Het wolkendek dat de oude binnenstad van Amsterdam omhulde hing laag en wikkelde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in een grijze nevel. Alleen de kalender gaf aan dat de lente al enige weken in het land was. Aan het weer was dat niet te merken.
Vanaf het stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn oude vilten hoedje naar voren. Vanonder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten die aan hem voorbij gleden. Een trage, miezerige motregen scheen alle blijheid bij de mensen te hebben weggespoeld. Ook de schoongemaakte Beurs van Berlage deelde in de malaise en toonde enkele donkere plekken op de van regen doortrokken muren.
De grijze speurder verkeerde zelf in een puike stemming. Hoewel het decor en de mensen rondom hem neerslachtigheid demonstreerden, pulseerde zijn hart stromen van een sprankelend lentegevoel.
Een korte, maar intense nachtrust had ook zijn geest verkwikt.
Hij voelde zich fris en opgewassen tegen het kwaad dat ongetwijfeld ook deze dag weer op hem af zou komen.
Voor het slapengaan had hij de ontdekking van de moord op Cornelis Grijpskerk in zijn gedachten nog eens de revue laten passeren. Het werd een opeenvolging van een reeks beelden en impressies. Hoewel hij in de meeste gevallen bij zichzelf een intense bewogenheid met het macabere lot van slachtoffers bespeurde, hadden de moorden op Grijpskerk en Handgraaf hem emotioneel nauwelijks beroerd. Zoekend naar een verklaring voor dat fenomeen was hij snurkend in slaap gevallen.
Bij de Oudebrugsteeg bleef hij even staan en stak toen in een koddige draf voor een aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Terwijl hij op het trottoir voor de Schippersbeurs nog zachtjes nahijgde, lichtte hij ter begroeting beleefd zijn hoedje voor een jonge hoer die aan hem voorbij wankelde op haar te hoge hakken.
In de Warmoesstraat bleef hij voor de open deur van het politiebureau staan. Even speelde hij met de gedachte om niet naar binnen te gaan en gewoon door te lopen…het gaf niet waarheen. Een hele dag voor zich…een hele dag zonder misdaad leek hem een aanlokkelijk perspectief. Aan de andere kant wilde hij er ook niet aan denken dat het op een dag echt zover zou zijn dat hij zijn dagen kon indelen zoals hij wilde, en zich kon wijden aan de hobby’s die hij nu alleen nog in gedachten had…schilderen, mozaïekjes maken…Misschien wilde hij zijn jongensdroom verwezenlijken en een spoorbaantje in de tuin aanleggen. Het duurde niet veel meer dan een paar secondentoen overwon hij het lokkende duiveltje.
In de hal van het politiebureau wuifde hij uitbundig joviaal naar Jan Rozenbrand achter de balie. De wachtcommandant zag het niet. Zijn aandacht werd gevangen door een meute druk gesticulerende mannen met vreemde keelklanken en indrukwekkende snorren.
Fluitend nam de oude rechercheur de trappen naar de tweede etage. Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn computer. De jonge rechercheur keek verstoord op.
“Je bent laat.”
Het klonk bestraffend.
De Cock wierp zijn hoedje naar de kapstok en miste.
“Lijn 13 had vertraging.”
“Bij jou,” mopperde Vledder, “heeft lijn 13 altijd vertraging.”
De Cock raapte zijn gevallen hoedje op, deed zijn regenjas uit en ging tegenover zijn jonge collega zitten.
“Dat is de charme van lijn 13,” reageerde hij lachend. “Je moet het eens proberen. Waar je ook instapt…het blijft een verrassingstocht.”
Vledder bromde.
“Dat heb ik nota bene van jou geleerd, De Cock: ‘s-avonds een man, ‘s-ochtends een man.”
“Heel goed, Dick, en hou je daar ook aan. Maar ik mag me op mijn leeftijd wel eens een extra uurtje permitteren. Kan ik vast wennen…”
“Voor je pensioen bedoel je. Maar zover is het nog niet. Ik zit hier al een goed uur te werken. Ik had dokter Rusteloos ook al aan de lijn — ”
De Cock onderbrak hem. “Hoe laat is de sectie?”
“Vanmiddag om twee uur.”
“Vraag dokter Rusteloos om een uitgebreid toxicologisch onderzoek.”
“Hoe kom je daar nou op? Waarom?”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Ik dacht dat je dat al had begrepen.”
Vledder reageerde niet.
“Overigens had ik,” ging hij onverstoord verder, “vanmorgen al vóór negen uur commissaris Buitendam bij me aan het bureau. Hij had zijn jas nog aan. De man was duidelijk uit zijn humeur. Hij vroeg waar jij was.”
De Cock gniffelde.
“In lijn 13.”
Vledder wuifde geïrriteerd.
“Hou op met die onzin. Die man weet niet wat lijn 13 betekent. Volgens mij heeft Buitendam nog nooit in een Amsterdamse tram gezeten.”
De Cock gniffelde.
“Ik kan het hem aanraden. Een rit met de Amsterdamse tram is een bijzondere ervaring. Vergelijkbaar met een achtbaan op de kermis.”
Vledder zuchtte.
“Je moet onmiddellijk bij hem komen.”
De Cock steunde met zijn ellebogen op de rand van zijn bureau en liet zijn kin in het kommetje van zijn handen rusten.
“Vanwaar,” vroeg hij plagerig, “dat…eh, dat strenge on-mid-del-lijk?”
Vledder maakte een wrevelig gebaar.
“Wat mankeert je vanmorgen?” riep hij kwaad. “Je had beter weg kunnen blijven.”
De Cock plukte aan zijn neus.
“Aan die mogelijkheid heb ik even serieus gedacht. Maar je kunt mij nog niet missen.”
“Hè hè, grappig,” zei Vledder met een armzwaai. “Commissaris Buitendam wil uitgebreid geïnformeerd worden over die twee religieus getinte moorden.”
De Cock nam zijn ellebogen van zijn bureau en liet zich in zijn stoel terugzakken.
“Wat zei Buitendam?” vroeg hij opeens vol aandacht. “Wat voor moorden?”
Vledder trok zijn schouders op.
“Religieus getinte moorden.”
“Waar haalt hij die nonsens vandaan?”
Vledder gebaarde naar de deur.
“Ga het hem vragen.”
Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.
“Kom binnen, De Cock,” sprak hij geaffecteerd, “en ga zitten.”
Hij stapte opgeruimd achter zijn bureau vandaan en wenkte vriendelijk en uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi, nors en ontoegankelijk. De toenadering van zijn chef wees hij meestal hooghartig van de hand. Sinds jaren leefde hij op gespannen voet met de commissaris. De Cock hield het graag zo, beducht voor inmenging in zijn wijze van onderzoek.
“Als het u hetzelfde is…ik blijf liever staan.”
Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos.
“Wat je wilt.”
Buitendam liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats.
“Vanmorgen,” opende hij voorzichtig, “ben ik in alle vroegte benaderd door onze officier van justitie, meester Medhuizen.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen en gromde kort.
“Waarom?”
“Meester Medhuizen is bang voor ernstige beroeringen in religieuze kringen.”
De Cock toonde verwondering.
“Beroeringen? Religieuze kringen?”
Buitendam knikte.
“Heb je vanmorgen al een ochtendblad gezien?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik kon gisteravond pas ver na middernacht van mijn werk naar huis. Na een tweede waterlijk, en vrijwel zeker een tweede moord, kon ik de slaap niet snel vatten. Het bleef rommelen in mijn hoofd. Het was zeker drie uur voor ik eindelijk insliep. Vanmorgen was ik nog te suf om me in de el lende van de dag te verdiepen.”
Buitendam zuchtte.
“Onze officier van justitie was vanmorgen duidelijk wel klaarwakker. Hij vroeg zich bezorgd af waar bij de politie dat lek vandaan kwam.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Het moet niet gekker worden! Welk lek?”
Buitendam trok een lade van zijn bureau open, nam daaruit een krant en legde die voor zich neer.
“Welke religieuze groepering in ons land,” las hij geaffecteerd voor, “vermoordt haar prominente leden met een macabere verdrinkingsdood?”
De Cock keek de commissaris ongelovig aan.
“Staat dat er?”
Buitendam draaide het blad om en schoof het naar De Cock toe.
De oude rechercheur pakte het ochtendblad op en las de vetgedrukte tekst op de voorpagina. Hij legde de krant weer neer en sloeg er met de platte hand op.
“Waar komt dit vandaan?”
Commissaris Buitendam haalde een schouder op.
“Dat wil de heer Medhuizen, onze officier van justitie, ook graag weten. In het artikel staat verder dat er uit het water van de Keizersgracht al twee keer een lijk is opgehaald dat een biddende houding symboliseert…de handen gevouwen op de borst.”
De Cock spreidde zijn armen.
“Dat is toch niets bijzonders? Bij vrijwel alle doden worden voor het begraven of cremeren de handen op de borst gevouwen. Dat is een eeuwenoude traditie.”
Buitendam keek hem strak aan.
“Dat is niet hetzelfde, De Cock. Mensen die in het water belanden, vouwen hun handen niet voor hun borst. Dat weet je best.”
De oude rechercheur knikte.
“Commissaris,” begon De Cock op schoolmeesterstoon, “wat u vermoedelijk nog niet weet…de vingers van de gevouwen handen van beide slachtoffers zijn met krachtige contactlijm vastgezet. Ik ben er dan ook van overtuigd dat beide slachtoffers zijn vermoord en pas na de moord in het water van de Keizersgracht zijn gedumpt.”
Buitendam wees naar het ochtendblad.
“Vrijwel zeker vermoord door leden van de godsdienstige sekte waartoe beide slachtoffers behoorden.”
De Cock grijnsde breed.
“Wie beweert dat?”
De commissaris wees opnieuw naar de krant.
“Dat staat hier.”
“Onzin.”
Buitendam strekte zijn rug.
“Wanneer heb jij de pers te woord gestaan?”
De Cock voelde hoe de woede in het bloed van zijn aderen begon te bruisen.
“Ik heb geen pers te woord gestaan,” reageerde hij fel. “Dat doe ik nooit! Dat is mijn taak niet. Ik hou die persmuskieten altijd ver uit mijn buurt. Ze zijn vaak niet te vertrouwen. Daarom hebben we voor hen aan het hoofdbureau immers een afdeling persvoorlichting.”
Buitendam trok de krant naar zich toe.
“Iemand moet toch hebben gekletst. Dat krantenartikel is geen onzin. De journalist die dit schreef, moet toch zijn ingelicht.”
De Cock knikte gedwee.
“De feiten kloppen min of meer, maar ik heb die feiten nooit in verband gebracht met een godsdienstige groepering. Het idee dat een sektarische beweging haar eigen leden — om wat voor reden dan ook — vermoordt en met gevouwen handen te water laat, is absurd.”
Commissaris Buitendam wees naar de telefoon op zijn bureau.
“Naar aanleiding van het bericht in het ochtendblad hebben tal van godsdienstige groeperingen al woedend gereageerd, zowel bij mij als bij justitie.”
“En?”
“Ze eisen een onderzoek.”
De Cock balde zijn vuisten. Zijn vingernagels drukten in de muis van zijn handen.
“Naar wie…naar wat?”
Buitendam stak zijn hand naar hem uit.
“Naar jou!”
De Cock keek hem geschrokken aan.
“Naar mij?”
Buitendam knikte.
“Naar jou.”
De Cock grinnikte vreugdeloos, hij voelde zich niet meer zo vief als een halfuurtje geleden. Had hij maar gehoor gegeven aan de impuls om het bureau links te laten liggen. Hij schudde kort zijn hoofd. Toen vroeg hij mat: “Waarom?”
Buitendam klopte met zijn vuist op de krant.
“De gegevens van dit macabere artikel zouden door jou zijn verstrekt.”
De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
“Staat dat er?”
In zijn stem trilde ongeloof.
Buitendam knikte.
“Jij wordt als de zegsman van de gegevens vermeld. Rechercheur De Cock, met ceeooceekaa, van bureau Warmoesstraat, die het onderzoek leidt.”
De oude rechercheur wees met een gespeeld droevig gezicht naar de krant.
“Dat is toch geen roddelblad?”
“Dit is een respectabel ochtendblad.”
“Hoe is het mogelijk?”
De oude rechercheur zuchtte diep.
“Kan ik geen aanklacht tegen die journalist indienen?”
Buitendam negeerde de opmerking.
“Er zal toch een onderzoek naar jouw beweringen moeten worden ingesteld.”
De Cock zwaaide met zijn tot vuisten gebalde handen.
“Dat een of andere zotte journalist,” sprak hij gedreven, “de feiten omtrent deze twee moorden interpreteert op een wijze die inbreuk doet aan de integriteit, de rechtschapenheid en de oprechtheid van bepaalde godsdienstige groeperingen, is ronduit misdadig. Zo’n gevaarlijke man moet van zijn functie worden ontheven.”
De oude rechercheur boog zich naar commissaris Buitendam toe.
“Maar dat de heer Medhuizen, onze officier van justitie,” sprak hij met stemverheffing, “en mijn eigen commissaris de mogelijkheid openhouden dat ik aan de oorsprong van die misdadigheid zou staan, getuigt van gebrek aan inzicht en vertrouwen.”
De grijze speurder ontspande zijn kromme vingers.
“Ik uit geen verdenkingen die ik niet waar kan maken, en zeker niet tegen journalisten. Ik rotzooi niet in mijn werk en ik rommel niet. Ik onderzoek…ik re-cher-cheer. Ik zoek naar de waarheid.”
Hij zweeg even om diep te ademen.
“En als u,” ging hij verder, “en officieren van justitie dat na al die jaren nog niet duidelijk is geworden, begin ik toch ernstig aan de kundigheid en de opmerkingsgave van ons leidinggevend personeel te twijfelen. Erger nog…ze zijn, zo bemerk ik, in feite absoluut incompetent.”
Commissaris Buitendam kwam woedend achter zijn bureau vandaan. Er flikkerde vuur in zijn ogen en zijn neusvleugels trilden. Hij stak zijn hand uit naar de deur.
“Eruit.”
De Cock ging.