8

Toen De Cock de volgende morgen — te laat, zoals al vele jaren zijn trouwe gewoonte was — de recherchekamer van het oude politiebureau aan de Warmoesstraat binnenkwam, liep Vledder haastig op hem toe.

‘Floor de Bougaerde,’ sprak hij opgewonden, ‘is vannacht uit het ziekenhuis ontvlucht en de commissaris wil dat je onmiddellijk bij hem komt.’

De Cock knikte hem vriendelijk toe.

‘Goedemorgen,’ riep hij stralend opgewekt. ‘Goed geslapen?’ Vledder slikte. ‘Floor de Bougaerde is vannacht uit…’ De Cock liep hem onverstoord voorbij.

‘Is de koffie al bruin?’

‘Ja, dat… eh, dat zal wel, maar…’

‘Mooi…’ galmde De Cock uitbundig, ‘heel mooi.’

Hij liep naar zijn bureau, pakte zijn kop en schotel uit zijn la en schonk zich bedaard in. Zoals de meeste oudere rechercheurs onderhield De Cock de gulden Amsterdamse regel: een recherchedag begint met koffie. Het was een slogan waaraan eenvoudig niet viel te tornen. Het verprutsen van een pittige moordzaak was, bij wijze van spreken, niet zo schokkend als het doorbreken van dit door de traditie zo geheiligd speurdersgebruik. De Cock roerde een berg suiker door zijn koffie en ging er eens goed voor zitten. Koffie was voor hem een soort tonicum, een kracht en inspiratie schenkend elixer. Hij genoot ervan met volle teugen. Naast zijn bureau stond een popelende Vledder. De Cock keek naar hem op en genoot van zijn onrust.

‘Wat is er, jongen,’ vroeg hij quasi verbaasd, ‘heb je nog geen koffie gehad?’

Vledder snoof.

‘Koffie, koffie,’ zei hij humeurig, brommerig, ‘altijd eerst koffie. De commissaris zei dat je onmiddellijk bij hem moest komen en niet na een uitgebreide koffiepauze.’ Hij maakte een korzelig gebaar. ‘Bovendien dacht ik dat je de ontvluchting van Floor de Bougaerde uit het ziekenhuis wel belangrijk zou vinden.’ De Cock dronk behaaglijk verder.

‘Luister nou eens,’ zei hij, terwijl hij zijn kopje even neerzette, ‘uit een ziekenhuis ontvlucht men niet. Een ziekenhuis is geen gevangenis. Men kan zeggen dat Floor de Bougaerde blijkbaar geen prijs stelde op een verdere geneeskundige behandeling.’ ‘Dat komt op hetzelfde neer. In ieder geval is Floor de Bougaerde in zijn pyjama uit een raam gesprongen en de straat op gerend. De bemanning van een surveillerende politiewagen zag hem vanmorgen vroeg bij het Leidsebosje lopen. Een man in nachtgewaad trok natuurlijk onmiddellijk de aandacht.’ ‘En?’

‘Ze hebben hem in de wagen genomen en naar hier, naar bureau Warmoesstraat gebracht.’

De Cock keek verwonderd op.

‘Naar de Warmoesstraat? Waarom brachten ze hem niet direct terug naar het ziekenhuis?’

‘Dat wilde hij niet. Hij wilde per se niet terug naar het ziekenhuis voordat hij jou had gesproken.’

‘Mij?’

‘Ja, hij zit beneden op je te wachten.’

De Cock dronk zijn kop in één teug leeg en stond op. ‘Kom,’ zei hij, ‘laten we eens gaan horen wat Floor te vertellen heeft.’ Vledder keek hem verbaasd aan. ‘En de commissaris dan?’ De Cock wees naar de grote klok in de recherchekamer. ‘De commissaris heeft nu voor mij geen tijd.’

‘Geen tijd?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is tien uur. De commissaris zit aan de koffie.’

Ze hadden hem naar het verhoorkamertje gebracht en daar zat hij, Floor de Bougaerde, zielig, bibberend, met zijn rug tegen de elektrische radiator. Hij zag er potsierlijk uit in een slobberig drenkelingenpak en een oud uniformjasje van de politie met drie zilveren strepen. Een vriendelijke diender had het hem gegeven, uit medelijden, omdat hij het zo koud had en het rillen maar niet wilde ophouden.

Het had niet geholpen. Floor de Bougaerde werd niet warm. Het rillen bleef. Triest, ineengedoken, met opgetrokken knieën, zat hij somber voor zich uit te staren.

De Cock schoof een stoel bij en ging er achterstevoren op zitten, zijn armen rustend op de rugleuning. Hij had het onbestemde gevoel dat de zieke jongeman voor hem de sleutel vormde tot het raadsel Nanette. Hij wist alleen nog niet hoe het paste. Het was alles nog zo vaag, zo mysterieus, zo ongrijpbaar. ‘Waarom bent u niet in bed gebleven? Het is dom om midden in de nacht in pyjama op straat te gaan.’ De Cock sprak vriendelijk, zacht, als een zorgzame verpleger. ‘Als u mij per se had willen spreken, dan was ik wel naar u toe gekomen.’ Floor de Bougaerde keek op. Het was alsof hij nu eerst de aanwezigheid van de rechercheurs opmerkte. Hij keek schichtig van Vledder naar De Cock.

‘Waar is Nanette?’

De Cock haalde zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet. Nanette is verdwenen. Dat heb ik u gisteren toch al verteld?’

De jongeman likte met zijn tong langs zijn droge lippen. ‘Ja,’ zei hij toonloos, ‘dat heeft u verteld, ze is verdwenen, Nanette, ze is verdwenen, u hebt het verteld, ze is…’ Hij bleef het herhalen, wezenloos, monotoon, gevangen in een gedachtecirkel. Ineens scheen hij zich van een ban te bevrijden. Zijn gezicht kreeg uitdrukking. Het wezenloze trok weg en veranderde in een wilde expressie van pure angst. Hij greep De Cock aan beide armen vast.

‘U moet haar vinden, meneer De Cock,’ sprak hij snel, hijgend. ‘Zo gauw mogelijk. U moet haar vinden. Het moet.’ De Cock keek hem doordringend aan.

‘Waarom?’ vroeg hij scherp. ‘Zodat zij u weer de nodige morfine kan verschaffen?’

De mond van De Bougaerde viel open. Daarna begon hij te grinniken, nerveus, dwaas. ‘U weet… u weet dat Nanette mij…?’ De Cock knikte traag. ‘Sinds gisteren.’

De Bougaerde draaide op zijn stoel, liet de armen van De Cock los en gebaarde driftig.

‘Ma… maar,’ stotterde hij, ‘dan beseft u ook dat Nanette in groot gevaar verkeert. Dat elke minuut belangrijk is. Dat u geen moment mag verliezen. Dat u haar moet vinden voor… vóór het te laat is.’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Te laat?’

Het gezicht van De Bougaerde vertrok in woede.

‘Ja,’ gilde hij. ‘Te laat. Er bestaat geen gewetenlozer volk dan handelaars in verdovende middelen. Dat moet u toch weten. Het is tuig, alles bij elkaar. Bloedzuigers, giftige slangen, hyena’s.’ De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Wie,’ vroeg hij kalm, ‘leverde Nanette de morfine die zij u bezorgde?’

Floor de Bougaerde haalde zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde hij nukkig.

‘Heeft ze er nooit met u over gesproken?’

‘Nee, nooit.’

‘En u heeft er nooit naar gevraagd?’

‘Nee!’

De Cock zuchtte.

‘U zult haar toch wel eens een naam hebben horen noemen?’ De Bougaerde aarzelde even.

‘Nee!’

‘Denkt u eens goed na.’

‘Nee!’ Hij gilde bijna.

De Cock kneep zijn lippen op elkaar. Hij voelde dat de jongeman loog, dat hij meer wist dan hij wilde zeggen. Langzaam stond De Cock op, greep De Bougaerde bij de revers van het uniformjasje en tilde hem van zijn stoel. ‘Wat betaalde u Nanette per ampul?’

‘Niets.’

De Cock verstevigde zijn greep en tilde de jongeman dichter naar zich toe. ‘Wat,’ vroeg hij dringender, ‘betaalde je Nanette?’ Floor de Bougaerde slikte. ‘Niets, echt niets. Ik, ik heb er haar nog nooit één cent voor gegeven.’

De Cock fronste zijn zware wenkbrauwen. ‘Waarom niet?’ ‘Zij wilde geen geld.’

‘Wat dan?’

De Bougaerde schudde vertwijfeld het hoofd.

‘Niets!’ schreeuwde hij. ‘Niets. Ze wilde niets.’

De Cock snoof verachtelijk.

‘Nanette, de zoete engel der barmhartigheid, schenkt gratis morfine aan hen die vermoeid en belast zijn.’ Uit zijn stem droop een puur sarcasme. ‘Was het barmhartigheid? Of was het wat anders? Liefde bijvoorbeeld, louter liefde voor neef Floor. Was het dat?’

De Bougaerde draaide zijn hoofd weg en antwoordde niet. De Cock wond zich op. ‘Was het dat?’ drong hij fel aan. ‘Liefde?’ Hij sprak het uit als een vloek.

De oogranden van de jongeman werden rood, de oogbollen wazig. Een hete traan gleed over zijn wang, drupte op de behaarde rug van De Cocks rechterhand. Het brandde in als een druppel gloeiend metaal.

De vaste greep van De Cock verslapte. Hij keek in het wasbleke gelaat van de jonge De Bougaerde, beschouwde de tranen, de zachte, enigszins weke gelaatstrekken en zag ineens hoeveel Floor op zijn zuster Christel leek. Het stemde hem milder. ‘Ga weer zitten,’ zei hij zacht. ‘Een kop koffie?’

De Bougaerde trok het oude uniformjasje recht en liet zich langzaam op zijn stoel terugzakken. ‘Ik heb liever een sigaret.’ De Cock hield hem zijn pakje voor.

‘Ik ben wel eens wat onvriendelijk,’ zei hij haast verontschuldigend, ‘niet zozeer uit mijzelf, begrijpt u? Meer beroepshalve.’ Over het jonge gezicht van De Bougaerde gleed een spoor van een glimlach. Hij tilde zijn rechterarm omhoog, zodat de lange mouw van het uniformjasje terugviel, en pakte met trillende vingers een sigaret.

De Cock gaf vuur.

‘Ik wil weten,’ zei hij vriendelijk, ‘waarom Nanette verdween. Misschien, misschien weet ik dan ook waar ik haar kan vinden. Ziet u, ik heb zo het vermoeden dat die twee dingen heel nauw met elkaar in verband staan. Het één staat niet los van het ander.’

Hij pauzeerde even, stak ook zelf een sigaret op en blies de rook naar de zoldering.

‘Meneer De Bougaerde, een belangrijke vraag: Was nicht Nanette een hyena, een giftige slang, of een engel?’

Floor de Bougaerde antwoordde niet direct. Hij liet het hoofd iets zakken. Dacht over het antwoord na, zocht kennelijk naar een juiste formulering.

‘De meeste mensen,’ zei hij traag, nog peinzend, ‘zijn vaak alles tegelijk, een wanstaltig beeld, een onvolmaakte compositie vol vreemde schrille tonen, dissonanten tussen goed en kwaad.’ ‘En Nanette?’

Floor de Bougaerde deed een felle trek aan zijn sigaret. Door een mistige wolk van rook keek hij De Cock aan. De ogen iets vernauwd.

‘Nanette,’ zei hij met een grijns, ‘Nanette is een giftige slang in de gedaante van een engel.’

De Cock wreef met zijn hand langs zijn breed gezicht. ‘Een welhaast klassieke vermomming,’ zei hij met een licht sarcasme. ‘Heel oud. Al van den beginne toegepast.’ Hij maakte een wat loom gebaar. ‘De dochters van Eva hebben blijkbaar weinig fantasie.’

‘Alleen de appel werd morfine,’ grijnsde De Bougaerde. De Cock keek hem een tijdje zwijgend aan. De bittere opmerking had hem getroffen. Na een poosje stond hij op en schoof zijn stoel weg.

‘We zullen u weer netjes terug laten brengen naar het ziekenhuis, meneer De Bougaerde. U moet mij natuurlijk wel beloven dat u er niet weer midden in de nacht vandoor gaat. De doktoren zien dat niet graag. Het is ook bepaald niet bevorderlijk voor uw gezondheid.’ Hij legde vertrouwelijk zijn hand op de tengere schouders van de jongeman. ‘U moet er wel aan denken dat u niet veel ruimte voor experimenten heeft.’

De Bougaerde keek naar hem op. ‘U bedoelt?’

‘Uw gezondheid is ernstiger aangetast dan u zelf vermoedt, meneer De Bougaerde. Een tweede nachtelijke tocht in pyjama kon voor u wel eens fataal zijn.’

‘Fataal?’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘En ik zag graag dat u bleef leven.’

De Bougaerde haalde wat nonchalant de schouders op. ‘Waarom?’

De Cock gebaarde. ‘Een jong en veelbelovend auteur…’ De Bougaerde slaakte een diepe zucht. ‘U spot met mij.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik niet,’ zei hij plotseling scherp. ‘Ik spot niet met u, u spot met uzelf. U spot met uw eigen leven, en met dat van Nanette.’ ‘Ik?’

‘Ja u!’ riep hij fel. ‘Elk moment is kostbaar, heeft u gezegd. Het geldt nog steeds. Floor de Bougaerde, van wie kreeg Nanette de morfine?’

‘Ik… eh, ik weet het niet.’

‘U weet het wel!’

De ogen van de jongeman vulden zich opnieuw met tranen. ‘Echt, meneer De Cock,’ zei hij smekend, ‘gelooft u mij toch. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Zo terloops heb ik haar in verband met de morfine slechts één keer een naam horen noemen: broeder Laurens. Het ontviel haar. Toen ik vroeg wie hij was, begon ze te lachen. Ze heeft het mij nooit gezegd.’ De Cock streek door zijn stugge, grijze haar.

‘Broeder Laurens, wíe is broeder Laurens?’

Загрузка...