Rechercheur De Cock woelde met zijn korte, dikke vingers door zijn stugge, grijze haar. Het was een gewoontegebaar wanneer hij nadacht. Hij hing wat lui achterover in de stoel, de naar verhouding korte benen op de rand van zijn bureau. De verdwijning van Nanette de Bougaerde had hem beroerd. Hij wist niet precies waarom. Er verdwenen bijna dagelijks mensen. Het opsporen behoorde tot de routine van het recherchewerk. Soms waren ze moe, de mensen, doodmoe, en hadden er genoeg van, genoeg van hun man of vrouw, van hun chef, hun huis, hun kantoor, hun werk, genoeg van alles. Dan liepen ze weg, weg uit de sleur, de knellende band van het dagelijks leven. Een vlucht in de vrijheid. Maar het duurde meestal nooit lang. De vrijheid, zo bleek, had ook nare kanten. Ze miste de geborgenheid van de vertrouwde omgeving, de zoete sluimer van de sleur. In de regel was na een paar dagen de opstandigheid uitgewoed en kwamen ze terug, soms ontgoocheld, ontluisterd, maar altijd braaf, ontstellend braaf, en tot hun nekharen vol berouw. De Cock kneep zijn lippen op elkaar.
Maar bij Nanette, zo leek het hem, was het toch anders. Hier geen existentiële onvrede, geen vlucht uit de sleur. Haar plotseling verdwijnen stond in een ander licht, had andere motieven. Welke? Het was allemaal nog zo onduidelijk, vond hij, zo vaag, zo onbepaald. Er vielen met de beste wil van de wereld nog geen redelijke conclusies te trekken.
Hij nam zijn beide benen van het bureau en pakte uit de lade een blad papier.
DOOR WIE OF WAT VERDWEEN NANETTE?
Dat schreef hij neer, bovenaan, in forse, schoolse letters. Het was alsof hij de gedachte die hem zo sterk bezighield, voor zich wilde zien, concreet, als een uitdaging aan zijn verbeelding. Hij zuchtte, legde zachtjes zijn pen neer en bekeek de vraag. Was het angst?
Wat verderop in de recherchekamer zat collega Vledder aan zijn bureau en werkte zijn aantekeningen uit. Hij begreep nog niet veel van De Cocks directe interesse in de verdwijning van Nanette de Bougaerde. In de regel wachtte men een paar dagen voordat er wat nasporingen werden gedaan. Dat was nu eenmaal gebruikelijk. De ervaring had geleerd dat het geen zin had om bij vermiste personen direct, de eerste dag al, op pad te gaan. De oude De Cock moest dat toch weten. Hoelang liep hij nu al bij de recherche mee? Twintig, vijfentwintig jaar? Het moest haast wel. Hij was wat men noemt een oude rot in het vak.
Vledder kwam achter zijn bureau vandaan en liep naar De Cock toe. Ondanks alles was hij toch bijzonder op zijn oude leermeester gesteld. Het was een diepe genegenheid die voortsproot uit aanhankelijkheid en bewondering.
‘Waauw-waauw,’ riep hij lachend.
De Cock keek verstoord op.
‘Waauw-waauw,’ herhaalde Vledder.
De Cock grijnsde minachtend.
‘Het is verwonderlijk,’ zei hij met een licht sarcasme, ‘dat de klankrijkdom van onze schone taal zich steeds vergroot.’ Hij snoof. ‘Alleen de hemel mag weten wat die woeste wildernisroep betekent.’
Vledder lachte.
‘Kijk, als een hengst een mooie merrie ziet, begint hij te hinniken…’
‘Ik begrijp het,’ onderbrak De Cock schamper, ‘… en als een beschaafd jongmens een mooi meisje ontwaart, dan ontlaadt hij zijn gemoed in dierlijke klanken.’
‘Zo is het, de moderne tijd.’ Vledder zweeg even. ‘Ik heb mij overigens ook zonder dat voor jou zo vreemde waauw-waauwgeroep bij die journalist thuis wel geamuseerd. Het was op het eind zelfs vermakelijk. De jonge Ter Wielingen liet zich niet vangen. Het was kostelijk. Die komedie van jou met dat boeketje veldbloemen had hij door. Hij begreep blijkbaar direct dat er geen schijntje van bewijs in zat.’
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op.
‘Toch liegt onze vriend. Zie je, dat spelletje van mij met dat veldboeketje was niet enkel komedie. Zeker, er zat geen echt wettelijk bewijs in, ik bedoel, je kunt er niet mee voor een rechtbank komen, maar het was voor mij toch wel degelijk een aanwijzing dat die Ter Wielingen zijn vriendin Nanette nog maar kort geleden in De Drie Rooskens heeft bezocht.’
‘Hoe lang geleden?’
‘In ieder geval korter dan veertien dagen. Het veldboeketje was hoogstens een dag of wat geleden opgemaakt.’
Vledder knikte. ‘Misschien is hij wel in De Drie Rooskens geweest, maar heeft daar Nanette niet getroffen.’
‘Natuurlijk, dat kan. Toch heb ik het gevoel, dat Ter Wielingen iets voor ons verbergt, dat hij meer weet dan hij ons wil zeggen.’ Vledder schoof een stoel bij en ging zitten.
‘Wat denk je, zullen we hem laten volgen?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Tijdverspilling,’ zei hij kort, onverschillig. ‘Bij een journalist is dat niet nodig.’
Op het jonge gezicht van Vledder verscheen een uitdrukking van onbegrip. ‘Niet nodig?’ stamelde hij. ‘Maar als hij nu…’ De Cock onderbrak hem. ‘Leer een ding van mij, jongen,’ zei hij vaderlijk. ‘Die dagbladjongens zijn nooit bijzonder slim of sluw. Ze zijn alleen maar wat driest, onberaden.’
Hij maakte een grimas.
‘Onze oude commissaris zegt altijd: geef een journalist een lang stuk touw en hij hangt zichzelf op. Heb je het nooit van hem gehoord? Het ligt in het wezen van een journalist. Hij kan eenvoudig niet anders. Gun hem de tijd, vroeg of laat publiceert hij alles.’
‘Ook zijn bekentenis?’
De Cock grijnsde. ‘Desnoods ook zijn bekentenis.’
Vledder lachte.
‘Wat denk je anders van zijn verhaal over de Walletjes? Geloof jij echt dat hij Nanette die avond van de Walletjes heeft zien komen?’
De Cock krabde zich eens achter in zijn nek.
‘Ik weet het niet,’ zei hij aarzelend. ‘Hij kwam nogal vlot met dat verhaal. Hij had geen enkele aansporing nodig. Zie je, dat verbaasde mij een beetje. Ik vraag mij af of het geen valstrik kan zijn?’
‘Een valstrik?’
‘Ja, misschien wil Ter Wielingen wel dat wij de oorzaak van Nanettes verdwijning in de omgeving van de Walletjes gaan zoeken, terwijl…’
‘… terwijl de Walletjes,’ vulde Vledder aan, ‘met haar verdwijning niets te maken hebben.’
De Cock knikte goedkeurend naar hem.
Vledder grijnsde. ‘Dan is onze journalist misschien toch sluwer dan jij mij wilde doen geloven.’
Het brede gezicht van De Cock plooide zich in een milde glimlach. Hij legde beide handen op zijn bureau en drukte zijn zwaar bovenlijf uit zijn stoel omhoog. ‘Ik heb een karweitje voor je.’ De ogen van Vledder begonnen te glinsteren.
‘Zal ik toch achter die journalist aan gaan?’
‘Laat die journalist maar zolang met rust. Dat komt later wel. Ik wil dat je naar Aalsmeer gaat. Informeer eens bij de politie daar en maak een voorzichtig babbeltje met de ouders van Nanette.’
‘Zal ik zeggen dat…’
‘Nee, nog niet. Probeer alleen maar uit te vissen of de verhouding tussen de beide nichten inderdaad wel zo idyllisch was als die Christel ons voorspiegelde. Misschien dat ze er in Aalsmeer iets van weten.’
Vledder knikte met een ernstig gezicht. ‘En wat doe jij?’ De Cock grijnsde breed. ‘Ik, ik ga naar Lowietje.’
Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in de rosse buurt van Amsterdam beter bekend als Smalle Lowietje, was al vele jaren een goede bekende van De Cock. Op brede basis van wederzijds respect was er zelfs sprake van een zekere genegenheid. Ze mochten elkaar wel, De Cock en Lowietje, hoewel, tot een hechte vriendschap was het nooit gekomen. Het kon niet. Ergens bleef een barrière, een mistige sluier van achterdochtige waakzaamheid. Het was een niet te slechten scheidsmuur. Tenslotte was De Cock een rechercheur, een gezagsdrager, een man van de Wet en Smalle Lowietje een jongen van de penose. En daartussen ligt een wereld. Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg had Lowietje zijn café. Een schemerig, intiem lokaaltje met gedempt licht, roze, want het was een trefpunt voor de meisjes uit de buurt. Hier rustten ze uit, de Zwarte Truzen, de Blonde Greetjes, hier dronken ze zacht nippend aan hun zoete likeurtjes en babbelden ongedwongen over de business. De lichte vrouwtjes zonder vaste vriend zochten hier uit pure liefde een knappe partner, een echte vent met een overdaad aan mankracht, want in de routine van de business viel in de regel maar weinig opwindends te beleven. En een mens wil toch wel eens wat. Lowietje wist dat. Lowietje wist alles. De buurt had voor Lowietje geen geheimen.
De Cock schoof naar het einde van de bar en hees zich daar op een kruk. Het was zijn vaste plaats. Van hieruit kon hij het gehele lokaaltje overzien en had hij een rugdekking voor alle eventualiteiten, zoals het spontaan uitbarsten van opgewekte vechtpartijen tussen concurrerende zusters in het oudste beroep van de wereld. Want ook hier is de afgunst groot.
Smalle Lowietje kwam naar hem toe, zette een glas voor hem neer en greep onder de tapkast naar de fles Franse cognac Napoleon, die hij niet aan zijn normale clientèle verkwistte, maar speciaal voor De Cock hield gereserveerd. Het was een soort eerbetoon aan de grijze speurder.
Lowietje schonk handig in. ‘Hoe is de misdaad?’
De rechercheur maakte een grimas. ‘leder mens heeft zijn kruis,’ zei hij gelaten. ‘Mijn kruis is de zonde van anderen.’ Smalle Lowietje glimlachte met een scheve mond.
‘Als ik jou niet beter kende,’ zei hij schamper, ‘zou ik nu tranen in mijn ogen krijgen.’ Hij schonk zichzelf in uit dezelfde fles en hield het glas naar De Cock omhoog.
‘Proost, op alle kinderen van dorstige vaders.’
De Cock grinnikte. ‘Proost!’
Hij liet het glas tussen zijn vingers schommelen en snoof de prikkelende geur van de cognac. De Cock was een echte fijnproever, een liefhebber. Hij nam een klein slokje en genoot van de weldadige warmte, die de cognac inwendig verspreidde. Hij verdreef de nattige kilte van de regen. Voorzichtig zette hij het glas neer. ‘Ik zoek een meisje.’
Lowietje keek hem quasi verwonderd aan.
‘Ik dacht,’ zei hij zacht grijnzend, ‘dat je die tijd al had gehad?’ De Cock negeerde de opmerking. Hij pakte de kleurenfoto van Nanette uit de binnenzak van zijn colbert en legde hem voor Lowietje neer. ‘Dat is’r.’
Smalle Lowietje wreef zijn altijd klamme, zweterige handen langs zijn morsig kelnersjasje en pakte het fotootje op. Hij bekeek het aandachtig. ‘Een mooi wijffie.’
In zijn stem klonk pure bewondering. Hij drukte zijn onderlip vooruit en wipte met zijn hoofd op en neer. ‘Een heel mooi wijffie.’ De Cock knikte. ‘Ken je haar?’
Lowietje antwoordde niet direct. Hij streek met de rug van zijn hand langs zijn mond.
‘Moet ze hier in de buurt zitten?’
De Cock haalde zijn schouders op.
‘Eerlijk gezegd, ik weet het niet. Het lijkt mij een net meisje. Er wordt beweerd dat ze wel eens in de buurt komt. Maar als je ’t mij vraagt, hoort ze hier helemaal niet thuis.’
Lowietje snoof. ‘Er zijn zoveel vrouwtjes die hier niet thuishoren.’ De Cock proefde de terechtwijzing. Lowietje was op dat punt nogal gevoelig. Zoals trouwens alle luitjes aan de zelfkant van het leven. Ze hadden weinig op met die andere wereld van de zogenaamde nette mensen. In hun ogen was dat ‘nette’ maar een camouflage, een huichelachtige façade waarachter ze hun eigen ontucht verborgen.
De Cock zuchtte. ‘Je weet wat ik bedoel.’
Lowietje nam nog een slok van zijn cognac.
‘Wat heeft ze uitgespookt?’ vroeg hij achteloos.
De Cock glimlachte. ‘Nee, nee, dat is het niet. Het meisje is weg, gewoon weg. Spoorloos verdwenen. Het is nog een minderjarig kind. Een familielid heeft haar vermissing gemeld.’ Het levendige gezicht van Smalle Lowietje veranderde van uitdrukking. Het klaarde op. Het onderwerp ‘verdwenen minderjarige meisjes’ gold in de buurt als ‘onbesmet’. Er kon vrijeljk met de recherche over ‘gekoekeld’ worden. De buurt was geen toevluchtsoord voor weggelopen minderjarigen, zo luidde de code. ‘Hoe oud is ze precies?’
‘Negentien jaar.’
Lowietje grinnikte. ‘En moet jij daar achter aan?’
‘Wat wil je, het is mijn vak.’
Lowietje schudde zijn hoofd. ‘En hoe heet de blom?’ ‘Nanette, Nanette de Bougaerde.’
‘Hoe zeg je?’
‘Nanette de Bougaerde.’
Smalle Lowietje zette zijn glas neer en dacht na. Het was aan hem te zien. Zijn gezicht was van pijn verwrongen. Denken was voor Lowietje een smartelijke bezigheid.
‘De Bougaerde, De Bougaerde,’ zei hij peinzend. ‘Ik geloof dat ik die naam wel eens heb horen noemen.’
De Cock veerde op.‘Weet je dat zeker?’ vroeg hij hoopvol. Lowietje knikte vaag.
‘Ik zou mij al heel sterk moeten vergissen,’ zei hij met een hanglip.
‘De Bougaerde, zie je, het is nogal een bijzondere naam. Die blijft je bij.’
De Cock bedwong met moeite zijn ongeduld. ‘Waar heb je die naam horen noemen?’
‘Hier in de zaak, geloof ik.’
‘Een businessvrouwtje?’
Lowietje schudde zijn hoofd. ‘Geen vrouwtje, een gabbertje.’ ‘Een gabbertje, wat voor een gabbertje?’
Lowietje trok een vies gezicht.
‘Ach, je weet wel, zo’n ventje, zo’n gore sterretjeskijker, die voor alles in is. Je ziet hem hier de laatste tijd veel scharrelen.’ ‘Ik heb nog nooit van hem gehoord.’
‘Dat kan best. Hij is volgens mij ook nog niet zo lang op de vlakte.’ Hij keek De Cock grijnzend aan, het hoofd een beetje schuin. ‘Ik denk ook niet, dat hij er erg veel prijs op stelt om met jou kennis te maken.’
De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op en dronk zijn glas leeg. ‘Ik wou toch wel eens met hem babbelen.’ Lowietje schonk opnieuw in.
‘Over dat meisje?’
‘Ja, ik vind die overeenkomst in naam te mooi, te opvallend. Misschien weet-ie wat.’
Lowietje knikte.
‘Ik denk alleen niet dat je hem gemakkelijk te pakken krijgt. Het is nogal een schichtige jongen, hebben ze me verteld.’ De Cock schonk Lowietje zijn innemendste glimlach. ‘Als jij hem eens een seintje gaf…’
‘Een seintje?’
‘Ja, een vriendelijke uitnodiging, een invitatie…’ De Cock keek op zijn horloge ‘… voor laten we zeggen vanavond om acht uur in de Warmoesstraat op nummer achtenveertig, kamer negen.’ Door de met leer afgezette gordijnen stapte een kleine zwarte vrouw het cafeetje binnen. In haar kielzog wandelde een jongeman met donkere bril en vaal blond haar. Lowietje keek schuin over zijn schouder. Via de spiegel achter de bar volgde hij het jonge stel. Ze gingen aan een tafeltje achter in de zaak zitten. Lowietje draaide zijn gezicht naar De Cock; bij zijn linkeroog vibreerde een zenuwtrek. ‘Ik, ik doe het liever niet.’ De Cock streek met zijn vlakke hand over zijn gezicht. ‘Ik dacht,’ zei hij, ‘dat we vrienden waren. Ik bedoel, zo’n kleine dienst kon ik toch wel van je verwachten…’
In zijn stem klonk pure teleurstelling.
Het lange gezicht van Smalle Lowietje kreeg een pijnlijke uitdrukking. Vanonder zijn schaarse haren gleed een zweetdruppel over zijn voorhoofd. Hij kreeg het kennelijk benauwd. De Cock registreerde het met verbazing.
‘Hoe is het?’ drong hij aan. ‘Komt hij?’
Smalle Lowietje boog zich vertrouwelijk voorover.
‘Waarom,’ fluisterde hij, ‘waarom vraag je het hem zelf niet?’ De Cock trok zijn werkbrauwen omhoog. ‘Zelf?’
Lowietje knikte nauwelijks merkbaar.
‘Hij is net binnengekomen.’