‘Wat zei dokter Rusteloos?’ Vledder grijnsde.
‘Hij beklaagde zich erover dat wij hem altijd juist tijdens de weekeinden nodig hadden. Hij vroeg zich af of de recherche in een week geen andere dagen kende dan alleen de zaterdag en de zondag.’
De Cock lachte. ‘Was hij in een slecht humeur?’
‘Welnee. Ik heb hem eigenlijk nog nooit in een slecht humeur gezien. Hij weet toch dat wij er ook niets aan kunnen doen.’ ‘Hoe verliep de sectie?’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Ik zal er nooit aan wennen. Het was dit keer ook wel bijzonder gruwzaam. Al die afzonderlijke delen…’
‘Wat dacht de dokter van de verminkingen?’
Vledder pakte zijn notitieboekje.
‘Ik heb het voor je opgeschreven. Het was interessant. Wacht, hier heb ik het. De amputaties zijn met enige deskundigheid uitgevoerd. De bedrijver moet een meer dan gebruikelijke kennis van de anatomie — het skelet, loop en aanhechtingen van de spieren — worden toegedicht.’
Hij klapte het boekje weer dicht. ‘Wel, hoe vind je dat?’ De Cock maakte een lichte schouderbeweging.
‘Wat moet ik daarvan vinden?’
Vledder zuchtte demonstratief.
‘Denk eens aan broeder Laurens!’ riep hij geprikkeld. ‘Wat denk je van zijn kennis van de anatomie. Die broeder-verplegers zijn vaak halve doktoren.’
De Cock knikte traag.
‘Wat zei dokter Rusteloos van de doodsoorzaak?’
Vledder voelde zich door het geringe enthousiasme van De Cock wat verongelijkt. ‘Wurging,’ zei hij nukkig.
‘Wurging?’
‘Ja.’
‘Hoe?’
‘Met een sjaal of een nylonkous. Het kon ook met de handen zijn gebeurd. Door de verminkingen viel het niet meer precies vast te stellen. Dokter Rusteloos was er echter van overtuigd dat de jonge vrouw, eerst was gewurgd en dat de amputaties op een later tijdstip hadden plaatsgevonden.’
‘Veel later?’
‘Volgens de dokter hoogstens enige uren.’
‘Waren er nog sporen van een gevecht, een worsteling?’ Vledder schudde het hoofd.
‘Er was niets wat er op wees. Geen zichtbare beschadigingen aan het huidoppervlak. Geen onderhuidse bloedingen.’ ‘Urinelozing?’
‘Vermoedelijk niet. Er zat nog urine in de blaas.’
De Cock knikte peinzend.
‘Mooi,’ zei hij, ‘heel mooi. Heb je, in verband met mogelijk morfinegebruik, dokter Rusteloos nog gevraagd uit te zien naar punctieplekjes, sporen van het gebruik van een injectienaald?’ Vledder maakte een grimas. ‘Als ik zoveel noten op mijn zang had, was ik zelf naar de sectie gegaan.’
De Cock keek hem quasi verbaasd aan.
‘Waarom? Ik heb toch een goede assistent.’
Bij Vledder brak weer iets van een glimlach door.
‘Er waren geen punctieplekjes,’ zei hij met een geaffecteerd stemmetje, ‘althans niet van een recent verleden. Natuurlijk zal er nog een toxicologisch onderzoek moeten volgen. Tevreden?’ De Cock lachte. ‘Meer dan tevreden.’
Vledder schoof zijn stoel wat dichter bij het bureau van De Cock en ging er op zijn gemak bij zitten.
‘Ik ben altijd weer blij dat zo’n sectie voorbij is. Hoe is het anders gisteravond gegaan? Heb je Ronald nog te pakken gekregen?’ ‘Ja.’
‘En?’
‘Hij gaf toe dat hij een afspraak had met Nanette. Hij had donderdag de hele avond op haar zitten wachten, maar Nanette was niet gekomen.’
Vledder grijnsde.
‘Kan hij gemakkelijk zeggen.’
‘Inderdaad, maar zijn vader verschaft hem een sluitend alibi. Hij zegt dat hij kan getuigen dat Ronald Nanette niet vermoordde. Hij was de hele donderdagavond in zijn gezelschap.’ Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Maar,’ zei hij wat aarzelend, ‘dan vormen die twee een alibi voor elkaar. En dat is moeilijk te doorbreken.’
De Cock wreef met een vlakke hand langs zijn gezicht. ‘Vader en zoon Van Stuchteren,’ zei hij peinzend, ‘een tweeeenheid, misschien voor het eerst van hun leven.’
Hij staarde een tijdje dromerig voor zich uit. De ellebogen steunend op zijn bureau, de handen onder de kin. Hij keek naar een verdwaalde vlieg die rustig over zijn vloeiblad tippelde. Zo nu en dan bleef ze staan en wreef de voorpootjes over elkaar. De bewegingen van de vlieg boeiden hem een poosje. Toen ze wegvloog, kwam hij wat moeizaam overeind. Hij liep naar zijn kast aan de wand en nam er iets uit. Daarna waggelde hij naar de kapstok. ‘Als je voldoende van de sectie bent uitgerust,’ zei hij licht spottend, ‘zou ik graag weer op pad gaan.’
‘Op pad? Waar wil je heen?’
De Cock plantte zijn oude hoed achter op zijn hoofd. ‘Naar Amsterdam-West, naar Osdorp. Er is daar een flatgebouw, Moerenburg, Boutenmoer, of…’
Hij diepte een verfrommeld papiertje uit de borstzak van zijn colbert en bekeek een paar krabbels.
‘O, het is Moerenburg.’
Het gezicht van Vledder plooide zich in onbegrip. ‘Moerenburg? Hoe kom je aan Moerenburg?’
De Cock grijnsde breed. ‘Toen jij vanmorgen naar de sectie was, heb ik niet stilgezeten. Ik heb een uitgebreid bezoek gebracht aan het Amsterdamse bevolkingsregister.’
‘Op zondag? Dan is het toch gesloten?’ De Cock knikte. ‘Ik heb referendaris Slosser echter bereid gevonden enige uren van zijn zondagsrust op te offeren en een paar zaken voor mij na te kijken.’
Vledder keek zijn leermeester wat verward aan.
‘Zaken? Wat voor zaken?’
‘Als je goed had nagedacht,’ zei De Cock zacht verwijtend, ‘dan had je die vraag niet hoeven te stellen. Dan had je het geweten. In ieder geval was Moerenburg het resultaat. En daar gaan wij nu heen.’
Met gebogen hoofd, nog namokkend over het verwijt en peinzend over het hoe en waarom van Moerenburg, liep Vledder achter zijn leermeester aan de recherchekamer af.
Ineens zag hij aan de hand van De Cock iets bengelen. Het was de pop, de oude plastic pop met de starre glimlach en het ene been, die De Cock van de gemeentelijke stortplaats had meegenomen. ‘Wat moet je met die vieze pop?’
De vraag was eruit. Te snel. Vledder realiseerde zich dat onmiddellijk. Hij had ook die vraag niet moeten stellen. Hij had eerst moeten nadenken. De Cock deed nooit iets voor niets. Hij had met alles een bedoeling, ook met de pop, natuurlijk, ook met de pop. De Cock draaide zich langzaam om. Hij keek Vledder aan. In zijn ogen lag een haast bedroefde uitdrukking.
‘Je begrijpt er nog niet veel van. Is het wel?’
Vledder schudde somber zijn hoofd.
‘Nee,’ zei hij benepen, ‘ik moet bekennen…’
De rechercheur glimlachte.
‘Kom nu maar mee, jongen,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal het je later heus allemaal wel uitleggen.’
Moerenburg in Amsterdam-Osdorp.
De buitenste van een rijtje vriendelijk open flatgebouwen, gezet in de vorm van een wijd uitgezakte ‘L’, acht verdiepingen hoog, centraal verwarmd, ruime liften, en meer dan honderd gelijkvormige flatjes met een ruime woonkamer, twee slaapvertrekken, een keukentje, een hal, een douche, een wc en een eigen vrije ingang. Vledder parkeerde hun Volkswagentje aan de achterzijde van het gebouw. De Cock stapte uit, de pop in de hand. Vledder sloot het wagentje af en kwam achter hem aan. Samen liepen ze naar de ingang.
Bij de liften bleef De Cock staan en haalde opnieuw het verfrommelde papiertje uit de borstzak van zijn colbertje. Hij wees Vledder op een reeks getallen.
‘Dat zijn nummers,’ zei hij verklarend, ‘van flatjes waar gezinnen met kinderen wonen. Meisjes. Flatjes van gezinnen met alleen jongens heb ik niet genoteerd.’
Vledder slikte. ‘Heb je dat van het bevolkingsregister?’ De Cock knikte.
‘Ik wil eerst vaststellen of dit Moerenburg het goede flatgebouw is.’
‘O.’
‘Zie je, zo’n oude pop heeft karakteristieken. Kinderen hebben ermee gespeeld. Ze hebben er hun merktekens op achtergelaten, er hun fantasieën aan gehecht.’
Hij schudde zijn hoofd, keek bijna vertederd naar de starre glimlach van het poppengezicht.
‘En als ze ’s avonds waren moegespeeld, heeft een moeder de pop opgepakt en opgeborgen. En dat niet één keer, maar honderden keren.’
In de ronde patrijspoorten van de schacht werd het licht van een lift zichtbaar. De deuren zoefden open en een aantal mannen, vrouwen en kinderen kwam naar buiten.
Een jochie van een jaar of acht keek tijdens het passeren naar De Cock en de pop in zijn hand. Een paar passen nog liep hij door. Toen bleef hij staan, draaide zich om en kwam schoorvoetend terug. Nog voor De Cock in de lege lift stapte, sprak hij hem aan.
‘Heeft u die pop gevonden, meneer?’
De rechercheur keek op het jochie neer. Het ventje zag er keurig uit. Hij droeg een lange, grijze broek, een blauw blazertje met koperen knopen en een jockeypet.
‘Hoezo?’
‘Het is de pop van mijn zusje.’
‘Zo, zo, wel, wel.’ Hij was onthutst door het plotselinge succes. ‘Zie je, ik zou de pop graag aan je moeder willen teruggeven. Ik ben aan het zoeken. Ik weet namelijk niet in welke flat jullie wonen.’
Het jochie lachte beleefd.
‘Drieënnegentig, meneer. Zal ik het wijzen? Het is op de derde gaanderij.’
‘Heel graag.’
Ze gingen in de lift. Op de derde verdieping rende de jongen al voor de beide mannen uit. Hij liet de toegangsdeur van flat drieënnegentig openstaan.
‘Moeder, moeder,’ hoorden ze hem roepen, ‘buiten is een man, die heeft Elly’s pop.’
Het duurde even. Toen verscheen in de hal van de flat een jonge vrouw. De Cock schatte haar voor in de dertig. Ze zag er aantrekkelijk uit, fleurig, in een fris zomers japonnetje. Ze keek van Vledder naar De Cock. Een blik vol wantrouwen. Op haar wangen lagen blosjes van opwinding.
De Cock glimlachte zijn beste glimlach.
‘Dit is de pop van Elly, heb ik begrepen?’
Het vrouwtje knikte. ‘Dat is Bibetje.’
‘Hoe?’
‘Bibetje, zo noemt mijn dochtertje de pop. Ze is er nogal wild mee. Je moet er zo op letten. Als ze ergens een raam open ziet staan en ze krijgt even de kans, dan gooit ze de pop naar buiten. U hebt het oude ding zeker op straat gevonden. Ik ben de pop eerlijk gezegd al een paar dagen kwijt.’
‘Sinds wanneer? Kunt u zich dat nog herinneren?’
Haar gezicht kreeg een peinzende uitdrukking.
‘Laat eens kijken… Ik denk donderdag, ja, dat moet donderdag zijn geweest. Toen heeft ze er nog mee gespeeld.’
De Cock knikte.
‘Mooi, heel mooi.’ Hij reikte de pop over. ‘Wel, hier hebt u Bibetje dan weer terug.’
Het vrouwtje nam de pop aan en bekeek haar aandachtig. ‘Waar heeft u de pop gevonden?’
De Cock aarzelde. Hij had die vraag niet willen beantwoorden. Wat verlegen krabde hij achter in zijn nek.
‘Op de vuilnisbelt aan het zijkanaal F.’
‘Op de vuilnisbelt?’
‘Inderdaad.’
Het vrouwtje keek hem aan; een uitdrukking van verbazing en ongeloof op haar gezicht. Ze liet de pop vallen en streek met beide handen langs haar japonnetje.
‘Hoe…?’ stamelde ze. ‘Hoe komt die pop daar terecht? En hoe wist u…?’
De Cock stak afwerend een hand op.
‘Misschien,’ zei hij vriendelijk, ‘vertel ik het u nog wel, een dezer dagen. Voorlopig alleen dit: let u met uw dochtertje in het vervolg niet alleen op open ramen, maar in de keuken ook op de klep van de stortkoker.’
Hij boog tot afscheid.
Het vrouwtje keek op de gaanderij de beide mannen na. ‘Komt u dan wel,’ riep ze, ‘als mijn man thuis is.’
De Cock wuifde.
‘Een preuts volkje,’ bromde hij, ‘hier in dat Moerenburg.’ Vledder keek zijn oude leermeester grijnzend aan.
‘Je bent je charme kwijt. Dat is het. Bovendien, ik vraag mij af hoe jouw vrouw zou hebben gereageerd, wanneer er plotseling twee kerels bij haar aan de deur waren verschenen met een vieze, oude pop, die ze op een vuilnisbelt hadden gevonden?’ De Cock antwoordde niet.
Hij keek schuin omhoog naar de nummering van de flats. Het had zijn volle belangstelling. De laatste flat van de derde verdieping, zo zag hij, had nummer 105. Verder eindigde de gaanderij weer in een ruimte met liften.
‘Als het goed is,’ mompelde hij, ‘ligt honderddrieëntwintig boven drieënnegentig.’ Hij sprak meer tot zichzelf dan tegen Vledder. ‘Het moet haast wel.’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Als je mij eerst eens vertelde wat de bedoeling is. Misschien kon ik je dan helpen.’ De Cock knikte wat afwezig. ‘Ja, natuurlijk.’
Toen de lift verscheen, stapten ze in en gingen een verdieping hoger. Opnieuw liepen ze de gaanderij af. De Cock voorop. Plotseling bleef hij staan en Vledder las 123.
‘Moet je hier zijn?’
‘Ja.’
‘Er staat geen naam op de deur.’
‘Nee.’
‘Wie woont hier?’
‘Dat… eh, dat weet ik niet.’
Vledder wond zich een beetje op. Het bloed steeg naar zijn hoofd. Het geheimzinnige gedoe van De Cock kietelde zijn zenuwen. ‘Verdomme,’ riep hij, ‘zeg dan wat je wilt!’
De Cock keek verstrooid op.
‘Wat ik wil? Naar binnen, gewoon naar binnen.’
Vledder zuchtte.
‘Ik denk niet dat er iemand thuis is. Moet je maar zien, alle gordijnen zijn dicht.’
De Cock grijnsde. ‘Daar heb ik min of meer op gerekend.’ Hij keek spiedend de gaanderij af. Toen hij niemand zag, haalde hij een klein stalen apparaatje uit zijn zak en begon daarmee aan het slot te morrelen.
Vledder keek verbaasd toe. ‘Dat… dat kun je niet doen,’ stotterde hij. ‘Als de bewoner zich beklaagt…’
‘Ik denk niet dat hij dat zal doen.’
Voorzichtig tastend met de gevoelige toppen van zijn vingers, morrelde de rechercheur verder aan het slot.
De Cock was zeer bedreven in het openen van de meest uiteenlopende sloten. Hij wist alles van kruizen en repen, cilinders en klavieren. Jaren geleden had hij persoonlijk les gehad van vriend en inbreker Handige Henkie. Toen Henkie na zijn laatste kraak besloot voortaan het smalle, maar eerlijke pad te bewandelen, had hij zijn uitrusting aan De Cock overgedaan, een weemoedig offer op het altaar der deugdzaamheid. De Cock had het offer aanvaard. Bij voorkomende gelegenheden maakte hij er een bescheiden gebruik van.
Plotseling had hij de deur van de flat open. Hij wenkte Vledder. Samen gingen ze naar binnen. Behoedzaam sloot De Cock de deur weer achter hen.
Zachtjes, op hun tenen, slopen ze verder.
Vanuit een kleine hal kwamen ze in een ruime woonkamer. Er hing een wat schemerig duister. Door de toegeschoven overgordijnen drong slechts schaars wat daglicht naar binnen. Het was genoeg om alles te onderscheiden.
Ongeveer in het midden van de kamer stond een bankstel, groot, pompeus, van zwart ribfluweel en glimmend chroom. Achter het bankstel, rechts bij het raam, stond een grote, ronde schemerlamp. Daarnaast hingen wat draadplastiekjes aan de wand. Links, op een blank dressoir, stond een lelijke groenglazen pul met sprietige maïskolfstengels. Het was alles koud en kil, alsof in de flat een zorgzame vrouwenhand ontbrak.
Vledder stootte De Cock met zijn elleboog aan.
‘Waar moet ik naar zoeken?’ vroeg hij gedempt.
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Kijk maar wat rond,’ fluisterde hij zacht. ‘Wees wel voorzichtig. Blijf overal met je handen af. Raak zo weinig mogelijk aan.’ ‘Oké, boss.’
De Cock wierp zijn leerling een vernietigende blik toe. Hij had nu eenmaal een hekel aan dat Oké, boss. Met de handen in zijn zakken liep hij van de kamer naar de keuken. Ook daar waren de overgordijnen dicht. Met een geoefend oog voor het detail beschouwde hij de inventaris. Vooral de messen hadden zijn aandacht. Plotseling hoorde hij een onderdrukte kreet. Met een verschrikt gezicht kwam Vledder uit een van de slaapkamers.
‘Wat is er!?’ Vledder slikte iets weg.
‘In de slaapkamer,’ hijgde hij hees.
‘Wat?’
‘De kleren van Nanette.’