5

Vledder kwam vrolijk fluitend de grote recherchekamer binnen.

Hij blikte even om zich heen en hing zijn zwartleren jack aan de kapstok. Daarna stapte hij verder de kamer in en ging tegenover De Cock achter zijn bureau zitten. Voorzichtig schoof hij het scherm van zijn computer iets opzij voor een beter uitzicht op zijn collega.

“Is die holle bolle Gijs al vertrokken?” vroeg hij lachend.

De grijze speurder keek hem niet-begrijpend aan.

“Holle bolle Gijs?”

Vledder knikte.

“Zo noem ik hem maar…die man met dat blozende bolronde gezicht in die belachelijke doorzichtige plastic regenjas die dreunend de recherchekamer binnenkwam op het moment dat ik zou weggaan.”

De Cock glimlachte.

“Die man is geen holle bolle Gijs. Die man heet voluit Derek van Achterdiep. Hij is een van de leidende directeuren van de Handgraaf Foundation aan de Keizersgracht.”

Vledder keek hem schuins aan.

“Is dat de onderneming van Victor Handgraaf, ons waterlijk?”

“Precies.”

“Wat kwam hij doen?”

“Een opsporing verblijfplaats verzoeken.”

Vledder grijnsde.

“Van die verdronken directeur.”

“Hoe raad je het?”

Vledder snoof.

“Dat ligt voor de hand. Ze zullen hem bij zijn bedrijf hebben gemist. Heb je hem verteld dat je de verblijfplaats van de vermiste al kende?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Niet onmiddellijk. Ik heb eerst naar wat achtergronden geïnformeerd. Volgens die Derek van Achterdiep was Handgraaf inderdaad van plan om voor zaken naar China te gaan. Hij zag in China mogelijkheden voor zijn Foundation. Vermoedelijk import van textiel en schoenen. Hij zal contacten in die richting hebben willen zoeken.”

“Wanneer werd men bij de Foundation ongerust?”

De Cock glimlachte.

“De heer Van Achterdiep raakte bezorgd over het welzijn van zijn mededirecteur door een telefoontje van een man die dringend met Handgraaf wilde spreken. Een zaak, zo zei die man, van leven of dood.”

Vledder knikte begrijpend.

“Het beruchte telefoontje van Arnold van Heusden.”

De Cock knikte.

“Ik heb de heer Derek van Achterdiep een van de fraaie foto’s laten zien die Bram van Wielingen gisteravond op de gracht van het slachtoffer heeft genomen.”

“Hoe reageerde hij?”

“Geschokt. Ontdaan. Hij greep uit wanhoop naar zijn hoofd. Toen ik hem uiteindelijk vertelde dat ik de stellige overtuiging had dat Victor Handgraaf geen natuurlijke dood was gestorven, maar vrijwel zeker was vermoord, had hij voor mij onmiddellijk een kant-en-klare, absolute dader bij de hand.”

Vledder glimlachte.

“Lekker gemakkelijk.”

“Voor hem wel, maar voor ons een vraag. Hij noemde ene Cornelis Grijpskerk.”

“Wie is dat?”

De Cock maakte een armzwaai in de ruimte.

“Ook een directeur van de Handgraaf Foundation. Maar niet in de absolute top. Hij is manager van een kleine onderafdeling in Alkmaar.”

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

“Die man zou Handgraaf hebben vermoord?”

“Ja. Dat wist de heer Van Achterdiep heel zeker. Volgens hem bestond daarover geen enkele twijfel.”

“Hoe kwam hij bij die zekerheid?”

“Het is allemaal een beetje vaag,” antwoordde De Cock wat wrevelig. “Ik had er geen goed gevoel bij. Het overtuigde me absoluut niet. Volgens Derek van Achterdiep voelde Cornelis Grijpskerk zich…en dat voelt hij zich nog…door Victor Handgraaf vernederd en miskend…ondergewaardeerd. De functie van directeur van de kleine onderafdeling van de Foundation in Alkmaar vindt hij te gering en in strijd met eerder gemaakte afspraken.”

Vledder grinnikte.

“Altijd hetzelfde gemopper. Dat is toch geen motief voor moord?”

“Je hebt gelijk. Dat heb ik hem ook duidelijk gemaakt. Toch schijnt die Cornelis Grijpskerk een paar maal openlijk, ten overstaan van getuigen — andere personeelsleden van de Foundation — te hebben gedreigd om Victor Handgraaf van het leven te beroven als hij hem geen passender functie binnen de groep aanbood.”

Vledder hield zijn hoofd iets schuin.

“Kende Handgraaf die doodsbedreigingen van Cornelis Grijpskerk?”

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

“Volgens de heer Van Achterdiep was hij daarvan volledig op de hoogte. De bedreigingen zijn dikwijls onderwerp van gesprek geweest.”

Vledder spreidde zijn handen.

“Waarom ontsloeg Victor Handgraaf die gevaarlijke man dan niet?”

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

“Geen idee. Dat behoort voor ons tot nu toe tot de ondoorgrondelijkheden van die club. Derek van Achterdiep had het slachtoffer al een paar maal geadviseerd om Cornelis Grijpskerk te ontslaan…om hem zonder meer uit de Foundation te stoten, maar Handgraaf wilde dat besluit niet nemen.”

“Vreemd, vind je niet.”

De Cock knikte.

“Zeker vreemd. Ik heb natuurlijk ook naar de reden van dat advies gevraagd.”

“En?”

“Niets. Handgraaf heeft steeds gezwegen. Nooit heeft hij zijn welwillendheid inzake Cornelis Grijpskerk gemotiveerd.”

De oude rechercheur wees naar de telefoon.

“Ik heb bij onze administratie ook navraag gedaan of er ooit aangifte is gedaan inzake die doodsbedreigingen van Cornelis Grijpskerk.”

“Kwam daar wat uit?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Cornelis Grijpskerk heeft een blanco strafregister.”

Vledder grijnsde.

“Wat kunnen we dan tegen die Grijpskerk ondernemen?”

De Cock trok zijn schouders op.

“Daar moet ik nog eens diep over nadenken,” sprak hij traag.

“Hij zal zich in ieder geval over de grond van zijn extreme uitlatingen moeten verklaren.”

“Je bedoelt het waarom van die bedreigingen met de dood.”

“Precies.”

De grijze speurder ging verzitten en veranderde van onderwerp.

“Vertel eens, hoe was de sectie?”

Vledder grijnsde breed.

“Ik heb een verrassing voor je.”

“Dat lijkt me stug,” sprak De Cock. “Na al die jaren kan de uitslag van een gerechtelijke sectie mij niet meer verrassen.”

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

“Toch zal je ervan opkijken.”

“Nou, vertel op dan.”

Vledder zweeg even voor het effect.

“De vingers van beide handen van het slachtoffer zijn aan elkaar gelijmd.” Hij ging parmantig achterover zitten.

De Cock keek hem verbijsterd aan.

“Aan elkaar gelijmd?” vroeg hij ongelovig.

Vledder knikte.

“Met een soort secondelijm, van dat hele sterke spul. Dokter Rusteloos en ik hebben ook sporen van die lijm op het jasje van het slachtoffer teruggevonden.”

“Hoe kwamen jullie daar achter?”

Vledder tikte met zijn wijsvinger op zijn borst.

“Dokter Rusteloos wilde de gevouwen handen uit elkaar halen om het zwaardvormig borstbeen uit het lichaam van het slachtoffer te kunnen verwijderen.”

“Waarom ging dat niet?”

“Die gevouwen handen zaten in de weg, snap je,” verklaarde Vledder. “Toen dokter Rusteloos de handen nader bekeek, ontdekte hij dat de vingers stevig aan elkaar waren gelijmd. We hebben het samen met kracht geprobeerd…ieder trekkend aan een arm…om de handen van elkaar te rukken. Dat lukte niet en we waren bang dat we het vel lostrokken.”

“En toen?”

Vledder zuchtte.

“We hebben nog overwogen om de handen van het lichaam te verwijderen…af te zagen. Dat hebben we maar niet gedaan.”

“Waarom niet?”

Vledder zwaaide.

“Uit piëteit, De Cock. Er zijn grenzen. Het leek ons voor de nabestaanden bij een confrontatie een verschrikkelijk gezicht…een dode zonder handen. Uiteindelijk heeft dokter Rusteloos de vingers stuk voor stuk met een lancet losgesneden.”

De Cock schoof zijn onderlip iets naar voren.

“Heftig.”

“Dat vond ik ook,” zei Vledder.

“Dokter Rusteloos heeft toch twee van de aan elkaar geplakte vingers van het slachtoffer verwijderd. Die gaat hij conserveren, zodat we de aanwezigheid van de contactlijm tussen de vingers gerechtelijk kunnen bewijzen. Na het beëindigden van de sectie heeft Rusteloos de handen weer keurig tegen elkaar gelegd.”

De jonge rechercheur zweeg even en schudde kort zijn hoofd bij de herinnering aan het macabere voorval. Hij zuchtte diep en kromde zijn rug.

“Ook de toch geroutineerde dokter Rusteloos,” ging hij zacht, bijna fluisterend verder, “was heel even in de war. Hij had in zijn lange carrière als patholoog-anatoom nog nooit zoiets meegemaakt.”

De Cock wachtte geduldig tot Vledder weer enigszins tot zichzelf was gekomen.

“Wat heb je met de spullen gedaan?”

De jonge rechercheur keek op.

“Ik heb het jasje van het slachtoffer en de twee watermonsters na afloop van de sectie naar het Gerechtelijk Lab in Rijswijk laten brengen.”

De Cock schudde nadenkend zijn hoofd.

“Vastgebonden schoenveters,” sprak hij mijmerend, “en aan elkaar gelijmde handen. Afschuwelijk. Een weloverwogen moord, daar is goed over nagedacht. Victor Handgraaf moest wel verzuipen, die man had geen schijn van kans.”

“Rusteloos wilde niet op de resultaten van het onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium vooruitlopen,” zei Vledder, “maar volgens hem was de vloeistof in de longen van het slachtoffer gewoon leidingwater.”

De Cock keek hem verrast aan. “Leidingwater?”

Vledder knikte. “Volgens dokter Rusteloos. Hij heeft het me laten zien. Het was vrij helder. Niet vervuild.”

Uit de longen van De Cock ontsnapte een diepe zucht.

“Dan is Victor Handgraaf,” sprak hij grimmig, “niet in een Amsterdamse gracht verdronken.”

“Maar elders,” voegde Vledder eraan toe.

De Cock knikte traag. “Elders,” herhaalde hij.

Het klonk als een vloek.

De oude rechercheur staarde enige tijd zwijgend voor zich uit.

Vledder keek naar hem en zag een vermoeide, kwetsbare oude man. Toch was dit een rechercheur van de oude stempel, een politieman in hart en nieren, gepokt en gemazeld in het vak.

Zijn leermeester, en daar was hij trots op. Zou hijzelf een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van deze gruwelijke moord? Een waterlijk opgevist uit de Keizersgracht, met puur leidingwater in de longen…

De Cocks brede gezicht met de markante trekken leek te veranderen in een stalen masker. In de overvolle zolderkamer van zijn denkvermogen groeide de absolute wil om het mysterie van het vreemde waterlijk te ontrafelen.

Na enige tijd stond hij van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.

Vledder sprong overeind en kwam hem achterna. “Waar ga je heen?”

De Cock keek over zijn schouder. “Naar de Pijp.”


Op de houten steiger achter het politiebureau stapten ze in hun oude Golf en reden weg. De Cock blikte opzij naar Vledder, die achter het stuur zat.

“Ken je de Pijp?”

Vledder trok zijn schouders op.

“Denk je nou echt dat ik nog niets van de Amsterdamse binnenstad weet? Hoe vaak heb ik jou niet van hot naar her door Amsterdam gereden, bij weer en wind en bij nacht en ontij? Ik stuur altijd, weet je wel, en jij hangt als een zoutzak naast me. Meestal kijk je niet eens. Natuurlijk ken ik de Pijp, een min of meer befaamde Amsterdamse volksbuurt, meneer De Cock.”

“Heel goed, Dick Vledder,” antwoordde De Cock, omdat hij geen zin in een discussie had op dit moment. Vledder had gelijk, hij had hem zelf alle ins en outs van de stad leren kennen.

“Dus op naar de Pijp?”

De Cock knikte. “Naar de Karel du Jardinstraat.”

Vledder snoof. “Wat gaan we daar vinden?”

De Cock glimlachte. “Op de zolder van nummer 517 woont Laurens van der Dungen.”

Vledder fronste zijn wenkbrauwen. “Dat lekkere joch, die veelpleger?”

De Cock knikte. “Ook zijn verslaafde vriendin Willemijn Handgraaf verblijft op dat adres.”

Vledder keek hem grijnzend aan.

“Gaan we haar arresteren voor moord…uitlokking daartoe?”

De Cock reageerde niet op die vraag.

“Weet je de Karel du Jardinstraat te vinden?”

“Nee, vertel het me maar, dan blijf je in elk geval wakker.”

“Leuk, Dick. Ik ben niet oud geworden in het recherchevak door te slapen, bedenk dat wel.” De Cock gebaarde grommend voor zich uit.

“Rij maar naar de Ceintuurbaan in de richting van het Sarphatipark. Voor het park ga je rechtsaf de Tweede Van der Helststraat in…daarna even rechtdoor tot je links de Karel du Jardinstraat tegenkomt.”

“Als de gemeente Amsterdam de verkeerssituatie inmiddels niet weer eens heeft gewijzigd,” zei Vledder.

De Cock glimlachte. “Dat doet ze al zolang als ik hier bij de politie ben.”


De bijna verveloze toegangsdeur van perceel 517 was gesloten.

Door de klep van de brievenbus hing een touwtje. De Cock rukte eraan en de deur gleed van het slot. De oude rechercheur duwde de deur met zijn rechterknie verder open. Pal achter de deur begon een trap. De Cock trok zijn negentig kilo hijgend aan de vettige leuning omhoog. De treden van de houten trap kraakten onder zijn gewicht. Vledder beluisterde het kraken en volgde behoedzaam.

Op het smalle portaaltje van de tweede etage bleef De Cock even staan en bracht de cadans van zijn ademhaling weer wat op peil.

Vledder wees omhoog.

“Moeten we nog verder?” Hij was bezorgd. Dit was eigenlijk geen doen voor De Cock.

De Cock knikte. “Nog twee trappen. Even wachten…Hun appartementje is op de zolder, helemaal boven.”

Toen de rechercheurs de zolder hadden bereikt, bleven ze even weifelend staan. Het was er aardedonker. De Cock pakte zijn lantaarn uit de zak van zijn regenjas. Het ovaal van licht gleed over een planken deur, afgesloten met een simpel slot.

“Ze zijn er niet,” fluisterde Vledder.

Zwaar hijgend pakte De Cock uit zijn binnenzak het apparaatje dat hij eens van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen. Het was een koperen houder met daarin een keur van sleutelbladen. De ervaren rechercheur koos met kennersblik het juiste sleutelblad en binnen enkele seconden had hij het slot geopend. Hij duwde voorzichtig de gammele houten deur open en ging naar binnen. Uit een schuin zolderraam gleed wat avondlicht.

De Cock snoof een paar maal. In de ruimte hing een vreemde muffe geur. Een combinatie van zweet, zeik en wiet.

Tegen het schuine gedeelte van het dak stond een vervuild tweepersoonsbed bedekt met een laagje vodden. Toen De Cock wat van de lappen wegtrok, zag hij het fraai gevormde naakte lichaam van een slapende jonge vrouw. De oude rechercheur dekte haar weer gedeeltelijk toe. Daarna tikte hij een paar maal met de rug van zijn hand tegen haar wang.

Na een tijdje deed ze haar ogen open en keek hem verwilderd aan. Haar mond vormde een strakke lijn.

“Wie ben jij?” vroeg ze snauwerig.

De grijze speurder bracht zijn beminnelijkste glimlach.

“Mijn naam is De Cock…De Cock, met ceeooceekaa.” Hij duimde over zijn schouder. “De jongeman hier is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van het politiebureau in de Warmoesstraat.”

“Recherche?”

De Cock knikte. Hij wees achter zich naar een vierkante tafel met een paar stoelen.

“Als u zich aankleedt, dan kunnen we daar even met elkaar praten.”

Ze schudde haar hoofd. “Ik blijf wel liggen.”

De Cock pakte een stoel, schoof die naast het bed en ging er op zitten.

Vledder bleef staan en bezag het tafereel. Zonde, dacht hij, zo’n mooi meisje in zo’n ellendig kot.

“Hoe is uw naam?” vroeg De Cock.

Het meisje grinnikte. “Doet dat er iets toe?”

“Bent u Willemijn Handgraaf?”

“Je bent goed ingelicht.”

De Cock behield zijn goede humeur.

“U bent dus Willemijn Handgraaf, de jonge verslaafde vrouw die mensen heeft benaderd met het verzoek haar vader te vermoorden?”

Ze kwam met een ruk half overeind. Haar blote borsten trilden.

“Ik wilde zijn dood…ja,” reageerde ze scherp. “Maar niet als een biddende priester opduikend uit het water van een of andere gore Amsterdamse gracht.”

Загрузка...