde niet direct. Met zijn handen onder zijn kin, de beide ellebogen steunend op zijn bureau, keek hij een tijdje peinzend voor zich uit. Een plotselinge gedachte hield hem bezig. ‘Weet je,’ zei hij na een poosje, ‘verslaving brengt de mensen vaak tot de meest dwaze dingen. Soms komen zelfs de zachtmoedigsten tot daden van geweld. Als ze hun behoefte aan verdoving niet kunnen stillen, als het middel buiten hun bereik blijft, zijn zij tot alles in staat, als het moet tot moord.’ Vledder keek De Cock verwonderd aan.

‘Je denkt toch niet dat Floor…’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Wat?’

‘Je denkt toch niet dat Floor de Bougaerde iets met de verdwijning van Nanette heeft te maken?’

‘Vind je die gedachte zo vreemd?’

‘Nou nee, maar…’

De Cock stond van zijn stoel op en begon door de recherchekamer te stappen. In de cadans van zijn waggelende tred lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen.

‘Wat deed Floor de Bougaerde,’ sprak hij bijna docerend, ‘toen hij zich hier onrustig begon te voelen?’

Vledder antwoordde haast mechanisch. ‘Hij begon te roepen.’ ‘Juist! En om wie?’

‘Nanette.’

‘Waarom?’

Vledder haalde zijn schouders op. ‘Om… omdat hij haar nodig had?’

‘Waarvoor?’

‘Dat weet ik niet.’

De Cock bleef voor de stoel van Vledder staan.

‘Wat had Floor de Bougaerde, gezien zijn verslaving, op dat moment in feite nodig?’

‘Een dosis morfine.’

De Cock knikte goedkeurend. ‘En wat riep hij?’

‘Nanette.’

De ogen van de jonge Vledder begonnen plotseling te glinsteren.

‘Fantastisch, ja, hij riep Nanette, maar hij bedoelde morfine.’ De Cock stak zijn wijsvinger omhoog. ‘En wat betekent dit?’ ‘Dat betekent,’ zei Vledder ernstig, ‘dat in de gedachtesfeer van Floor de Bougaerde de begrippen morfine en Nanette heel nauw met elkaar zijn verweven. Er is haast geen onderscheid.’ De Cock liet zich weer in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘Anders gezegd: Nanette verzorgde de morfine.’

Vledder schudde zuchtend het hoofd.

‘Allemensen,’ zei hij, nog verbijsterd door de snelle tuimeling van gedachten, ‘Nanette de Bougaerde, de zoete madelief uit De Drie Rooskens, handelde heel opgewekt in morfine.’ ‘Ho, ho, jonge vriend, nu draaf je te ver door. Zij bezorgde haar neef Floor de Bougaerde zijn morfine. Daar kunnen we wel van uitgaan. Maar of zij — zoals jij veronderstelt — heel opgewekt in dat spul handelde, weten we niet. Het lijkt mij vooralsnog een wat voorbarige conclusie.’

Vledder grijnsde.

‘Voorbarig? Geloof maar gerust dat Floor de Bougaerde heel diep in zijn beurs heeft moeten tasten. Je neemt toch niet aan dat Nanette hem de morfine voor niets leverde?’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Voor niets, nee. In de zwarte handel voor narcotica worden fikse prijzen gevraagd. Toch geloof ik niet dat Nanette uit winstbejag handelde. Je weet wat Christel van Daele zei: Nanette interesseerde zich niet voor geld. Het liet haar koud.’

‘Ja, ja,’ zei Vledder enthousiast, ‘dat zei Christel van Daele. Maar in hoeverre is zij te vertrouwen? Misschien is dat hele bloemenwinkeltje De Drie Rooskens wel een geraffineerde dekmantel voor een uitgebreide smokkelhandel in verdovende middelen.’

De Cock begon hartelijk te lachen.

‘Met een veld vol wilde papavers achter het Blauwe Erf en een lekker opiumdistilleerderijtje, zolang even geleend uit De Drie Fleschjes.’

Vledder trok een beteuterd gezicht. De spottende toon van De Cock bekoelde zijn enthousiasme. ‘Nou ja,’ zei hij haast schuchter, ‘het was maar een veronderstelling.’

De Cock grinnikte.

‘Trek het je niet aan. Het was van mij ook maar een grapje. Je had volkomen gelijk. Die bloemenwinkel zou inderdaad een handige camouflage kunnen zijn. Maar ik geloof er niet in. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar ik geloof niet in een uitgebreide handel in morfine. Dat vergt een andere instelling, sluwer, gewetenlozer. Ik ben vanmiddag in De Drie Rooskens geweest. Ik heb mij door Christel van Daele laten rondleiden. Ik heb met haar gesproken…’ Hij glimlachte zachtjes voor zich uit. ‘Het was soms opwindend. Christel van Daele is een bijzonder aantrekkelijke vrouw, weet je. Vooral in de sfeer van haar eigen omgeving.’ Hij staarde wat dromerig voor zich uit, geboeid door zijn herinneringen.

Vledder keek zijn leermeester onderzoekend aan. ‘En?’ De Cock keek wat verstrooid op.

‘O, niets, nee. Ik ben niet veel verder gekomen. Ik weet althans niet meer dan wij vanmorgen reeds wisten…’

Vledder grijnsde breed.

‘… Nanette de Bougaerde is verdwenen en de aantrekkelijke Christel van Daele denkt het ergste… Zo is het toch?’ ‘Ja, m’n jong, zo is het.’

Op dat moment rinkelde de telefoon.

Vledder pakte de hoorn op.

‘Spreek ik met rechercheur De Cock?’

‘Nee, een ogenblikje.’

Hij reikte de hoorn over. ‘Het is voor jou.’

De Cock schoof zijn stoel iets bij. ‘Hier De Cock… Met wie?’ ‘Dat doet er niet toe,’ zei de stem aan de andere kant van de lijn. ‘Ik wil u alleen wat op weg helpen.’

‘Op weg… waarmee?’

‘Dat zult u wel merken, meneer De Cock. Ik raad u aan eens te gaan kijken op de Spiegelgracht.’

‘De Spiegelgracht?’

‘Ja, de stille zijde van de Spiegelgracht.’

‘Wat is daar te zien?’

Het was even stil aan de andere kant van de lijn, een pauze voor overwegingen.

‘U hebt geen belangstelling voor antiek?’

‘Nee, niet bepaald.’

‘Dan wordt het tijd dat u uw instelling eens verandert. Geloof me, het loont de moeite. Goedenavond, meneer De Cock.’ ‘Goedenavond… eh…’

De verbinding was verbroken.

Met de hoorn in de hand bleef De Cock een paar seconden peinzend staan. Op de rommelige zolderkamer van zijn geheugen zocht hij naar de stem… naar een herkenningspunt. Hij vond echter niets wat erop leek. Het toe-toet van de in-gesprek-toon verbrak zijn overpeinzingen. Zachtjes legde hij de hoorn op het toestel terug.

‘Wie was het?’ vroeg Vledder belangstellend.

De Cock haalde zijn schouders op.

‘Een onbekende minnaar van antiek, geloof ik. Hij raadde mij aan eens te gaan kijken op de stille zijde van de Spiegelgracht.’ ‘Waarnaar?’

‘Antiek, denk ik. Op de Spiegelgracht zijn namelijk aan beide zijden een aantal zaakjes waar antiek of wat daar voor doorgaat, wordt verkocht.’ Hij stond van zijn stoel op en waggelde naar de kapstok. ‘We moesten er maar eens gaan kijken.’ Vledder keek hem verwonderd aan. ‘Nu direct?’

‘Ja, waarom niet?’

Vledder zuchtte.

‘En als het maar een grap is?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Dan bezorgen we althans iemand een vrolijke avond.’

Загрузка...