14

Schipper Hans Rijpkema wees naar het ontzielde lichaam van Derek van Achterdiep boven het grachtenwater aan de zijkant van het politievaartuig.

“Wat moet er met hem gebeuren?”

De Cock lachte.

“Dat moet jij als oud-rechercheur van bureau Warmoesstraat toch weten. Ik verzeker je, die vent is vermoord.”

Hans Rijpkema trok een grijns.

“Als ik me goed herinner, dan moet het slachtoffer nu naar het sectielokaal?” vroeg hij als een leerling die naar het juiste antwoordt gist.

“Precies,” sprak De Cock met een hoofdknik. “Naar het sectielokaal. Dat is niet meer in dat oude griezelige pand aan de Overtoom, zoals in jouw tijd, maar in een modern lokaal op de begraafplaats Westgaarde aan de Ook meerweg.”

“Dat werd tijd.”

De oude rechercheur riep Vledder bij zich.

“Stel je in verbinding met de Geneeskundige Dienst en vraag om twee ambulances. Eén met een net om het waterlijk op de wal te hijsen en één om het slachtoffer naar Westgaarde te vervoeren.”

“En dan?”

De Cock gebaarde naar de dode in het water.

“Als we van het lijk van de heer Van Achterdiep verlost zijn, varen we met Hans Rijpkema rustig terug naar het kantoor van de Rijkspolitie te Water aan de Westerdoksdijk. Dan heb je toch nog je pleziervaart. En dan,” de oude rechercheur spreidde zijn armen, “dan scheiden zich onze wegen.”

Vledder keek hem verwonderd aan.

“Hoezo?”

De Cock gebaarde voor zich uit.

“Na onze hartelijke dank voor bewezen diensten, laten we Hans Rijpkema met zijn schuit achter aan de Westerdoksdijk, en jij waarschuwt de meute met het verzoek om naar het sectielokaal op Westgaarde te komen.”

Vledder knikte begrijpend.

“En dan gaan we naar Westgaarde.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Jij, Dick, jij gaat naar Westgaarde om de meute te ontvangen en de zaak daar verder af te wikkelen.”

“En jij?”

De Cock glimlachte om de klemtoon die ook Vledder op jij legde.

“Ik laat me door jou naar bureau Warmoesstraat brengen.” Hij blikte even op zijn horloge. “Over ongeveer drie kwartier heb ik daar een afspraak.”

“Met wie?”

“De vierde man.”

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

“De vierde man? Heb ik iets gemist? Waar tover je een vierde man vandaan, vierde waarvan?”

De Cock knikte.

“Even bij de les blijven. Wat dacht je van Peter Freedestein…de man van de Foundation die we tot nu toe nog niet hebben benaderd, die ga ik straks spreken.”

Het gezicht van Vledder klaarde op.

“Het lulletje lampenkatoen.”

De Cock plooide zijn lippen in een tuitje.

“Een kwalificatie,” formuleerde hij voorzichtig, “van wijlen de nogal heetgebakerde Cornelis Grijpskerk. Het is de vraag of ik die mening zal delen.”

De oude rechercheur zweeg even.

“Peter Freedestein,” ging hij verder, “de directeur uit Leiden, is in ieder geval de vierde man van — zoals ik het zie — de met volledige uitroeiing bedreigde top van de Handgraaf Foundation.”

“Daarvan ben jij overtuigd.”

“Ja.”

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

“Zou die Peter Freedestein nog leven…of ligt die ook al op de bodem van de gracht?”

De Cock haalde zijn schouders op.

“Vanmiddag had ik hem nog aan de telefoon.”


De Cock keek de man die op de stoel naast zijn bureau zat, onderzoekend aan. Hij schatte hem op achter in de veertig. Hij had een ovaal gelaat, iets door de zon gekleurd, bruine ogen en beginnend grijs in een zwarte haardos. Hij droeg een keurig grijs kostuum, waaronder een smetteloos wit overhemd met een bijpassende stropdas. De oude rechercheur zag in het voorkomen van de man niets wat hem tot een ‘lulletje lampenkatoen’ zou kunnen kwalificeren.

De grijze speurder schonk hem een milde glimlach.

“Mijn naam is De Cock,” sprak hij vriendelijk. “De Cock, met ceeooceekaa. Ik ben de rechercheur die u vanmiddag via de telefoon heeft verzocht om vanavond naar dit bureau te komen.”

Hij zweeg even.

“U bent Peter Freedestein?”

“Dat ben ik, ja.”

“Mededirecteur en mede-eigenaar van de Handgraaf Foundation?”

“Precies.”

De Cock glimlachte opnieuw.

“Ik weet niet in hoeverre u bent ingelicht, maar volgens mijn informatie bent u thans volledig eigenaar en onbetwist leider van de Handgraaf Foundation.”

Freedestein keek hem verwonderd aan.

“Ik…eh, ik vraag me af,” formuleerde hij voorzichtig, “of ú wel goed bent ingelicht. Ik beheer slechts een kleine onderafdeling van de Foundation in Leiden.”

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

“U weet nog niet wat er met Victor Handgraaf en Cornelis Grijpskerk is gebeurd?”

Peter Freedestein schudde zijn hoofd.

“Die twee zouden naar China gaan om nieuwe handelscontacten te zoeken.”

De Cock keek hem schuins aan.

“Dat is uw laatste informatie?”

“Ik heb over die twee geen nadere berichten uit Amsterdam ontvangen.”

“Vreemd,” zei De Cock peinzend en monsterde het gezicht van Freedestein, die zijn schouders lichtjes optrok.

“Ik hou me altijd wat afzijdig…bemoei me niet met wat er op het kantoor in Amsterdam aan de Keizersgracht wordt bekokstoofd. Dat bevalt me goed zo. Het is een houding die me buiten de problemen houdt.”

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

“Victor Handgraaf en Cornelis Grijpskerk,” sprak De Cock gedragen, “hebben China nooit bereikt. Ze zijn beiden vermoord. We hebben hun ontzielde lichamen uit het water van de Keizersgracht opgevist.”

Peter Freedestein sloot zijn ogen en keek even naar de grond, toen zuchtte hij diep.

“Verschrikkelijk,” zei hij zacht. “Van die droeve tijding ben ik nooit op de hoogte gebracht.”

“Dat is niet alles,” vervolgde De Cock. “Nog geen twee uur geleden hebben we na enige tijd aanhoudend dreggen in het water van diezelfde Keizersgracht het lichaam van Derek van Achterdiep gevonden.”

Freedestein keek de oude rechercheur verward en gepijnigd aan.

“Ook vermoord?”

De Cock knikte.

“Op exact dezelfde wijze als de directeuren Handgraaf en Grijpskerk.”

“Wie heeft dat gedaan?”

De Cock maakte een schouderbeweging.

“Daarover tasten we nog in het duister.”

Peter Freedestein schudde zijn hoofd.

“Waarom werden die mensen vermoord? Ik bedoel, wie heeft daar belang bij?”

De Cock plukte even aan zijn neus.

“Over dat ‘belang’ heb ik geruime tijd nagedacht. Het spijt me, maar daar heb ik slechts één antwoord op gevonden. De enige man die belang heeft bij de dood van drie mede-eigenaren en mededirecteuren, bent u.”

Peter Freedestein keek hem verdwaasd aan.

“U…eh, u…eh, u denkt,” stotterde hij, “dat ik drie mannen heb omgebracht? Mijn mededirecteuren?”

De Cock keek de man gelaten aan.

“Heer Freedestein,” zei hij, “hoe zou u denken wanneer u als ervaren rechercheur een moordzaak met driemaal dezelfde kenmerken in behandeling had?”

Freedestein zwaaide afwerend. Zijn handen trilden en uit zijn gezicht was alle kleur verdwenen.

“Het is niet waar,” sprak hij verhit. “Het is echt niet waar. Die vermoorde mannen waren niet mijn vrienden. Zeker niet. Ze hadden naar mijn gevoel iets griezeligs. Het waren intriganten, eerzuchtige mannen. Pure strebers. Daarom vermeed ik hun gezelschap zoveel als doenlijk, maar ik heb ze niet omgebracht.”

De Cock bleef onbewogen.

“Ik vroeg niet om een ontkenning,” sprak hij hoofdschuddend.

“Ik vroeg u om zich in mijn situatie als rechercheur te verplaatsen.”

Peter Freedestein reageerde driftig.

“Dat kan ik niet,” sprak hij heftig, “en dat wil ik ook niet. Ik ben geen rechercheur.”

“Dat hoeft u ook niet. Ik vraag u om een overweging als mens met een gezond verstand.”

Freedestein keek hem vijandig aan.

“Ik maak die overweging niet,” reageerde hij nukkig.

De Cock boog zich iets naar hem toe.

“In alle redelijkheid…als iemand een grijpbaar motief voor de moorden had, dan was u het toch. De heren Handgraaf, Grijpskerk en Van Achterdiep waren u niet sympathiek…gevoelens van mededogen waren bij u niet, of slechts in geringe mate aanwezig. En de baten van uw optreden zijn niet onaanzienlijk. Integendeel, de moorden op uw mededirecteuren maken u puissant rijk.”

Peter Freedestein maakte een wanhopig gebaar.

“Ik wil niet rijk zijn…niet rijker dan ik au al ben. Ik behoor niet tot het type Handgraaf en de anderen.”

De Cock zweeg even en bestudeerde het geschokte gezicht van Peter Freedestein.

“Bent u wel eens benaderd door een man die u om geld vroeg voor zijn zieke dochter?” vroeg hij ineens.

“Nee.”

De Cock leunde naar achteren in zijn stoel.

“Ondanks het motief dat ik u schetste, ontkent u uw mededirecteuren te hebben vermoord.”

Peter Freedestein schudde zijn hoofd.

“Ik was het niet.”

Met een vermoeid gebaar wreef De Cock met zijn vlakke rechterhand over zijn gezicht.

“Bent u als onschuldig man bereid om me behulpzaam te zijn bij het ontmaskeren van de ware schuldige?”

Freedestein liet zijn schouders hangen.

“Ik doe in dit verband,” verzuchtte hij, “alles wat u van mij verlangt.”


De Cock had moeie voeten. Met zijn broekspijpen tot aan zijn knieën opgerold stak hij zijn witbleke benen in een teil dampend water. Parelend bruiszout kriebelde tussen zijn tenen.

Voorovergebogen en met een van pijn vertrokken gezicht streek hij met zijn handen langs zijn enkels. Het leek hem toe dat een legioen venijnige duiveltjes met lange scherpe naalden in de bollen van zijn kuiten prikten. De pijn gaf hem een onbehaaglijk gevoel van verslagenheid. Hij wist wat die pijn betekende.

Wanneer een onderzoek slecht verliep en wanneer hij het idee had steeds verder van de oplossing weg te drijven, togen venijnige duiveltjes ten aanval en voelde hij zijn voeten. Hij blikte schuins omhoog naar zijn vrouw, die met een zware ketel heet water in haar hand voor hem stond.

“Moet er nog warm water bij?” vroeg ze bezorgd.

De Cock knikte.

“Doe wel voorzichtig, alsjeblieft.”

In zijn stem klonk angst.

Ze goot water in de teil.

“Nog meer?”

De oude rechercheur maakte een afwerend gebaar.

“Ik hoef niet levend gekookt te worden,” riep hij knorrig. “Ik ben geen kreeft.”

Mevrouw De Cock lachte. Ze kende de stemmingen van haar man en wist dat zijn slechte humeur meer met zijn werk dan met zijn voeten te maken had.

“Ben je er nog niet uit?” vroeg ze liefjes.

De Cock schoof zijn benen heen en weer.

“Waaruit?” vroeg hij overbodig.

“Die moorden op de directeuren van de Handgraaf Foundation.”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Vroeger leek het oplossen van een moordzaak op een kruiswoordpuzzel,” sprak hij mopperend, “nu zijn het cryptogrammen.” Hij trok zijn rechterbeen iets omhoog en liet het water van zijn voet druipen. “Vroeger droeg een crimineel een zwarte trui en had een baard van een paar dagen. Nu draagt hij een passende stropdas bij een kostuum van goede snit en is cleanshaven.”

Grommend trok hij zijn andere been uit het water en pakte een handdoek. Mevrouw De Cock stond er hoofdschuddend bij.

“Maak wat voort, Jurrian,” spoorde ze hem aan. “Je moet naar de Warmoesstraat.”

De Cock snoof.

“Ik ben avond aan avond op pad. Ze kunnen ‘s-morgens wel een uurtje op me wachten.”

Mevrouw De Cock zuchtte omstandig.

“Toe nou. Vledder heeft al een paar maal gebeld en gevraagd waar je bleef.”

De oude rechercheur keek op.

“Wat wil dat joch?”

Mevrouw De Cock bukte zich en nam de teil onder zijn voeten weg.

“Het is geen ‘joch’,” verbeterde ze bestraffend. “Hij is je collega. Een hardwerkende jongeman, aan wie je veel plezier beleeft. Hij was nogal enthousiast aan de telefoon en had het over een belangrijke ontwikkeling.”

De Cock bromde, liet zijn broekspijpen zakken en trok zijn sokken aan.

“Wat voor een ontwikkeling?”

“Dat heeft hij niet verteld. Hij zei alleen dat hij bezoek had gehad.”


Toen De Cock een uur later de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder zoals gewoonlijk achter het scherm van zijn computer. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over het toetsenbord. Toen hij de oude speurder in het oog kreeg, hield hij op en wachtte geduldig tot De Cock achter zijn bureau had plaatsgenomen.

“Je bent niet eens zo erg laat, vanmorgen. Als ik naar je gezicht kijk, ben je zelfs uren te vroeg. Lukt het niet om op gang te komen vandaag?”

De Cock leunde naar achteren in zijn stoel, stak zijn benen naar voren en wees.

“Ik had moeie voeten. Gisteravond al, maar ik was na het verhoor van Peter Freedestein te moe en te suf om erover na te denken. Ik ben in bed gerold en sliep direct. Vanmorgen voelde ik het weer. Toen heb ik mijn onwillige onderdanen eerst maar eens in een teil met warm water gezet.”

Vledder blikte hoofdschuddend en quasibezorgd naar hem op.

“Hoe is het nu?” vroeg hij net iets te liefjes.

De Cock kneep even in zijn kuiten en liet daarna zijn benen zakken.

“Het is weg!”

Het gezicht van Vledder klaarde op.

“Gelukkig…een pak van mijn hart.”

De Cock keek hem met enige achterdocht aan. Maar op het gezicht van de jonge rechercheur was geen spot te lezen.

“Je had vanmorgen al vroeg bezoek, zei mijn vrouw.”

“Ja, en je raadt het nooit…Smalle Lowietje.”

De Cock reageerde verrast.

“Was die hier aan de Kit’”

“Hij vroeg naar jou en hij was duidelijk teleurgesteld toen ik hem vertelde dat je er nog niet was.”

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

“Smalle Lowietje verlaat niet graag zijn etablissement. Hij wil hier aan de Kit niet gezien worden. Dat is slecht voor zijn klandizie.”

Vledder grinnikte.

“Hij was ook zo weer weg. Ik kreeg geen tijd om hem iets te vragen.”

“Wat had hij?”

Vledder trok een velletje met een aantekening naar zich toe.

“Ik heb het maar opgeschreven. Hij zei letterlijk: Bij de klapper hebben ze iemand misgekleund.”

“Hij heeft niet gezegd wie?”

“Nee.”

“Dan wist hij dat ook niet.”

De jonge rechercheur tikte met zijn wijsvinger op zijn velletje met de aantekening.

“Dit is abracadabra voor mij. Kun je dit voor me vertalen in begrijpelijke taal?”

De Cock knikte traag.

“Ze hebben iemand misgekleund. Iemand die absoluut recht had op een deel van de gewonnen grote prijs in de loterij,” sprak hij somber, “heeft men simpelweg niet laten meedelen in de poet.”

Vledder keek zijn oude leermeester onderzoekend aan.

“Vind je dat ‘miskleunen’ belangrijk? Ik bedoel, net zo belangrijk als Smalle Lowietje? Hij had er een vroege tocht naar ons politiebureau voor over.”

De Cock knikte nadrukkelijk.

“Tijdens ons laatste bezoek aan zijn vermaarde etablissement gaf Lowietje me al een hint in die richting. “Er was destijds iets,” zei hij, “met het verdelen van het geld.” Ik heb er toen weinig aandacht aan geschonken, maar Lowie is blijkbaar in die richting door gaan vragen in zijn kennissenkring.”

Vledder keek hem verwonderd aan.

“Waarom?”

De Cock trok een vies gezicht.

“In kringen van de penoze is miskleunen een zwaar vergrijp. Het belazeren van een compagnon in het kwaad wordt als verraad opgevat. Ik vermoed dat tal van de opzienbarende liquidatiemoorden van de laatste tijd te maken hebben met iets wat op miskleunen lijkt.”

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

“Hoe…eh, hoe komen we erachter,” sprak hij weifelend, “wie er in ons geval is misgekleund?”

De Cock antwoordde niet direct.

“Hoe laat is de sectie op het lijk van Derek van Achterdiep?”

“Al om twaalf uur.”

“Vroeg.”

“Vind ik ook, maar het kwam dokter Rusteloos het beste uit. Ik kan moeilijk in de agenda van de patholoog-anatoom kijken en zelf een tijdstip vaststellen.”

De Cock lachte.

“Zorg dat je op tijd bent.”

“En wat ga jij intussen doen?”

De Cock gebaarde voor zich uit.

“Ik ga een bezoek brengen aan de IJsselsteinse Bank.”

“Wat moet je daar doen?” vroeg Vledder hooglijk verbaasd.

De Cock stak zijn wijsvinger op.

“Je vergeet dat Victor Handgraaf, Cornelis Grijpskerk, Derek van Achterdiep en Peter Freedestein tezamen op een afdeling van die bank hebben gewerkt.”

De blik van Vledder verhelderde.

“En daar,” riep hij vrolijk, “een gigantische klapper uit de loterij hadden te verdelen.”

“Precies.”

“Trouwens, heb je gisteravond laat nog iets met die vierde man bereikt?”

De Cock knikte.

“Ik heb hem haarfijn en met overtuiging uiteengezet dat hij, Peter Freedestein, en hij alleen…er alle belang bij had om zijn drie mededirecteuren en mede-eigenaren stelselmatig uit de weg te ruimen om alleenheerser over de Foundation te worden.”

Vledder keek hem glunderend aan.

“En?”

De Cock glimlachte.

“Hij schrok zo van die directe beschuldiging, dat hij geen redelijke verdediging had. Hij kon mijn aantijgingen niet weerleggen.”

Vledder reageerde opgetogen.

“Hij bekende?”

“Nee, dan zat hij nu beneden in de cel en was de zaak opgelost. Hij ontkende met passie en overtuiging. Maar de angst voor mijn beschuldiging van een drievoucige moord zat zo diep, dat hij heeft toegezegd om ons hulp te verlenen…op welke manier dan ook…om de ware dader te ontmaskeren.”

“Daar ga je gebruik van maken?”

De Cock knikte traag.

“Als het zo uitkomt.”

De oude rechercheur keek op zijn horloge.

“Het wordt voor jou tijd om naar Westgaarde te gaan. Neem de Golf maar mee. Voor mijn corpulente habitus is een stevige wandeling naar de IJsselsteinse Bank aan de Herengracht een goede zaak.”


Ruim drie uur later bezag De Cock hoe Vledder opgewekt de grote recherchekamer binnenstapte. De jonge rechercheur liet zich op de stoel achter zijn bureau zakken.

“Dokter Rusteloos vroeg hoeveel waterlijken hij nog van ons te verwerken kreeg.”

De Cock glimlachte.

“Laten we hopen dat Van Achterdiep de laatste is. De moordenaar kan toch niet tot in lengte van dagen lijken in de Keizersgracht dumpen.”

“Er was wel een bijzonderheid,” zei Vledder. “Een afwijking van de twee vorige slachtoffers.”

“En wat is dat?”

“Van Achterdiep had geen leidingwater in zijn longen.”

De Cock reageerde verrast.

“Wat dan?”

Vledder grijnsde.

“Vuil, vies, grachtenwater.”

“Dan heeft de moordenaar een fase overgeslagen en het lichaam van Van Achterdiep in bedwelmde toestand — dus nog in leven — in de gracht gemieterd.”

“Maar dan vraag ik me toch af,” vroeg Vledder met wanhoop in zijn stem, “hoe de moordenaar zijn slachtoffers in zijn greep krijgt. Waar bedwelmt hij ze, en waarom dat malle gedoe met die gevouwen handen en vastgelijmde vingers?”

De Cock beet even op zijn onderlip.

“Ik hoop op die vragen van jou vandaag een afdoend antwoord te vinden.”

“Vandaag?”

De Cock knikte.

“Ik wacht op een telefoontje.”

“Van wie?”

“Van de vierde man.”

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

“Heb je weer met hem afgesproken?”

“Peter Freedestein bevindt zich op dit moment in het hoofdbureau van politie. Hij krijgt daar van onze technische dienst een apparaatje voor de binnenzak van zijn colbert. Hij hoeft er maar even met zijn vuist tegen te drukken en er gaat op onze gsm een alarm af.”

“Waarom een alarm?” vroeg Vledder.

De Cock maakte een afwerend gebaar.

“Dat zul je wel zien. Ik heb ook Appie Keizer en Fred Prins ingeschakeld. Appie verschijnt in zijn karakteristieke vermomming in de Oude Hoogstraat en Fred Prins bewaakt de Kloveniersburgwal.”

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

“Kloveniersburgwal…wat moet Fred Prins op de Kloveniersburgwal?”

De Cock zuchtte.

“Het woongedeelte achter het sigarenwinkeltje van Anton van Heusden is veel groter en veel uitgebreider dan ik vermoedde. Er is, zo bleek mij vanmiddag, zelfs een ingang aan de Kloveniersburgwal. En die ingang, of uitgang, zo je wilt, gaat Fred Prins bewaken.”

“Ben je daar gaan kijken?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Ik heb via het kadaster de eigenaar van het pand gevonden en die heeft me een plattegrond laten brengen.”

Vledder keek hem met grote ogen aan.

“En wat doen wij?”

De Cock glimlachte.

“In de Oude Hoogstraat op een eerste etage,” legde hij uit, “woont een man die ik een paar jaar geleden niet in de bajes, maar juist uit de gevangenis heb weten te krijgen door te bewijzen dat de aanklacht tegen hem vals was. Zijn woning mogen we als observatiepost gebruiken.”

“Observatie waarvan?”

De Cock spreidde zijn handen.

“De overkant, daar is het sigarenwinkeltje van Anton van Heusden.”


Ze hadden het licht in de voorkamer uitgedaan. Vanuit het duister keken ze naar de overkant van de straat naar de deur van de sigarenzaak. Er was nog vrij veel verkeer in de Oude Hoogstraat. Het feit dat hun uitzicht zo nu en dan werd belemmerd door voorbijrijdende vrachtauto’s, maakte De Cock wat nerveus. Hij schoof de mouw van zijn oude regenjas iets terug en keek naar zijn horloge. Het was te donker in de kamer om de tijd waar te nemen.

De oude rechercheur voelde hoe de spanning bezit van hem nam. Zijn hart bonkte in een hoog tempo en een ader pulseerde in zijn hals. Hij besefte dat het misschien niet goed was voor iemand van zijn leeftijd, maar hij kende de verslaving van deze momenten.

De gsm in de binnenzak van zijn regenjas kraakte. De stem van Appie Keizer kwam door.

“Er belt een man aan. Volgens mij is hij de man die jij bedoelt. Het signalement klopt.”

Het was even stil.

“De deur,” ging Appie Keizer verder, “wordt opengedaan en de man gaat naar binnen.”

Vledder stootte De Cock in zijn zij. “En nu?”

“Wachten op het alarm.”

“Hoelang kan dat duren?”

“Geen idee.”

“Op welk moment slaat die vierde man alarm?”

De Cock zuchtte.

“Wanneer een drankje voor hem wordt neergezet.”

“Een drankje?”

De Cock knikte.

“Met bedwelmend geehaabee.”

“Door wie?”

De Cock antwoordde niet, omdat op dat moment het alarm afging. Ze verlieten haastig de donkere kamer, daalden snel de trap af en renden tussen het verkeer door naar de overkant. De Cock had de juiste sleutelbaard al in zijn hand en binnen enkele seconden had hij de winkeldeur van het slot. Hij duwde Vledder aan zijn schouder.

“Ga jij maar voor en pak het klaargezette drankje. Dat is een belangrijk bewijs.”

Vledder stapte voor hem de winkel binnen.

Op dat moment rinkelde de deurbel.

Het hart van De Cock stond een moment stil. In zijn planning was hij die deurbel vergeten.

Achter in de zaak keek een man om de hoek en vluchtte. Vledder rende achter hem aan.

In de ruimte achter de winkel zat een man op een stoel. Voor hem op tafel lag een omgeworpen glas…rode vloeistof drupte van de tafel op de vloer.

Vledder rende verder achter de vluchtende man aan. Via de open achterdeur bereikte hij de Kloveniersburgwal. Op het trottoir lag Fred Prins boven op een man. Vledder hurkte bij hem neer en keek daarna omhoog naar de toegesnelde De Cock.

In de ogen van de jonge rechercheur glansde verbazing.

“Het is Anton van Heusden.”

De Cock knikte.

“Een drievoudige moordenaar, met een geloofsovertuiging.”

Загрузка...