2

Met de handen diep in zijn broekzakken slenterde De Cock door de grote recherchekamer. In gedachten ging hij het gesprek met Christel van Daele na, de woorden, de intonaties, de gebaren. De Cock kon dat. Hij had een fantastisch geheugen met een liefde voor het detail. Een schijnbaar onbelangrijke toespeling, een gezichtsuitdrukking, niets ontging hem. Zijn observatievermogen was opmerkelijk. Hij bezat dat van nature, maar in zijn beroep was het nog verscherpt.

Bij het raam, zijn geliefkoosd plekje, bleef hij staan. Het regende nog steeds. Plotseling draaide hij zich om en beende naar de kapstok.

‘Pak je jas, jongen. We gaan op pad.’ Vledder keek zijn baas verbaasd aan. ‘Zeg,’ riep hij met lichte achterdocht, ‘je bent toch niet van plan om nu direct al naar die verdwenen Nanette de… de…’

‘Bougaerde,’ vulde De Cock aan.

‘… juist, de Bougaerde te gaan zoeken? Het meisje is alles bij elkaar nog geen vierentwintig uur zoek. Er is nog niets aan de hand.’

De Cock keek hem onbewogen aan. ‘Ze is dood, beweert haar nicht.’

‘Die nicht, die nicht is een dwaas, zeg ik je, met haar gevoel, haar vrouwelijke intuïtie. En omdat in het fraaie hoofdje van dat bloemenvrouwtje het zotte idee heeft postgevat dat haar jongere nicht zomaar, zonder haar voorkennis naar het hiernamaals is vertrokken, wil jij het hele rechercheapparaat in werking stellen.’ De Cock wurmde zich in zijn oude regenjas.

‘Nee,’ zei hij gelaten, ‘niet het hele rechercheapparaat, jongen. Alleen maar wij tweeën. En dat is voorlopig meer dan genoeg.’ Vledder schudde vertwijfeld het hoofd. Hij kon zijn oude leermeester niet volgen. Hij begreep het niet. Hij liep met grote passen op De Cock toe en bleef pal voor hem staan. Een vinger omhoog. ‘Luister nu eens goed,’ riep hij geprikkeld. ‘De jonge Nanette is nog nooit een nachtje van huis weg geweest, dat beweert haar nicht.’

‘En?’

‘Maar ze is negentien jaar, begrijp je, De Cock, negentien jaar. Echt een leeftijd om eens een nachtelijk avontuurtje te beleven. En daar steekt toch niets achter? Dat is toch gezond?’ ‘Ik ken vaders,’ zei de oude rechercheur bijna achteloos, ‘die voor de gezondheid van hun dochters aan iets anders de voorkeur geven.’

Vledder zuchtte wanhopig.

‘Je weet best wat ik bedoel. Er is nog geen sprake van een werkelijke vermissing. Wat wil die juffrouw Van Daele? Ze kan toch niet verlangen dat de hele recherche op pad gaat, telkens wanneer een jonge vrouw een nachtje buitenshuis doorbrengt? Dat is, dat is…’ Vledder zocht naar het juiste woord, ‘… dat is monnikenwerk.’

De Cock lachte luid. Hij plantte zijn oude vilthoedje achter op zijn hoofd en wandelde bedaard de recherchekamer uit. Vledder volgde, woedend, zijn regenjas in een knoedel over zijn schouder.

Bram ter Wielingen bleek een lange, slanke jongeman met vriendelijke grijze ogen en een snor met trots opgeheven punten. De Cock werd er zichtbaar door geïmponeerd. Hij bekeek de snor met bewonderende aandacht. De jongeman vond die intense belangstelling voor zijn bovenlipbeharing wat pijnlijk. Onder de spiedende ogen van De Cock bewoog hij zich onrustig. ‘Wat wilt u?’

De rechercheur schoof zijn oude vilthoedje wat verder achter op zijn hoofd en wreef met een zakdoek de regen uit zijn gezicht. ‘Dat u ons ontlast van onze druipende regenjassen.’ De jongeman grinnikte wat verlegen.

‘Zeker, zeker, neemt u mij niet kwalijk.’

Hij kwam ineens in actie. Hij hielp bij het uittrekken van de jassen, hing ze weg en ging De Cock en Vledder voor naar een ruime kamer. Het was er wat rommelig, maar niet ongezellig. De Cock maakte een fauteuil vrij. Hij ging onuitgenodigd zitten en strekte behaaglijk zijn benen. Vledder volgde. Ter Wielingen stond er wat verloren bij, een trek van verbazing op zijn gezicht.

‘Wat, wat wensen de heren?’ Het klonk benepen.

De Cock plooide zijn gezicht in een vriendelijke grijns en keek de jongeman vanuit de diepte aan. ‘Nanette de Bougaerde,’ zei hij effen.

‘Wat?’

‘Nanette de Bougaerde,’ herhaalde De Cock. ‘Ze is nog minderjarig. We komen haar halen.’

Bram ter Wielingen grinnikte wat schaapachtig. ‘Ik, ik begrijp u niet.’

‘Het is anders helemaal niet zo moeilijk,’ zei de rechercheur. ‘U vroeg toch wat wij wensten? Wel, wij zijn rechercheurs van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat. Wij wensen Nanette de Bougaerde. Volgens onze inlichtingen bevindt zij zich in uw woning.’

‘Wat?’

‘Uw woordkeus is wel erg beperkt. Verder bent u bijzonder traag van begrip, een slechte eigenschap voor een journalist. Maar goed, ik zal trachten duidelijker te zijn.’ Hij stak eerst kalm een sigaret op en blies de rook naar het plafond. ‘Nanette de Bougaerde,’ zei hij geduldig, ‘is, zoals gezegd, een minderjarig meisje. We hebben gegronde reden om aan te nemen dat zij de afgelopen nacht bij u heeft doorgebracht. Wanneer u het meisje niet aan ons uitlevert, haar verborgen houdt, haar huidige verblijfplaats voor ons verzwijgt, dan kunt u zich schuldig maken aan schaking.’ Hij wachtte even voor het gunstige effect. ‘En schaking is een misdrijf.’ Uit de mond van De Cock klonk het als een lekkernij.

De journalist keek hem wat dom aan. ‘Een misdrijf?’ ‘Ja zeker, artikel tweehonderdeenentachtig van ons aller Wetboek van Strafrecht. Een interessant artikel. U moet het maar eens lezen. Er staat zes jaar op.’

Ter Wielingen fronste zijn wenkbrauwen. ‘Zes jaar,’ prevelde hij.

De Cock knikte. ‘Een hele tijd. Als u ze goed en wel hebt uitgezeten, bent u in de dertig, bijna een oude man.’

De journalist ging zitten en wreef met zijn hand langs zijn ogen. Hij moest het even verwerken. In de regel had hij zichzelf wel in bedwang, was hij meester van de situatie. Zijn beroep bracht dat mee. Maar De Cock had hem geen tijd gegund.

Hij keek in het uiterlijk zo goedmoedige gezicht van de grijze rechercheur voor hem. Sluw en onverzettelijk leek het hem. Langzaam herstelde hij zich. Zijn waakzaamheid keerde terug. Journalist Ter Wielingen besloot, hoe dan ook, niet te capituleren. Onder zijn fraaie snor plooide zich een glimlach. ‘Was het maar waar,’ zei hij.

De rechercheur keek hem onderzoekend aan en merkte de veranderde houding op. ‘Wat bedoelt u?’

‘Dat Nanette de nacht bij mij in huis had doorgebracht. Ik moet zeggen, het is een zinnenprikkelende gedachte.’

Hij grinnikte zachtjes. ‘Maar het spijt me, ik moet u teleurstellen, Nanette is niet bij mij. Ze is ook niet bij mij geweest. Doorzoekt u rustig het hele huis. U zult geen spoortje van haar vinden. Ik heb haar trouwens in geen veertien dagen gezien.’ ‘U kent haar dus wel?’

‘Zeker, zeker. Nanette, waauw-waauw, wat een meid. Een schat.’ Hij lachte met zijn hele gezicht. ‘De wilde madelief uit De Drie Rooskens.’

De Cock trok zijn linkermondhoek wat omhoog.

‘Waauw-waauw,’ herhaalde hij toonloos. Hij ontnam aan de klank alle spanning. ‘En wanneer heeft u “waauw waauw Nanette” voor het laatst gezien?’

‘Dat zei ik u al, ongeveer veertien dagen geleden. Het was een min of meer toevallige ontmoeting.’

‘Hoezo, min of meer toevallig?’

‘Wel… eh.’

Plotseling stokte Ter Wielingen. Hij keek van De Cock naar Vledder en terug. Op zijn gezicht lag een uitdtukking van verbazing.

‘Ik… eh,’ hij schudde zijn hoofd, ‘ik snap het niet helemaal. Sinds wanneer zijn rechercheurs van bureau Warmoesstraat apostelen der zedelijkheid. Ik bedoel, vanwaar die belangstelling voor Nanette?’

‘Ze is weg.’

‘Wie?’

‘Nanette.’

‘Weg?’

De Cock knikte. ‘Christel van Daele, haar nicht uit De Drie Rooskens, is vanmorgen bij ons op het bureau gekomen om kennis te geven van haar vermissing. Begrijpt u nu onze belangstelling?’

Ter Wielingen knikte vaag.

‘Zeker, zeker,’ antwoordde hij wat afwezig. Hij had kennelijk nog moeite de verdwijning van Nanette de Bougaerde als een feit te aanvaarden. ‘Zegt u het maar,’ zuchtte hij.

‘U sprak van een toevallige ontmoeting.’

Ter Wielingen kwam uit zijn fauteuil naar voren en reikte naar zijn pakje sigaretten voor hem op het ronde tafeltje. De Cock keek naar de lange, enigszins tanige vingers van de journalist. Ze trilden.

‘Ja, ja, die ontmoeting.’

Hij stak een sigaret op en inhaleerde diep.

‘Het was in de avond. Ik dacht zo in de buurt van elf uur. Ik kwam van de krant. Ik had daar een verslag zitten maken van een terechtzitting die ik ’s morgens had bijgewoond en reed met mijn wagentje van de Nieuwezijds over de Dam via de Damstraat naar huis.’ Hij gebaarde met de sigaret in zijn hand. ‘Plotseling zag ik haar, in de Oude Hoogstraat, Nanette. Ze kwam van een van de grachten.’

De Cock keek de journalist ongelovig aan. ‘Van de Walletjes?’ ‘Van de Walletjes, inderdaad. Ik vond het ook vreemd. Echt. Ik kende haar wel niet zo goed, maar Nanette leek mij toch echt niet het meisje om daar in de buurt alleen rond te scharrelen. Ik kon mijn ogen dan ook niet geloven.’

‘Wat hebt u gedaan?’

‘Ik reed eerst door, draaide daarna mijn wagentje en reed haar achteropkomend weer voorbij. Onderwijl keek ik in mijn achteruitkijkspiegel.’

‘En?’

‘Ik had mij niet vergist. Ze was het. Ik ben doorgereden en heb mijn wagentje op het Damrak bij De Bijenkorf geparkeerd. Vandaar ben ik te voet naar de Gravenstraat gegaan. Bij De Drie Rooskens bleef ik op haar staan wachten. Het duurde niet lang. Al na een paar minuten kwam ze rustig aanwandelen.’ ‘Wat zei ze?’

De journalist deed opnieuw een trek aan zijn sigaret. ‘Ik deed net alsof ik haar toevallig ontmoette. Over het feit dat ik haar van de Walletjes had zien komen, heb ik met geen woord gerept. Ik durfde dat ook niet goed. Begrijpt u, ik wilde vooral niet de indruk wekken dat ik haar had bespioneerd. Tenslotte had ik geen enkel recht haar ter verantwoording te roepen.’ De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Ik dacht,’ zei hij voorzichtig, ‘dat u beiden, eh…’

Over het jonge gezicht van de journalist gleed een droeve grijns.

‘Och,’ zuchtte hij, ‘het is nooit meer geweest dan een… een kleine f l i r t a t i o n, een guitig spelletje van Nanette.’

De Cock beluisterde de toon. ‘U was verliefd op haar?’ Ter Wielingen zuchtte opnieuw. ‘Verliefd, ja, zo zou u het wel kunnen noemen.’

‘En Nanette?’

Hij haalde wat nonchalant zijn schouders op.

‘Ze was nog te speels. Te weinig ernstig.’ Hij keek De Cock enige ogenblikken aan. ‘Liefde, liefde is toch een ernstige zaak, niet?’ De rechercheur knikte. ‘Zonder twijfel. Er zijn al heel wat moorden ter wille van de liefde gepleegd. Bepaald dus ernstig genoeg.’

Ter Wielingen keek schichtig naar hem. ‘Moorden?’ ‘Liefde, een uitgelezen motief voor moord.’

De journalist bracht een hand naar zijn voorhoofd. De intelligente uitdrukking in zijn ogen verdween. Hij begon als een dwaas te grinniken.

‘Ik, eh, ik heb Nanette niet vermoord.’ Hij stotterde bijna. De Cock reageerde fel. ‘Wie heeft dat beweerd?’

‘Niemand, niemand, maar ik bedoel, ik dacht…’

De Cock keek Ter Wielingen een tijdje peinzend aan. Daarna streek hij met zijn hand door zijn stugge grijze haar. Hij had de reactie van de journalist gepeild, maar zijn impressies waren enigszins verward. ‘Heeft Nanette nog iets gezegd?’ ‘Wanneer?’

‘Die avond voor de deur van De Drie Rooskens.’

‘Nee, niets. Nou ja, we hebben nog wat staan babbelen. Maar ze vertelde mij niet waar ze die avond was geweest. Na ongeveer een halfuurtje is ze naar binnen gegaan.’

‘En heeft u het raadsel ook later niet kunnen oplossen? Ik neem aan dat het u wel bezighield.’

‘Inderdaad, maar ik heb haar nadien niet meer gezien.’ ‘Dat was dus veertien dagen geleden?’

‘Ja, veertien dagen.’

Ze zaten een tijdje zwijgend bijeen. De journalist stak een verse sigaret op. Het was zijn derde. De vorige had hij nog niet voor de helft opgerookt. De jonge Ter Wielingen was kennelijk nerveus, gespannen. Hij kon het niet verbergen. Zelfs de uitdrukking in zijn ogen had iets schichtigs, als van een angstig, opgejaagd dier. Met zijn linkerhand draaide hij voortdurend aan de punten van zijn fraaie snor.

Deze onrust ontging De Cock niet.

Vledder zat er wat verveeld bij. Hij had het gesprek tussen zijn leermeester en de journalist woordelijk gevolgd en aantekeningen gemaakt. Het had hem wel geboeid. Hoewel hij zijn methoden wel kende, genoot hij nog altijd van De Cocks verhoortechniek. Verder was zijn belangstelling beroepsmatig. Vledder geloofde niet in de verdwijning van het meisje. Het kind was volgens hem gewoon een nachtje op stap. Nou en? Hij vond dat De Cock zich om het geval veel te druk maakte. Straks kwam die Nanette weer vrolijk boven water en dan was al de moeite voor niets geweest. Die gedachte wond hem op. Verdomme nog aan toe, ze hadden waarachtig wel wat anders te doen dan achter dartele nichten aan te hollen. De Cock keek langzaam de kamer rond. Vanuit de oude fauteuil waarin hij zat, gleed zijn blik langs de kale wanden, wipte over het schaarse meubilair. Ineens stond hij op, schijnbaar loom, met trage bewegingen. In de wat rommelige, stoffige vrijgezellenkamer van de journalist had hij een dissonant ontdekt, een lieflijke dissonant, zonnig, vol kleur. Het stond te pronk bij het raam, op de bovenste plank van een ruwhouten boekenkast. Het oog van De Cock werd erdoor gestreeld. Het was een fragiel boeketje verse veldbloemen, geraffineerd kunstig gerangschikt in een fijn, bleek porseleinen vaasje met een roze lint. Een juweeltje van bloemschikkunst. De Cock liep naar de boekenkast en nam het vaasje voorzichtig in de hand. Hij bekeek het tuiltje bloemen met volle aandacht. ‘Fraai,’ mompelde hij goedkeurend, ‘bijzonder fraai. Ik heb zelden zoiets moois gezien.’

Na een poosje zette hij het vaasje weer neer, voorzichtig, als gold het een broze relikwie. Hij bleef er een poosje naar staan kijken, zijn hand aan de kin.

‘Het is jammer,’ zuchtte hij, ‘dat veldbloemen zo teer zijn. Ze verwelken zo gauw.’ Zijn stem klonk oprecht bedroefd. ‘Het moest eigenlijk verboden worden. Ik bedoel, er moest een wet zijn, een bepaling die het plukken van veldbloemen strafbaar stelde. Ze behoren buiten op het land, bij het gele koren.’ Hij gebaarde naar Vledder. ‘Hoe lang dacht je dat zo’n veldboeketje in een muffe vrijgezellenkamer mooi en fris blijft?’ Vledder haalde nonchalant de schouders op. Hij begreep nog niet goed waar De Cock heen wilde. ‘Ik weet het niet zo precies,’ zei hij aarzelend. ‘Een paar dagen… een week.’ De Cock knikte peinzend.

‘Een paar dagen, een week,’ herhaalde hij. ‘Je hebt gelijk. Beslist niet langer. De ranke bloemsteeltjes buigen al heel gauw door.’ Hij keek opnieuw naar het kleurig boeketje, lang, aandachtig, met een bewonderende blik in de ogen. Eerst na een paar minuten draaide hij zich om. Zijn gelaat stond strak, als een effen masker. Hij kwam van de boekenkast vandaan en liep door de kamer. Voor de journalist bleef hij staan.

‘Beste Ter Wielingen,’ zei hij kalm, ‘er is er slechts één die zo kunstig, zo geraffineerd en met zoveel artistiek gevoel een tuiltje veldbloemen kan schikken… Uw, of laten we zeggen onze vriendin Nanette, de madelief uit De Drie Rooskens.’

Загрузка...