Met het cognacglas in de hand liet De Cock zich van de barkruk afglijden. Half slenterend, zijn oude vilthoed nonchalant achter op het hoofd, waggelde hij door de roze schemering van Lowietjes cafeetje. Hij had zo het aanzien van een wat zatte vijftiger met een goedaardige dronk en in zich het onverwoestbare geloof dat alle mensen op aarde er alleen maar waren om bijzonder gezellig te zijn. Achter in de hoek, bij het tafeltje van het jonge stel, bleef hij staan. Het gesprek tussen de beide jonge mensen verstomde onmiddellijk. De Cock glimlachte zijn beste glimlach en liet zich ongevraagd op de stoel naast het zwarte vrouwtje zakken. Ze schoof iets opzij, demonstratief, alsof hij besmet was.
De Cock zette zijn cognacglas schuin voor zich neer. Steunend met beide ellebogen op het tafeltje keek hij naar de jongeman voor zich. Zijn scherpe blik tastte het gelaat af. De donkere bril maskeerde veel. Maar een lichte trilling rond de mond liet zien dat de storing de jongeman niet beviel.
‘Ga weg,’ siste hij tussen zijn tanden door. ‘We hebben u niet geroepen.’
De Cock nam voorzichtig een slok van zijn cognac en speelde met het glas in zijn hand.
‘Ik kom vaak ongeroepen,’ zei hij duister. ‘Net als de dood. Het is een element van verrassing.’
De jongeman aarzelde even. De toon die hij beluisterde, was niet die van een door de drank beneveld man. Het bracht hem wat in de war.
‘Wij, wij wensen niet gestoord te worden,’ zei hij verklarend, ‘begrijpt u…’
De Cock knikte.
‘Ik begrijp het,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal u ook niet lang ophouden. Maar voor het geval dat het u mocht interesseren, mijn naam is De Cock, De Cock met ceeooceekaa. Ik ben als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat,’ hij pauzeerde even,’… en beroepshalve belast met het onderzoek naar de mysterieuze verdwijning van Nanette de Bougaerde.’ De jongeman schrok zichtbaar. ‘Nanette?’
De Cock knikte. ‘Nanette de Bougaerde.’
De jongeman slikte, zijn adamsappel wipte op en neer. ‘Verdwenen?’
De Cock keek hem doordringend aan. ‘Ja, interesseert het u?’ De jongeman wierp een schichtige blik in de richting van het zwarte vrouwtje.
‘Nou nee, interesseren, nee, niet bijzonder.’ Hij gebaarde wat nerveus en produceerde een half mislukt lachje. ‘Het is in feite niets ongewoons. Er zullen wel meer meisjes verdwijnen.’ De Cock stond langzaam op.
‘Ja,’ zei hij somber, ‘en sommigen verdwijnen voor eeuwig.’ Hij schoof zijn stoel naar achteren om weg te gaan. Het ging wat stuntelig, onzeker, alsof hij toch onvast ter been was. Plotseling verloor hij zijn evenwicht. Hij viel schuin naar voren over het tafeltje. Het lege cognacglas viel om. In de zaak ontstond wat rumoer. De Cock bleef liggen. Toen hij overeind kwam, raakte zijn hand de donkere bril. Heel even schoof hij op. De Cock keek in de ogen van de jongeman. Het was maar een flits, één enkele blik. Maar voor De Cock was het genoeg. Hij lachte wat verlegen, mompelde een verontschuldiging en waggelde het cafeetje uit. Het stel keek hem met gemengde gevoelens na.
Achter de tapkast grijnsde Lowietje.
Toen de bruine, met leer afgezette gordijnen van het cafeetje achter hem waren dichtgevallen, sjorde De Cock de ceintuur van zijn regenjas vast, trok zijn kraag omhoog en slenterde de gracht af. Het regende nog steeds. Verdwaalde groepjes vakantiegangers schuifelden in verkreukeld plastic langs de Walletjes in bedrijf. Een triest vermaak. De Cock bekeek de lange, natte, nieuwsgierige gezichten. Amsterdam in juli. Door de gracht trokken rondvaartboten met beslagen ruiten.
Aan het einde van de Lange Niezel bleef De Cock staan. Besluiteloos. Hij overdacht of hij terug zou gaan naar het politiebureau om via de telex de opsporing van het meisje te verzoeken. Hij had het nog niet gedaan. Hij had het nog wat te vroeg gevonden, te voorbarig. Maar hij mocht nu wel zo langzamerhand aannemen dat er iets ernstigs was gebeurd. Voor zichzelf had hij dat gevoel allang. Feitelijk al vanaf het moment waarop Christel van Daele de naam van haar nicht had genoemd. Hij wist niet hoe het kwam. Hij had er geen verklaring voor. Het was een wat vreemd gevoel van onheil, dood, mysterie. De Cock onderkende het als dwaas, onredelijk, onlogisch ook. Hij kon ettelijke plausibele verklaringen voor het verdwijnen van het meisje bedenken, maar het verdreef zijn bange voorgevoelens niet. Ze bleven in zijn achterhoofd zweven, hardnekkig, als boosaardige fantomen.
Een koude regendruppel gleed over de rug van zijn neus naar beneden. Het herinnerde hem eraan dat het geen zin had om zomaar op de hoek van een straat in de regen te blijven staan. Hij schold op zichzelf. Als de nattigheid in zijn botten sloop, was hij weer verkouden. Hij was toch al zo vatbaar. Bovendien doodde zijn besluiteloosheid elk initiatief. Hij moest iets doen. Na ampele overwegingen besloot hij met het zenden van de telexberichten nog even te wachten. Dat kon altijd nog. Misschien dat de jonge Vledder in Aalsmeer iets ontdekte wat de zaak ineens een andere wending gaf. Men kon nooit weten. Een onderzoek naar het verdwijnen van een levenslustig meisje bleef altijd een vrij hachelijke onderneming. Levenslustig? Plotseling ging er een gedachteflits door zijn hoofd. Levenslustig… hóé levenslustig was Nanette de Bougaerde? Was misschien juist gebrek aan levenslust de oorzaak van haar verdwijning? Melancholie, zielennood, zelfmoord? De Cock drukte zijn natte hoedje wat dieper op zijn hoofd en ging op pad naar de Gravenstraat. Christel van Daele, dacht hij, moest daar toch iets van weten? De Drie Rooskens, zo bleek, was een exclusieve bloemenzaak met een bijzonder fraai interieur, exotische bloemen en fantastische prijzen. De gedegen ambtenarenziel van De Cock besloot van hieruit nooit een bloemetje voor zijn vrouw mee te nemen. Niet dat hij zijn trouwe wederhelft niet al het goede op aarde toedacht, zeker. Maar, zo meende De Cock, er waren grenzen. Het ding-dong van de winkelbel was allang verstomd voordat Christel van Daele te voorschijn kwam via een ruwstenen toog. Haar verschijnen ging gepaard met het zacht ritselen van een bamboegordijn. De Cock keek op. Weer onderging hij de bekoring van haar uitzonderlijke schoonheid. In haar hemelsblauw jasschort zag Christel van Daele er aanbiddelijk uit. Ze trad vriendelijk lachend naderbij en stak hem haar hand toe. Haar vingers, lang, haast pezig, sloten zich om zijn hand. De Cock verbaasde zich over de bijna onvrouwelijke kracht van haar greep. ‘En, meneer De Cock,’ haar stem klonk opgewekt, ‘hebt u al een spoor van Nanette gevonden?’
De Cock schudde mistroostig het hoofd.
‘Nee,’ zei hij spijtig, ‘nee, ik weet nog niets. We doen uiteraard ons best. Dat begrijpt u. Maar onze nasporingen hebben tot nu weinig succes gehad.’
Ze knikte peinzend. ‘Het is toch vreemd, zo plotseling. Je vraagt je af waar ze mag zijn gebleven?’
De Cock nam zijn hoedje af en knoopte zijn jas los. ‘Heeft u suggesties?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Nee, geen enkele.’
De Cock gebaarde naar de beregende winkelruit.
‘Ik zou mij kunnen voorstellen,’ zei hij, ‘dat iemand plotseling heel sterk naar een ander land zou verlangen, een zuidelijk land met warmte en zonovergoten stranden.’
Ze streek met de rug van haar hand een weerbarstige blonde lok uit haar gezicht.
‘U bedoelt dat Nanette…?’
‘Het is maar een suggestie.’
Ze glimlachte. ‘En, vindt u het zelf aannemelijk?’
‘Ik ga eenvoudig van mijzelf uit. Als ik met dit miezerige weer in de etalages van een reisbureau zo’n kleurige affiche van een ver warm land zie, met lachende mensen in de zon, dan krijg ik altijd de neiging er plompverloren vandoor te gaan.’ Hij grinnikte wat verlegen. ‘Alleen, alleen op mijn leeftijd denk je direct aan de gevolgen, de consequenties van een onberaden stap. En dat weegt altijd zo zwaar, te zwaar.’
Ze keek hem onderzoekend aan. ‘En als u jonger was?’ De Cock grijnsde.
‘Hoe jong? Zo jong als Nanette?’
Christel van Daele antwoordde niet. Haar blik gleed omhoog naar een elektronische klok aan de wand en bleef daar even rusten. Het was drie minuten voor zes!
‘Ik zal de zaak sluiten,’ zei ze. ‘Het is toch bijna tijd. Ik verwacht trouwens geen klanten meer.’ Ze glimlachte hem vriendelijk toe.
‘Misschien wilt u dan nog even mee naar binnen komen.’ De Cock knikte. ‘Zeker, ik zou graag haar kamer zien.’ ‘Haar kamer?’
‘Ja, waar ze sliep. Misschien heeft ze nog ergens brieven of andere bescheiden die voor ons een aanknopingspunt kunnen vormen. Sommige jonge vrouwen houden er wel een geheim dagboek op na.’
Hij zag dat ze schrok.
‘Een geheim dagboek?’
De Cock knikte ernstig. ‘Niet zoveel meer. Maar het komt voor. Vooral dromerige meisjes met een wat romantische ziel hebben er behoefte aan hun intiemste gedachten aan het papier toe te vertrouwen. Men kan het beschouwen als een soort biecht.’ ‘Biecht?’
‘Ja, een geschreven verantwoording. Het is zeer interessante lectuur. Vaak onthullend met talloze verrassende ontboezemingen.’
De Cock gebaarde wat vermoeid. ‘Ze zijn er in de regel erg zuinig op. Ik bedoel, je vindt zo’n dagboek niet zo gemakkelijk. Ze verstoppen het soms op de vreemdste plaatsen.’
Ze trok haar neus op en snoof hoorbaar.
‘Dwaas,’ mompelde ze, ‘kinderlijk.’
De geprikkelde toon ontging De Cock niet.
‘U hebt nooit een dagboek bijgehouden?’
Het was een overbodige vraag. En de Cock wist het. Ze keek hem bijna vijandig aan. ‘Met die flauwiteiten,’ zei ze kribbig, ‘heb ik mij nooit beziggehouden.’
‘En Nanette?’
Ze liep naar de winkeldeur.
‘Dat weet ik niet,’ zei ze in het voorbijgaan. ‘Ik heb daar nooit zo op gelet.’
Ze sloot zorgvuldig: twee grendels en een Lips’ slot. Daarna deed ze allerlei verborgen lampen uit. Het werd ineens donker in de winkel. Alle kleur viel weg.
‘Gaat u mee?’
Ze verdween door de toog en het bamboegordijn. De Cock volgde wat schoorvoetend in een wolkje van parfum. Even prikkelde de geur hem, maar niet lang.
Ze bracht hem naar een heel smal gangetje met aan de wand een paar koperen haken, die als kapstok dienden.
‘Hier kunt u uw jas kwijt,’ zei ze, en verdween.
De Cock hing zijn oude hoedje op en trok zijn regenjas uit. Het ding was zwaar van het water. Hij streek met zijn hand over de rug en schouders van zijn colbert. Het voelde nattig aan. Hij vloekte inwendig. Zijn jas was doorgeregend. Het was ook zijn eigen schuld. Zijn vrouw had hem al zo dikwijls aangeraden die oude jas weg te doen en een nieuwe te kopen. Maar De Cock hield niet van nieuw. Hij was aan het oude ding gehecht. Naast de koperen haken hing een ovale spiegel in een omlijsting van Schotse ruit. Spiegels hingen voor De Cock altijd te laag. Hij bukte zich een beetje en zag zijn eigen gezicht. Het monterde hem wat op. Hij vond dat hij eigenlijk maar een belachelijke kop had en begreep niet dat anderen hem met zo’n gezicht nog ernstig namen. Hij lachte eens tegen zijn eigen spiegelbeeld, schikte zijn stropdas recht en stapte naar de deur van de kamer. Op de drempel bleef hij plompverloren staan. Het was alsof hij plotseling alles niet meer zo duidelijk zag. Er hing voor zijn ogen een waas, een betoverende sluier van fluisterende tule. Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn ogen… stelde het beeld scherp. Ze stond daar, glimlachend, uitnodigend, in een nauwsluitende japon die niets verhulde, maar in alle openheid getuigde van haar schoonheid.
De Cock ademde diep en drukte de betovering weg. Hij vroeg zich af wat hem had begoocheld, wat zijn waarneming had vertroebeld. Het was haar glimlach geweest, stelde hij vast, en haar blik vol zoete beloften. Het had zijn hartslag wat verhoogd en het bloed onstuimig naar zijn hoofd gestuwd. Hij krabde zich wat verlegen in de nek en grinnikte zijn dwaasheid weg. Toen stapte hij naar binnen.
Ze wenkte naar een brede bank aan de muur.
‘Neemt u even plaats,’ zei ze warm, huiselijk. ‘Een ogenblikje. Ik maak snel een kop koffie.’ Ze verdween in de keuken. De Cock ging zitten en keek rond. De kamer was smaakvol gemeubileerd. Oud, nieuw, antiek, modern, uitgebalanceerd tot een haast volmaakte harmonie. Een ijzeren wenteltrap met teakhouten treden was geraffineerd decoratief in het interieur opgenomen.
Op een klein Zweeds bureautje, links in de hoek van de kamer, stond een foto van een meisje in het uniform van een verpleegster. Het bureau stond een beetje in de schaduw van een staande schemerlamp. De Cock kon niet goed zien wie het was. Christel van Daele kwam uit de keuken met een stel doorschijnende glazen bollen aan een statief. Ergens onderaan brandde een vlam die de koffie deed kolken. Hij rook verrukkelijk. Ze schoof een klein tafeltje bij met koppen en ingrediënten. ‘Room en suiker?’
De Cock knikte.
Ze ging naast hem op de bank zitten en schonk in.
‘Ik ben blij dat u bent gekomen,’ zei ze zacht. ‘Het was een hele opluchting. Ziet u, ik heb de gehele dag juist tegen dit uur opgezien. Nanette en ik dronken altijd koffie samen, begrijpt u. Het was een soort ritueel: winkel sluiten, koffie zetten.’
De Cock knikte. ‘Ik begrijp het volkomen.’
Ze roerde in haar kopje.
‘We hadden alleen elkaar. We waren op elkaars gezelschap aangewezen.’
De Cock keek haar van terzijde aan.
‘Was er nooit bezoek?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Vriendinnen hadden we niet.’ ‘Vrienden?’
Er vloog een blos langs haar wangen.
‘Herenbezoek heb ik stelselmatig geweerd.’
‘Waarom?’
Ze zuchtte.
‘We waren meisjes alleen, en ik wilde niet dat wij in opspraak kwamen.’
De Cock grijnsde. ‘Dit is Amsterdam, geen Aalsmeer.’ Ze keek hem scherp aan. ‘Maakt dat enig verschil?’ De Cock antwoordde niet, maar vroeg: ‘Hoe dacht Nanette daarover?’
Ze nam een haastige slok van haar koffie.
‘Nanette, Nanette legde zich erbij neer.’
‘Ze was het er dus niet mee eens?’
Haar gezicht kreeg een harde uitdrukking.
‘Ze legde zich erbij neer.’
De Cock zuchtte.
‘Ik vraag mij af,’ dacht hij hardop, ‘hoe Nanette zou reageren als ze nu plotseling binnenkwam en ons beiden hier zag zitten?’ Christel van Daele draaide haar gezicht naar de deur. Haar ogen waren groot en angstig. ‘Nanette, nee, dat kan niet.’ Ze greep De Cock bij zijn arm.
‘Nee, nee,’ ze gilde bijna, ‘nee, dat kan niet. Dat mag niet.’ In haar stem klonk pure angst. ‘Meneer De Cock, ze kan toch niet zomaar binnenkomen, onverwachts?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Maakt u zich maar geen zorgen,’ zei hij kalm, ‘met twee grendels op de buitendeur lijkt mij dat een hele opgave.’ Het sarcasme ontging haar.
‘Ik ben bang, meneer De Cock.’
Hij keek haar scherp aan.
‘Voor wie? Nanette? Ze is dood, is het niet?’
Ze hijgde. Haar boezem ging heftig op en neer. ‘Ja, ja, ze is dood.’
De Cock wreef met zijn hand langs zijn gezicht. Hij was op hetzelfde punt als vanmorgen, toen Vledder haar fel aanviel. Maar De Cock wenste geen hard gevecht. Hij wilde een rustig onderhoud met ruimte voor confidenties. Hij betwijfelde echter of het zou lukken. Er was iets met Christel van Daele. Iets wat hij niet begreep. Hij tastte voortdurend mis. Ze leek hem zo gespleten, zo onstabiel. Soms trad ze hem tegemoet als een stralende toverfee, zonder limiet bereid al zijn wensen te vervullen. Maar dan ineens, door een enkele opmerking, werd ze een feeks, reageerde ze fel, opstandig, alsof hij haar belaagde. Had het verdwijnen van Nanette haar zo van streek gebracht? Hij keek naar de mooie vrouw naast zich op de bank. Zo dichtbij, dacht hij, en toch zo ver weg. Hij keek naar haar bleke gezicht. Ze was duidelijk nog overstuur. Hij dronk rustig zijn koffie en wachtte tot ze wat was gekalmeerd.
‘Zou ik nu even haar kamer mogen zien?’
Ze stond op en wees naar de wenteltrap.
‘Gaat u maar voor. Boven aan de trap drukt u het luik omhoog. Het gaat bijna vanzelf.’
De Cock knikte. Hij wist nog niet wat hij in de slaapkamer van Nanette zou moeten zoeken. Het was eigenlijk maar een impuls.
Hij wilde weten hoe de kamer eruitzag. Dat was alles. De kleur van de gordijnen, de stof van haar nachtgewaad. De Cock hechtte waarde aan die dingen. Het hielp hem, zich een beeld te vormen van het meisje dat hij zocht.
Christel van Daele leidde hem boven rond.
Er was aan de achterzijde nog een soort werkkamer met overal op de vloer ruwe roodaarden bloempotten en aan de wanden lange rekken met kunstzinnig glaswerk en keramiek. Boven een met zink beklede werkbank met scharen en tangen hingen bosjes raffia, spoelen groen ijzerdraad en plasticband in diverse kleuren. Het rook er naar aarde en rottend mos.
De kamer van Nanette viel tegen. Het was een doelmatig slaapvertrek zonder franje. Schaars gemeubileerd. Aan de wand een eenpersoonsbed zonder sprei en daarnaast een kleine toilettafel. Er lag een uitgebreid assortiment make-upartikelen, haast schematisch gerangschikt. Tegen de andere wand stond een grote kast. De Cock deed de deuren open. Links hing een ruime sortering mantels, mantelpakjes en japonnen. Rechts lagen truien, hemden en een stapeltje slipjes. De bovenste was groen. De Cock las het woord donderdag, in geborduurde letters. Hij tilde de slipjes een voor een op en ontdekte een roze met vrijdag, een hemelsblauwe met zaterdag en een gele met zondag. Maandag, dinsdag en woensdag ontbraken.
De Cock deed de kastdeuren langzaam dicht. Hij keek nog even rond en verliet de kamer. Hij had genoeg gezien. Brieven, bescheiden of een dagboek waren er niet.
Christel van Daele ging hem voor op de gang. Een paar meter verder bij een deur bleef ze staan. ‘En dit is mijn kamer.’ De Cock keek haar aan. Haar gezicht had weer die warme uitdrukking van blijde toegevendheid. Haar blauwe ogen weerspiegelden een zee van beloften.
‘Wilt u hem zien?’
‘Graag.’
Ze opende de deur met enige schroom, alsof ze iets van zichzelf openbaarde, een soort geheim onthulde. In de kamer hing een behaaglijke sfeer van vrouwelijke intimiteit. Hij had de beslotenheid van een boudoir uit de vorige eeuw. Maar volkomen eigentijds stond op het nachtkastje een foto van een sportief meisje in short met een tennisracket in de hand. Ze zag dat De Cock ernaar keek en glimlachte.
‘Dat is verleden tijd. Ik speel bijna niet meer.’
‘Waarom niet?’
‘Geen gelegenheid. De zaak vraagt alle aandacht.’
De Cock knikte. ‘Deed Nanette nog aan sport? Had ze hobby’s?’ Ze schudde haar hoofd.
‘Nanette, nee, Nanette was alleen maar mooi.’
De Cock keek haar onderzoekend aan. Er was iets in haar stem wat hem niet beviel.
‘Bent u,’ vroeg hij aarzelend, ‘bent u wel eens verliefd geweest?’ Ze keek verstoord naar hem op. ‘Verliefd?’
‘Ja, gewoon verliefd, zoals dat hoort bij meisjes en jonge vrouwen.’
Hij zag hoe het blauw van haar ogen weer veranderde in staalgrijs. Het flikkerde.
‘Wat heeft dat met de verdwijning van Nanette te maken?’ De Cock maakte een vermoeid gebaar.
‘Dat vraag ik mij juist af.’