3

Toen rechercheur De Cock de volgende morgen opgewekt de grote recherchekamer binnenstapte, wierp hij met een sierlijke boog zijn oude vilten hoedje naar de kapstok. Toen zijn trouwe hoofddeksel trillend aan een van de haken bleef hangen, stak hij zijn armen triomfantelijk omhoog en grinnikte van plezier.

De oude rechercheur deed daarna zijn verschoten regenjas uit, hing hem nonchalant op en slofte naar zijn bureau.

Zijn assistent Vledder zat gespannen en geconcentreerd achter het scherm van zijn computer. De lenige vingers van de jonge rechercheur dansten speels over het toetsenbord. Na ruim een minuut keek hij op. Zijn jonge gezicht stond ernstig.

“Je bent laat.”

Het klonk bestraffend.

De Cock blikte op zijn horloge.

“Ruim een halfuur,” gaf hij ruiterlijk toe.

Vledder schudde zijn hoofd.

“Je hoort hier om negen uur te zijn.”

De Cock glimlachte.

“Op de dag dat jij net zo oud bent als ik,” reageerde hij glunderend, “kun jij je ook die vrijheid van zo nu en dan te laat komen permitteren. Zo’n halfuurtje is een privilege van de ouderdom.”

Vledder gromde.

“Het is gewoon gebrek aan discipline.”

De Cock lachte luid.

“Discipline…dat woord heeft de huidige generatie al jaren geleden als overbodig uit ons nationale woordenboek geschrapt.”

Vledder tikte geïrriteerd met zijn wijsvinger een paar maal op het blad van zijn bureau.

“Ik ben hier altijd op tijd. Dat hoort. Daarvoor heeft de overheid mij ingehuurd.”

De jonge rechercheur zweeg even.

“Ik vond je gisteravond op de PD aan de Keizersgracht ook niet erg op dreef,” sprak hij zeurderig. “Spottende opmerkingen over een dode ben ik van jou niet gewend en toen ik je vanaf Westgaarde op weg naar de Kit wilde vertellen wat ik in de kleding van het slachtoffer had aangetroffen, wuifde je mijn woorden weg. Je wilde het niet horen”

De Cock knikte.

“Ik wilde naar huis. Ik was het zat.”

Vledder grijnsde.

“Je had meer belangstelling voor je glas chocolademelk thuis in de magnetron.”

De Cock spreidde zijn armen.

“Je hebt gelijk,” lachte hij vrolijk. “De warme chocolademelk was voor mij aanlokkelijker dan de perikelen rond het waterlijk.”

Vledder snoof.

“Dat was te merken.”

De Cock boog zijn hoofd.

“Zeur niet verder. Ik geef me gewonnen.”

De oude rechercheur trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

“Vertel het me nu maar,” opende hij vriendelijk. “Wat had het slachtoffer bij zich?”

Vledder raadpleegde zijn notities en schudde zijn hoofd.

“Het was zeker geen roofmoord,” sprak hij met overtuiging.

“Zeker niet. In zijn fraaie leren portefeuille zat ruim duizend euro aan contanten. Verder een creditcard, een goldcard van de Postbank, zijn giropas, rijn rijbewijs en zijn Nederlandse paspoort.”

“Ten name van?”

“Victor Handgraaf.”

De mond van De Cock zakte open.

“Hoe?”

Vledder keek hem verwonderd aan.

“Victor Handgraaf.”

De Cock stak zijn wijsvinger op.

“Uit Heemstede?”

Vledder trok zijn schouders op.

“Dat weet ik niet. Zijn adres heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik vond het wel opmerkelijk dat nog niemand zijn vermissing heeft gemeld bij de politie. Hij staat niet gesignaleerd.”

“Heeft hij een strafblad?”

“Ook niet.”

De Cock dacht even na.

“Op zo’n creditcard staan meen ik vier nummers. Geef die aan de Postbank door. Bij dat nummer behoort buiten de naam ook zeker een adres. En op de giropas staat een rekeningnummer dat ons beslist verder kan helpen.”

De oude rechercheur stak ineens met een brede grijns op zijn gezicht zijn armen naar voren.

“Bovendien moeten zijn volledige naam en adres op zijn rijbewijs staan.”

Vledder klapte met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd.

“Stom, ik heb nog niet naar dat rijbewijs gekeken.”

Met een kwade ruk trok hij een lade van zijn bureau open en pakte daaruit het nog doorweekte rijbewijs.

Verrast keek hij naar De Cock op.

“Die…eh, die Handgraaf,” stotterde hij, “woont inderdaad in Heemstede. Ken je hem?”

De Cock schudde zijn hoofd.

“Nee. Natuurlijk niet. Dan had ik toch gisteren bij de confrontatie met het lijk onmiddellijk gezegd wie die man was.”

Vledder keek hem verward aan.

“Hoe kom je dan aan Heemstede?”

De Cock zuchtte.

“Die junk, die veelpleger die ik gisteravond naar jouw idee te uitgebreid verhoorde, vertelde dat hij samenwoonde met een verslaafde jonge vrouw, genaamd Willemijn Handgraaf. Haar vader is volgens hem een schatrijke man en woont in een prachtige villa in Heemstede.”

Vledder kneep zijn ogen halfdicht en trok een dramatisch gezicht.

“Dan moet dat waterlijk haar vader zijn,” steunde hij.

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

“Informeer eens of er meer mannen net de naam Handgraaf in Heemstede wonen.”

“Dat zal ik doen, maar we kunnen er gerust van uitgaan dat het haar vader is.”

De Cock grinnikte.

“Dan hebben we een probleem.”

“Hoezo?”

“Willemijn Handgraaf wilde haar vader vermoorden als hij niets aan haar verslaving deed.”

“Wat? Vermoorden?”

De Cock glimlachte.

“Victor Handgraaf had zijn dochter in verband met haar drugsverslaving uit huis gezet. Na een reeks diefstallen van huisraad en een poging om met een vervalste handtekening bij de bank geld van zijn rekening te plukken, vond hij het genoeg.”

Vledder boog zich iets naar voren.

“Kunnen we die Willemijn als verdachte beschouwen, denk je?”

De Cock tuitte zijn lippen.

“Het gaat me te ver om haar nu al een redelijk vermoeden van schuld [3] toe te dichten. Ze zal ons over haar uitlatingen tegen haar vriend moeten verklaren. Ze mag ons vertellen wat ze precies bedoelde.”

“Heb je haar adres?”

“Ik heb het adres van haar vriend en daar wonen ze samen.”

Vledder kwam half uit zijn stoel overeind.

“Zullen we gaan?”

“Waarheen?”

“Naar dat adres.”

De Cock stak afwerend zijn hand op.

“Wacht even. Niet zo haastig. Heb je al contact gehad met dokter Rusteloos?”

“Ja. Daar ben ik vanmorgen mee begonnen.”

“Hoe laat is de sectie?”

“Vanmiddag om twee uur.”

“Dan heb ik eerst nog een missie voor je,” zei De Cock. “Voor je naar Westgaarde gaat, moet je eerst een monster nemen van het water van de Keizersgracht.”

“Wat moet ik daarmee?”

De Cock wuifde de vraag weg.

“Geef dokter Rusteloos straks de opdracht, of beter, vraag het hem vriendelijk, om een monster te nemen van het water in de longen van Victor Handgraaf. Jij moet er daarna voor zorgen dat beide monsters met een duidelijke toelichting bij het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk terechtkomen. Het lijkt me het beste dat je daarvoor de motordienst inschakelt.”

Vledder reageerde verbaasd.

“Waarom dat gedoe?”

De Cock trok een grimas.

“Dokter Den Koninghe, onze oude lijkschouwer, gaf me gisteravond een hint: die twee monsters zouden wel eens niet identiek kunnen zijn.”

Vledder keek zijn leermeester verrast aan.

“Handgraaf is toch in het water van de Keizersgracht verdronken?”

De Cock antwoordde niet.

Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt. Vledder riep: “Binnen!”

Het klonk niet vriendelijk.

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een brede, stevig gebouwde man. Kalm, met weloverwogen passen kwam hij naderbij.

Met zijn scherpe blik nam De Cock de man in zich op. Hij schatte hem op achter in de veertig. De man droeg een bruine trenchcoat met flappen op de schouders.

Onderweg naar het bureau van De Cock nam hij met een zwierig gebaar zijn regenhoedje af. Regendruppels kletterden op het balatum. De man had, zo constateerde De Cock, een regelmatig gevormd ovaal gezicht; iets getint. Vrij lang grijs golvend haar, een brede kin, een scherpe, spitse neus en opvallende lichtgroene ogen.

Bij het bureau van de grijze speurder bleef hij staan en liet zijn blik op de man daarachter rusten.

“Bent u rechercheur De Cock?”

De oude rechercheur knikte.

“Met uw welnemen. De Cock, met…eh, met ceeooceekaa.”

Hij wees voor zich uit naar Vledder.

“Mijn onvolprezen jonge assistent. Hij deelt al mijn ambtelijke geheimen.”

De bezoeker keek van De Cock naar Vledder en terug.

“Ik…eh, ik wilde even met u praten,” begon hij wat onzeker.

“Iemand zei me dat ik in het bureau Warmoesstraat het beste naar u kon vragen.”

De Cock wees naar de stoel naast zijn bureau.

“Neemt u plaats.”

De man deed zijn regenjas uit, vouwde de natte buitenkant naar binnen, ging zitten en legde de jas over zijn knieën.

“Ik ben Van Heusden…Arnold van Heusden, om precies te zijn,” meldde hij plechtig. “Ik heb in de Oude Hoogstraat op nummer 412 een kleine sigarenwinkel.”

De Cock glimlachte.

“Is daar nog wat mee te verdienen tegenwoordig?”

De heer Van Heusden schudde zijn hoofd.

“Door allerlei schrikaanjagende campagnes over een te verwachten dood na het roken, wordt het aantal gebruikers van tabakswaren steeds kleiner. Bovendien worden rookwaren zo zwaar belast, dat steeds meer mensen hun rookbehoefte niet meer kunnen bekostigen.”

“Geen vetpot dus?”

Van Heusden trok een grijns.

“Om het hoofd boven water te houden verkoop ik er af en toe wat wiet bij.” Hij krabde even achter in zijn nek. “Ik zal u niet vertellen waar ik dat spul vandaan haal, maar dat vormt tot nu toe geen probleem.”

De Cock spreidde zijn handen.

“Ik zal u er niet naar vragen,” reageerde hij vriendelijk. “Wat…eh, wat komt u mij wel vertellen?”

Arnold van Heusden verschoof iets op zijn stoel.

“Met een van die wietgebruikers heb ik een min of meer vertrouwelijke relatie opgebouwd. Het is een aardige jongen, waar geen kwaad bij zit. Ik wil ook niet dat hij in de problemen komt.”

De Cock keek de man onderzoekend aan.

“Is daar kans op?”

Op het gezicht van de man verscheen een pijnlijke trek.

“Je vraagt je af hoeveel weerstand zo’n jongen heeft. Wat kan die knaap verwerken? En, heel belangrijk, hoe groot is de verleiding?”

De Cock grinnikte.

“Wie is de verleider?”

“Verleidster.”

“Een vrouw?”

Arnold van Heusden knikte.

“Een jonge, aan de drugs verslaafde vrouw, dochter van een puissant rijke man in Heemstede.”

De Cock spitste zijn oren.

“Heemstede?”

“Ja.”

“Waarmee verleidt zij hem?”

“Geld.”

“Heeft ze dat?”

Van Heusden schudde zijn hoofd.

“Ik zei al, haar vader is stinkend rijk. Haar moeder is een paar jaar overleden en zij is enig kind.”

“En?”

“De dochter erft bij het overlijden van haar vader zijn gehele vermogen.”

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

“Met de consequentie dat het voor dochterlief aangenaam zou zijn als vader heel snel het leven liet.”

Arnold van Heusden knikte.

“Precies, u zegt het, heel snel. Ze heeft die jongen, van wie ik u sprak, vijftigduizend euro aangeboden om haar vader van kant te maken. Dat geld krijgt hij als zij na het overlijden van haar vader over zijn gehele vermogen kan beschikken.”

“Allemachtig.”

“Inderdaad. Het is om van te schrikken. Ik heb de jongeman aangeraden om elk contact met die drugsverslaafde vrouw te mijden.”

“Lukt dat?”

Van Heusden trok een bedenkelijk gezicht.

“Ze laat hem vrijheden toe.”

“Zoals?”

“Welke vrijheden heeft een knappe jonge vrouw te bieden?” sprak Van Heusden glimlachend.

De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn brede gezicht.

Daarna boog hij zich iets naar hem toe.

“Weet u ook de naam van die rijke vader?”

“Ja, hij heet Handgraaf, Victor Handgraaf, uit Heemstede.”

Hij zuchtte en schudde zijn hoofd.

“Ik wilde met dit verhaal niet naar de recherche. Ik heb geprobeerd om die man te bereiken. Ik wilde hem waarschuwen en vertellen dat zijn leven gevaar liep. Ik wilde aan hem de keus laten om aangifte tegen zijn dochter te doen.”

“En?”

De heer Van Heusden schudde opnieuw zijn hoofd.

“Het is me niet gelukt. Die Victor Handgraaf is, zo ben ik te weten gekomen, mede-eigenaar van een grote textielonderneming. Ik heb contact gezocht met dat bedrijf. De directeur met wie ik sprak, wist niet waar ik Handgraaf kon bereiken. Volgens de directeur was hij op zakenreis, vermoedelijk ergens in China.”

De Cock snoof.

“Moeilijk zoeken.”

Arnold van Heusden knikte.

“Mijn komst naar u hier in bureau Warmoesstraat is in feite een noodsprong. Ik wil voorkomen dat die jongen in moeilijkheden komt. Als hij voor de verleiding van die jonge verslaafde vrouw bezwijkt, betekent dat ongetwijfeld het einde.”

“Hoe bedoelt u?”

“Ik acht hem niet in staat om een eventuele moord ongemerkt en ongestraft uit te voeren.”

De Cock grimaste en trok zijn schouders op.

“Als ik iets tegen de dochter van die rijke Victor Handgraaf wil ondernemen, dan zult u mij toch de naam van de door haar benaderde jonge wietgebruiker moeten noemen.”

Van Heusden schudde zijn hoofd.

“Dat doe ik niet,” riep hij geëmotioneerd. “Dat kan ik niet doen. Tussen mij en die jongen bestaat een relatie van respect en vertrouwen. Ik kan dat niet schenden. Je kunt me een ouderwetse moraalridder noemen, wat natuurlijk niet geheel klopt, maar ik heb zo mijn principes. Ik ga u de naam van die jongen niet prijsgeven. Absoluut niet. Ik ben dan mijn geloofwaardigheid kwijt.”

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

“Ik ben een rechercheur van politie. Ik moet een bewijsvoering opbouwen. Dat is mijn taak. Als ik met het verhaal dat u mij hebt geopenbaard, de dochter van die rijke man uit Heemstede benader en zij ontkent, dan is dat voor mij einde verhaal. Ik heb dan geen mogelijkheden meer om die jongedame onder druk te zetten.”

Arnold van Heusden stond op.

“Dat is uw probleem. Ik heb aan mijn verhaal niets toe te voegen.” Hij knikte naar De Cock.

De Cock wees naar de stoel naast zijn bureau.

“Gaat u weer zitten. Misschien kan ik u toch tot andere gedachten brengen.”

Arnold van Heusden nam weer plaats.

“Dat betwijfel ik.”

De Cock keek de man veelbetekenend aan, rechtte zijn rug en zweeg even voor het effect.

“Gisteravond hebben we het lijk van Victor Handgraaf uit het water van de Keizersgracht opgevist.”

Загрузка...