Achttien Naar de kermis

Je hoefde niet stil te zitten als je in handen was van Duncan Chalk. Chalk’s volgelingen hadden hen in een ruk overgebracht van het ziekenhuis naar Chalk’s privévliegveld; vervolgens, na hun vliegreis om de wereld, waren ze in snelle vaart naar het hotel vervoerd. Het was het schitterendste hotel dat het Westelijk Halfrond ooit had gekend, een feit dat Lona haar hoofd leek te doen verliezen en dat Burris vagelijk scheen te hinderen.

Bij het binnenkomen van de hal gleed hij uit en dreigde te vallen.

Dat gebeurde hem steeds vaker nu hij zich in het openbare leven bewoog. Hij had eigenlijk nooit echt zijn benen leren gebruiken. Zijn knieën waren een ingewikkelde constructie van kogelgewrichten, klaarblijkelijk met opzet niet aan wrijving onderhevig, maar op onvoorziene ogenblikken lieten ze hem in de steek. Dat gebeurde nu ook. Hij kreeg het gevoel alsof zijn linkerbeen langzaam uiteen viel en hij begon in de richting van het dikke gele tapijt te glijden.

Waakzame robotpiccolo’s kwamen hem te hulp. Aoudad, wiens reflexen lang niet zo goed waren als die van hun, was al te laat om hem nog overeind te houden. Maar Lona stond het dichtste bij. Ze zette zich schrap en duwde haar schouders onder zijn borst en ondersteunde hem terwijl hij zijn evenwicht weer trachtte te vinden. Burris stond verbaasd hoe sterk ze was. Ze hield hem overeind totdat de anderen het overnamen.

‘Gaat het?’ vroeg ze ademloos.

‘Min of meer.’ Hij zwaaide zijn been heen en weer totdat hij er zeker van was dat alles weer op zijn plaats zat. Pijnscheuten voelde hij tot aan zijn heup. ‘Je was sterk. Je hield me overeind.’

‘Het gebeurde allemaal zo snel. Ik wist niet wat ik aan ’t doen was. Ik deed gewoon iets en dat is alles.’

‘Toch ben ik behoorlijk zwaar.’

Aoudad had hem bij zijn arm vast. Alsof hij zich dat langzaam realiseerde, liet hij hem los. ‘Kan je ’t weer alleen?’ vroeg hij. ‘Wat gebeurde er?’

‘Ik vergat even hoe mijn benen werkten,’ zei Burris. De pijn verblindde hem bijna. Hij slikte het in en ging terwijl hij Lona’s hand greep langzaam de stoet voor naar de gravitronenlift. Nikolaides had het routinewerkje op zich genomen om hen in te schrijven. Ze zouden hier twee dagen blijven. Aoudad ging de dichtstbijzijnde liftschacht binnen en ze stegen op.

‘Tweeëntachtig,’ zei Aoudad in het monitorplaatje van de lift.

‘Is het een grote kamer?’ vroeg Lona.

‘Het is een suite,’ zei Aoudad. ‘Het zijn een heleboel kamers.’

Alles bij elkaar waren er zeven kamers. Een stel slaapkamers, een keuken, een zitkamer, en een grote conferentieruimte waar de vertegenwoordigers van de pers zich later zouden verzamelen. Op Burris’ heimelijke verzoek hadden ze hem en Lona aangrenzende slaapkamers gegeven. Er was nog niets lichamelijks tussen hen. Burris wist dat hoe langer hij wachtte, hoe moeilijker het werd, en toch deinsde hij er voor terug. Hij kon de diepte van haar gevoelens niet peilen en op dat punt had hij ernstige twijfels omtrent de zijne.

Chalk had kosten noch moeite gespaard om hen deze accomodatie te bezorgen. Het was een weelderige suite, behangen met buitenaardse draperieën die glinsterden en schitterden met een innerlijk licht. De ornamenten van gesponnen glas op de tafel, warm in de hand, zongen lieflijke melodieën. Ze waren kostbaar. De bedden waren groot genoeg om een heel regiment te bevatten. Dat van haar was rond en draaide als je op een knop drukte. Er zaten spiegels in het plafond van de slaapkamers. Je kon ze zo regelen dat ze nu eens tot diamantvlakken vervormden, dan weer tot een menigte splinters, of een andere keer verschaften ze een reflectie die groter en scherper was dan wat ze weerspiegelden. Ze konden ook verduisterd worden. Burris twijfelde er niet aan dat de kamers ook nog andere foefjes konden vertonen.

‘Het diner van vanavond wordt geserveerd in de Melkwegzaal,’ kondigde Aoudad aan. ‘Er is een persconferentie belegd om elf uur morgenochtend. Chalk heeft ’s middags een ontmoeting met jullie. De volgende ochtend vertrekken jullie naar de Pool.’

‘Prachtig.’ Burris ging zitten.

‘Zal ik een dokter halen om naar je been te kijken?’

‘Dat is niet nodig.’

‘Over anderhalf uur ben ik terug om jullie naar ’t diner te begeleiden. Kleren vind je in de kasten.’

Aoudad stond op en vertrok.

Lona’s ogen schitterden. Ze was in wonderland. Burris zelf, niet zo licht onder de indruk van luxe, koesterde wel interesse in de mate van comfort. Hij glimlachte naar haar. Haar gloed werd dieper. Hij knipoogde.

‘Laten we nog eens rondkijken,’ mompelde ze.

Ze liepen door de suite. Haar kamer, de zijne, de keuken. Ze voelde aan de programmaknop van de etenslift. ‘We zouden vanavond ook hier kunnen eten,’ stelde hij voor. ‘Als jij dat leuk vindt, tenminste; we kunnen alles krijgen wat we nodig hebben.’

‘Ik vind ’t leuker als we uitgaan.’

‘Natuurlijk.’

Hij hoefde zich niet te scheren, zelfs niet te wassen: kleine weldaden van zijn nieuwe huid. Maar Lona was meer bijnamenselijk. Hij liet haar in haar kamer achter, starend naar de vibraspray, opgehangen in een cel. Het bedieningspaneel daarvan was bijna even ingewikkeld als dat van een ruimteschip. Nou, laat haar er maar mee spelen.

Hij inspecteerde zijn garderobe.

Ze hadden hem bevoorraad alsof hij de ster was in een driedimdrama. Op elke plank stonden zo’n twintig spraybussen, met op elke bus een duidelijke afbeelding van de inhoud. In deze zaten een groene smoking en een schitterende tuniek met purperen draden doorweven. In die een golvende mantel voorzien van een versiering van zelfgenererend licht. Hier, een opzichtig pronkstuk met epauletten en strepen. Zijn eigen smaak ging uit naar eenvoudiger ontwerpen, zelfs naar de meer conventionele stoffen. Linnen, katoen, de stoffen van vroeger. Maar zijn persoonlijke smaak telde in deze onderneming niet mee. Aan zijn eigen smaak overgelaten zou hij nu nog hokken in zijn schilferige kamer in de Martlet Torens, pratend met zijn eigen geest. Hier stond hij, een vrijwillige marionet dansend aan Chalks touwtjes, en hij diende de juiste danspassen te doen. Dit was zijn vagevuur. Hij koos de epauletten en de strepen.

Maar hoe zou de spray werken?

Zijn huid was eigenaardig wat poreusheid en andere fysieke eigenschappen betrof. Hij zou de kleding kunnen afstoten. Of — een nachtmerrie — de aan elkaar klevende moleculen zouden geleidelijk door zijn huid losgeweekt worden, zodat zijn kleding in een oogwenk in de Melkwegzaal zou verschrompelen, hem niet slechts naakt achterlatend in een mensenmenigte, maar bovendien al zijn andere abnormaliteiten blootleggend. Hij zou het risico nemen. Laat ze kijken. Laat ze alles zien. Er kwam een beeld voor zijn geest van Elise Prolisse die haar hand naar een geheime plaats bracht en haar zwarte sluier binnen een seconde van zich af liet glijden, haar blanke verleidingen ontblotend. Deze kleren waren onbetrouwbaar. Het zij zo. Burris kleedde zich uit en schoof de spuitbus in de houder. Hij ging eronder staan.

Vernuftig vormde de kleding zich naar zijn lichaam.

Het geheel nam niet meer dan vijf minuten in beslag. Toen hij zijn opzichtige dracht in de spiegel bekeek, was hij niet ontevreden over zichzelf. Lona zou trots op hem zijn. Hij wachtte op haar.

Er ging bijna een uur voorbij. Hij hoorde geen geluiden uit haar kamer komen. Ze moest nu toch wel klaar zijn.

‘Lona?’ riep hij, en kreeg geen antwoord.

Hij werd door paniek bevangen. Het meisje had zelfmoordneigingen. De pompeuze elegance van dit hotel zou juist genoeg kunnen zijn om haar over de schreef te jagen. Ze waren duizend voet boven de aarde; ditmaal zou ze niet falen. Ik had haar nooit alleen mogen laten, zei Burris woedend tegen zichzelf.

Lona!

Hij liep haar kamer binnen. Op hetzelfde moment zag hij haar staan, sprakeloos van opluchting. Ze was in haar badkamer, naakt, met de rug naar hem toe. Smal om de schouders, nog smaller om haar heupen, zodat het contrast met haar smalle middel verloren ging. Haar ruggengraat rees op als een onderaardse gang, steil, beschaduwd. Haar billen waren als van een jongen. Hij betreurde het dat hij was binnengedrongen. ‘Ik hoorde je niet,’ zei hij. ‘Ik maakte me zorgen, en toen je niet antwoordde —’

Ze draaide zich naar hem toe en Burris zag dat ze heel wat meer aan het hoofd had dan haar geschonden eerbaarheid. Haar ogen waren roodomrand, haar wangen betraand. Met een kuis gebaar bracht ze haar magere armen voor haar kleine borsten, maar die beweging was volkomen automatisch en verborg niets. Haar lippen beefden. Onderhuids voelde hij met een schok zijn reactie op haar lichaam en hij was verbaasd dat een zo schriele naaktheid hem op die manier raakte. Omdat, concludeerde hij, het achter een barrière had gelegen die nu was verbrijzeld.

‘O, Minner, Minner, ik schaamde me zo om je te roepen! Ik sta hier al een half uur!’

‘Wat is er aan de hand?’

‘Ik heb niets om aan te trekken!’

Hij kwam dichterbij. Ze deed een stap opzij naar de deur van de badkamer en ging bij zijn elleboog staan, waarbij ze haar arm van haar borsten liet zakken. Hij keek in de badkamer. Tientallen spuitbussen lagen daar opgestapeld. Vijftig, honderd.

‘En dat dan?’

‘Ik kan dat toch niet aandoen!’

Hij pakte er een. Aan het plaatje op het etiket te zien was het iets van nacht en mist, elegant, kuis, schitterend.

‘Waarom niet?’

‘Ik wil iets eenvoudigs. Er is hier niets eenvoudigs.’

‘Iets eenvoudigs? Voor de Melkwegzaal?’

‘Ik ben bang, Minner.’

En dat was ze. Haar naakte huid was met kippenvel bedekt.

‘Je kan ook zo’n kind zijn af en toe!’ beet hij haar toe. De woorden sloegen als gloeiende spijkers in haar vlees. Ze deinsde terug, er naakter dan ooit uitziend, en de tranen begonnen opnieuw uit haar ogen te wellen. De hardheid van de woorden leek in de kamer te blijven hangen als een slijkachtig bezinksel nadat de woorden zelf vervlogen waren.

‘Als ik zo’n kind ben,’ zei ze hees, ‘waarom ga ik dan naar de Melkwegzaal?’

Haar in je armen nemen? Haar troosten? Burris zat gevangen in een wilde maalstroom van onzekerheid. Hij sloeg een toon aan die het midden hield tussen vaderlijke boosheid en valse bezorgdheid en zei: ‘Wees geen dwaas, Lona. Je bent een belangrijk persoon. De hele wereld kijkt vanavond naar je en zegt hoe mooi je bent, wat een geluk je hebt. Doe iets aan wat Cleopatra mooi gevonden zou hebben. En zeg tegen jezelf dat je Cleopatra bent.’

‘Zie ik eruit als Cleopatra?’

Zijn blik ging langs haar lichaam. Dat was, voelde hij, precies wat ze wilde. En hij moest toegeven dat ze niet zo erg weelderig gebouwd was. Hetgeen ze misschien ook van hem wilde horen. Toch was ze op haar bescheiden wijze aantrekkelijk. Vrouwelijk zelfs. Ze schommelde tussen schalkse meisjesachtigheid en neurotische vrouwelijkheid.

‘Pak een van die dingen en doe ’t aan,’ zei hij. ‘Je zult er van opbloeien. Maak je niet ongerust. Hier sta ik in dat krankzinnige kostuum en ik vind ’t om je rot te lachen. Je moet aan mij gewaagd zijn. Kom op.’

‘Dat is de andere moeilijkheid. Er zijn er zoveel. Ik kan niet kiezen!’

Daar zat iets in. Burris liet zijn blik door de badkamer gaan. De keus was overweldigend. Cleopatra zelf zou met de handen in ’t haar hebben gezeten, en dit arme zwervertje was verbijsterd. Hij scharrelde er onhandig in rond, hopend dat hij op iets zou stuiten dat onmiddellijk zijn geschiktheid voor Lona te kennen zou geven. Maar niet één van deze kledingstukken was ontworpen voor dakloze kinderen, en zolang hij volhardde om zo over haar te denken, kon hij niet kiezen. Eindelijk kwam hij weer terecht bij wat hij bij toeval had gepakt, de elegante en kuise. ‘Deze,’ zei hij. ‘Ik dacht dat die precies goed was.’

Ze keek vol twijfel naar het etiket. ‘Ik voel me verlegen in zoiets sjieks.’

‘Dat onderwerp hebben we al gehad, Lona. Doe hem aan.’

‘Ik kan de machine niet bedienen. Ik weet niet hoe ik dat doen moet.’

‘Dat is het meest simpele wat er bestaat!’ barstte hij uit, en vervloekte zichzelf voor het gemak waarmee hij tegen haar in een snauwende toon verviel. ‘De gebruiksaanwijzing staat gewoon op de bus. Je doet de bus in de gleuf —’

‘Doe jij ’t voor me.’

Hij deed het voor haar. Ze stond in de verstuivingszone, dun en bleek en naakt, terwijl de kledij te voorschijn spoot in een fijne nevel en zich om haar heen drapeerde. Burris begon te vermoeden dat hij gemanipuleerd was, en dat nog wel tamelijk onhandig. In één reusachtige sprong hadden ze de barrière van naaktheid geslecht en nu vertoonde ze zich aan hem net zo terloops alsof ze al tientallen jaren zijn vrouw was. Zijn advies vragen over kleren. Hem dwingen om erbij te staan terwijl ze pirouettes maakte onder de verstuiver en zich met elegantie omhulde. Die kleine heks!

Hij bewonderde de techniek. De tranen, het ineengedoken naakte lijfje, de arme-kleine-meisjes aanpak. Of las hij in haar paniek veel meer dan er was te vinden? Misschien. Wellicht.

‘Hoe zie ik er uit?’ vroeg ze terwijl ze een stap voorwaarts deed.

‘Magnifiek.’ Hij meende het. ‘Daar is de spiegel. Beslis zelf maar.’

Haar kleur van voldoening was verschillende kilowatt waard. Burris besloot dat hij ’t helemaal bij ’t verkeerde eind had gehad wat betreft haar motieven; ze was minder gecompliceerd dan dat, was echt beangst door het vooruitzicht van elegance, was nu echt opgetogen over het uiteindelijke effect.

Hetgeen schitterend was. De verstuiver had een japon uitgesproeid die niet geheel doorzichtig was, niet helemaal strak om haar huid zat. Hij hing aan haar als een wolk, haar schrale dijen en afhangende schouders verhullend en op inventieve wijze een weelderigheid suggererend die er helemaal niet was. Niemand droeg ondergoed met spraykleding, en zodoende lag het naakte lichaam net een fractie buiten het gezicht; maar de ontwerpers waren zeer listig en de losheid van deze japon vulde de draagster daarvan voorbeeldig aan. Ook de kleuren waren verrukkelijk. Door de een of andere moleculaire tovenarij waren de polymeren niet sterk gebonden aan één segment van het spectrum. Als Lona zich bewoog veranderde de japon steeds van tint, glijdend van het grijs van de dageraad tot het blauw van een zomerse hemel, en vandaar naar zwart, ijzerbruin, parelgrijs, mauve.

Lona nam de schijn van verfijning aan die de kleding haar schonk. Ze scheen groter, ouder, alerter, zekerder van zichzelf. Ze hield haar schouders recht, en haar borsten staken naar voren in een verrassende gedaanteverandering.

‘Vind je het leuk?’ vroeg ze zacht.

‘Het is prachtig, Lona.’

‘Ik voel me er zo vreemd in. Ik heb nog nooit zoiets gedragen. Plotseling ben ik Assepoester die naar het bal gaat!’

‘Met Duncan Chalk als de goede fee?’

Ze lachten. ‘Ik hoop dat hij in een meloen verandert om middernacht,’ zei ze. Ze liep naar de spiegel. ‘Minner, ik ben over vijf minuten klaar, goed?’

Hij ging terug naar zijn eigen kamer. Ze had geen vijf, maar vijftien minuten nodig om de tranensporen van haar gezicht te wissen, maar hij vergaf haar. Toen ze eindelijk tevoorschijn kwam kende hij haar nauwelijks terug. Ze had haar gezicht opgemaakt tot iets betoverends dat haar werkelijk van aanzien deed veranderen. Haar ogen waren nu omrand met glanzend poeder, haar lippen glommen stralend op, gouden oorclips bedekten haar oren. Ze dreef als een sliert ochtendnevel zijn kamer binnen. ‘We kunnen gaan,’ zei ze met dichtgeknepen keel.

Burris was vergenoegd en geamuseerd. Aan de ene kant was het een klein meisje dat zich gekleed had om er als vrouw uit te zien. Aan de andere kant was het een vrouw die net begon te ontdekken dat ze niet langer meer kind was. Was de pop werkelijk al ontloken? In elk geval genoot hij van haar op die manier. Ze zag er beslist lief uit. Misschien zouden er minder mensen naar hem kijken en meer naar haar.

Ze liepen samen naar de lift.

Vlak voordat hij zijn kamer uitging liet hij Aoudad weten dat Lona en hij naar beneden kwamen voor het diner. Toen daalden ze af. Burris voelde een wilde golf van angst en grimmig onderdrukte hij die. Dit zou sinds zijn terugkeer op aarde de meest open en blote verschijning in het openbaar worden. Dineren in het restaurant der restaurants; zijn vreemde gezicht dat misschien de kaviaar zou bederven van duizend mededinerenden; ogen van alle kanten op hem gericht. Hij beschouwde het als een test. Op de ene of andere wijze putte hij kracht uit Lona en omhulde hij zich met een mantel van moed zoals zij zich de haar onbekende elegance had eigen gemaakt.

Toen ze bij de lobby aankwamen hoorde Burris de toeschouwers ingehouden zuchten slaken. Genot? Afschuw? De frisson van verrukte weerzin? Hij kon hun motieven niet horen uit hun sissende opname van lucht. Toch keken ze, en reageerden ze op het vreemde paar dat uit de lift was gekomen.

Burris, met Lona aan zijn arm, hield zijn gezicht in de plooi. Kijk maar eens goed naar ons, dacht hij vinnig. Het paar van de eeuw, dat zijn we. De verminkte ruimteman en de moedermaagd van de honderd baby’s. De show van het jaar.

Ze keken inderdaad. Burris voelde hun blik langs zijn oorloze kaken gaan, over zijn klik-klik oogleden en zijn veranderde mond glijden. Hij stond verbaasd dat hij niet reageerde op hun vulgaire nieuwsgierigheid. Ze keken ook naar Lona, maar zij had hen minder te bieden omdat haar littekens van binnen zaten.

Plotseling ontstond er beroering aan Burris’ linkerzijde.

Een ogenblik later brak Elise Prolisse door de menigte en vloog op hem af terwijl ze met krijsende stem schreeuwde: ‘Minner! Minner!’

Ze zag eruit als een vrouwelijke viking. Haar gezicht was op bizarre wijze beschilderd in een woeste en monsterachtige parodie van versiering: blauwe strepen over haar wangen, rode banden over haar ogen. Ze had de spray gemeden en droeg een jurk van de een of andere ruisende, verleidelijke natuurstof, laag uitgesneden om de melkwitte globes van haar borsten te onthullen. Haar handen, die aan de toppen uitgerust waren met glimmende klauwen, hield ze uitgestrekt.

‘Ik heb de hele tijd geprobeerd je te bereiken,’ klaagde ze. ‘Ze wilden me niet bij je laten. Ze —’

Aoudad baande zich een weg naar hen toe. ‘Elise —’

Ze haalde haar nagels over zijn gezicht. Aoudad deinsde terug, vloekend, en Elise wendde zich tot Burris. Ze keek giftig naar Lona. Ze trok aan Burris’ arm en zei: ‘Kom met me mee. Nu ik je gevonden heb laat ik je niet meer gaan.’

Blijf van hem af!’ Lona. De lettergrepen kwamen als vlijmscherpe scheermessen.

De oudere vrouw loerde naar het meisje. De verbijsterde Burris dacht dat ze zouden gaan vechten. Elise woog minstens twintig kilo meer dan Lona en, zoals Burris heel goed wist, ze was zo sterk als een beer. Maar Lona bezat ook onvermoede krachten.

Een scène in de lobby, dacht hij met eigenaardige helderheid. Niets blijft ons bespaard.

‘Ik hou van hem, kleine teef!’ schreeuwde Elise hees.

Lona antwoordde niet. Maar haar hand maakte een snelle hakkende beweging naar Elise’s uitgestrekte arm. De zijkant van de hand smakte op de vlezige onderarm met een snelle droge tik. Elise siste. Ze trok haar arm terug. Haar handen vormden zich weer tot klauwen. Lona, zich schrap zettend, hoog door haar knieën en stond klaar om toe te springen.

Dat alles had slechts een paar seconden geduurd. Toen kwamen de ontstelde omstanders in beweging. Burris zelf deed, na aanvankelijk als verlamd te hebben gestaan, een stap naar voren en beschermde Lona tegen de razernij van Elise. Aoudad greep Elise bij een arm. Ze probeerde zich los te rukken en haar naakte borsten wipten op en neer bij haar poging. Nikolaides kwam van de andere kant aanzetten. Elise krijste, sloeg, trok. Er had zich een cirkel van robotpiccolo’s gevormd. Burris zag hoe ze Elise wegsleepten.

Lona leunde tegen een onyxpilaar. Haar gezicht was dieprood, maar verder had zelfs haar make-up niet geleden. Ze zag er meer verbijsterd uit dan bang.

‘Wie was dat?’ vroeg ze.

‘Elise Prolisse. De weduwe van een van mijn kameraden.’

‘Wat wilde ze?’

‘Wie weet?’ loog Burris.

Lona was niet gek. ‘Ze zei dat ze van je hield.’

‘Dat is haar zaak. Ik denk dat ze onder grote spanning heeft geleefd de laatste tijd.’

‘Ik zag haar in het ziekenhuis. Ze bezocht je.’ Groene vlammen van jaloezie speelden over Lona’s gezicht. ‘Wat wil ze van je? Waarom maakte ze die scène?’

Aoudad kwam hem te hulp. Een zakdoek tegen zijn bebloede wang aanhoudend zei hij: ‘We hebben haar een kalmerend middel gegeven. Ze zal jullie niet meer lastig vallen. Het spijt mij verschrikkelijk. Een dwaze, hysterische kip zonder kop.’

‘Laten we naar boven gaan,’ zei Lona. ‘Ik heb nu geen zin meer om in de Melkwegzaal te dineren.’

‘O nee,’ zei Aoudad. ‘Zeg ’t niet af. Ik zal je een pil geven en je voelt je in een ommezien beter. Je moet een stompzinnig voorval als dit niet een mooie avond laten bederven.’

‘Laten we tenminste uit de lobby gaan,’ zei Burris kortaf.

Het kleine groepje haastte zich naar een helder verlichte kamer. Lona zonk op een divan neer. Burris, die nu knetterde van spanning achteraf, voelde pijnscheuten in zijn dijen, zijn polsen, zijn borst. Aoudad haalde een doosje uit zijn zak, nam zelf een pil en gaf er een aan Lona. Burris schoof de capsule van zich af omdat hij wist dat het middel geen effect op hem zou hebben. In minder dan geen tijd verscheen er weer een glimlach op Lona’s gezicht.

Hij wist dat hij zich niet vergist had met die jaloezie in haar ogen. Elise was komen opdagen als een wervelstorm van vlees, die alles weg dreigde te vagen wat Lona bezat, en Lona vocht wild terug. Burris was zowel gevleid als verward. Hij kon niet ontkennen dat hij, net als elke man trouwens, het leuk vond om het onderwerp van een dergelijk gevecht te zijn. Maar juist dat onthullende moment had hem laten zien hoezeer Lona zich al in hem verstrikt had. Zelf voelde hij zich lang niet in zo’n grote mate met haar verbonden. Hij mocht haar, jawel, en was haar dankbaar voor het gezelschap, maar dat lag nog ver weg van op haar verliefd te zijn. Hij twijfelde zeer of hij ooit van haar zou houden, of van iemand anders. Maar zij had zelfs zonder dat een lichamelijke band hen samenklonk blijkbaar toch in haar fantasie een romance met hem gesponnen. De kiem van moeilijkheden lag daar al in opgesloten, wist Burris.

Lona, bij wie de spanning was weggeëbd door het middel van Aoudad, herstelde zich snel van de aanval van Elise. Ze stonden op en Aoudad straalde alweer ondanks zijn verwonding.

‘Gaan jullie nu naar het diner?’ vroeg hij.

‘Ik voel me een stuk beter,’ zei Lona. ‘Het ging allemaal zo snel — het bracht me van mijn stuk.’

‘Vijf minuten in de Melkwegzaal en je bent de hele zaak vergeten,’ zei Burris. Hij gaf haar weer een arm. Aoudad begeleidde hen naar de speciale lift die alleen in de Melkwegzaal uitkwam. Ze gingen op de zwaartekrachtplaat staan en werden snel naar boven gebracht. Het restaurant lag bovenin het hotel en gaf vanaf deze hooggelegen plaats zicht op het firmament als het een of ander privé-observatorium, een sybaritisch Uraniborg van voedsel. Burris, nog bevend van de onverwachte aanslag van Elise, voelde opnieuw de angst in zich omhoogkomen toen hij de hal van het restaurant binnenging. De uitdrukking op zijn gezicht bleef kalm, maar zou hij niet in paniek raken in de verheven glamour van de Melkwegzaal?

Hij was hier al eens eerder geweest, lang geleden. Maar dat was in een ander lichaam, en bovendien, het meisje was dood.

De lift stopte, en ze stapten uit in een bad van levend licht.

Aoudad zei gewichtig: ‘De Melkwegzaal! Jullie tafel wacht. Ik hoop dat jullie een prettige avond hebben.’

Hij verdween. Burris glimlachte gespannen naar Lona, die er verdoofd en verdwaasd uitzag van geluk en angst. De kristallen deuren gingen voor hen open. Ze liepen naar binnen.

Загрузка...