“Gedrogeerd?”
De Cock zwaaide.
“Absoluut! Met dat gore spul…dat afschuwelijke geehaabee.”
“Waarom?”
De Cock grijnsde breed.
“Volgens mij een overbodige vraag. Een vraag waarop maar één antwoord mogelijk is: om het slachtoffer weerloos te maken.”
“Weerloos…je bedoelt rijp voor een volgende behandeling…en wel: verdrinking.”
“Precies.”
Vledder trommelde met zijn wijsvinger op het voor hem liggende rapport.
“Gruwelijk. Verwacht je dat ook het tweede slachtoffer, Cornelis Grijpskerk, werd gedrogeerd?”
De Cock knikte traag.
“Ik neig ertoe om aan te nemen dat Victor Handgraaf en Cornelis Grijpskerk allebei van hetzelfde drankje hebben gedronken.”
Vledder zuchtte.
“Een door de geheimzinnige moordenaar, of moordenares — jij zegt toch altijd dat vrouwen graag gif gebruiken — zorgvuldig bereide consumptie.”
De Cock knikte.
“Een drankje sluw vermengd met het uiterst verraderlijke GHB.”
De oude rechercheur stond van zijn bureaustoel op, slenterde met lome passen naar de kapstok en schoof zijn oude hoedje over zijn grijze haren.
Vledder kwam hem achterna.
“Waar ga je heen?”
De Cock draaide zich naar hem om.
“Ik ga met jou mee.”
Vledder keek hem ongelovig aan.
“Naar Westgaarde bedoel je? Voor de sectie?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Nee, daar heb ik echt geen zin meer in,” sprak hij afwijzend.
“Ik heb in mijn lange leven bij de recherche genoeg gerechtelijke secties bijgewoond. Ik ken de procedure en weet hoe een lijk er vanbinnen uitziet.”
Vledder grinnikte.
“Je moet de routine bijhouden.”
De Cock negeerde de opmerking.
“Ik wil dat jij me op weg naar het sectielokaal even in de Vondelstraat in de buurt van perceel 753 afzet.”
“Wat is daar?” vroeg Vledder.
De Cock trok zijn regenjas aan.
“In de Vondelstraat woont Derek van Achterdiep met zijn vrouw. Weet je nog? Jouw holle bolle Gijs, een van de topdirecteuren van de Handgraaf Foundation. Ik wil weten of hij intussen al terecht is.”
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
“Verwacht je dan dat hij is verdwenen.”
“Ja.”
“Voorgoed? Je bedoelt vermoord?”
“Precies.”
De Cock haalde zijn schouders op.
“Dat is heel goed mogelijk. Als de moordenaar erop uit is om de gehele Handgraaf Foundation stuurloos te maken, dan is het laten verdwijnen van Derek van Achterdiep een doelgerichte actie.”
Vledder keek hem onderzoekend aan.
“Zie jij het stuurloos maken van de Handgraaf Foundation als een motief?”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Wat moet ik er anders van denken. Vanaf de moord op Victor Handgraaf zoek ik naar een begrijpelijk motief…probeer ik de drijfveren van de dader te ontrafelen.”
Vledder zuchtte.
“Misschien kan de vrouw van Derek van Achterdiep enige opheldering brengen.”
“Dat hoop ik.”
Vledder hield zijn hoofd iets schuin.
“Haal ik jou na afloop van de sectie weer op in de Vondelstraat?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik ga wel met de tram terug naar de Kit.”
De oude rechercheur stak zijn wijsvinger omhoog.
“Als je straks op Westgaarde bent, bedank dan de patholooganatoom dat hij zo attent was om bij de gerechtelijke sectie van Victor Handgraaf zelf al aan een toxicologisch onderzoek te denken.”
Vledder knikte.
“Dat doe ik.”
“Ik was op dat moment nog niet zover,” sprak De Cock verontschuldigend. “Vraag aan dokter Rusteloos waarom hij na afloop van de gerechtelijke sectie wel aan een mogelijke bedwelming dacht.”
Vledder trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
“Ik…eh, ik denk,” sprak hij schuchter, “dat ik het antwoord wel weet.”
“Nou?”
De jonge rechercheur sloeg zijn hand tegen zijn borst.
“In de longen van het slachtoffer trof hij geen vervuild water uit de gracht aan.”
De ogen van De Cock lichtten op.
“Heel goed, Dick,” riep hij bewonderend. “Heel goed. Erg knap. Schrander. Dokter Rusteloos zocht een antwoord op de vraag hoe bij een drenkeling uit de gracht het water in de longen zo helder kon zijn.”
Vledder glimlachte.
“En dus dacht hij aan bedwelming vooraf.”
De Cock ademde diep.
“Bedwelming voordat het slachtoffer verdronk. Dat is slim van dokter Rusteloos.”
Vledder grinnikte.
“Verdronken in leidingwater?”
De Cock stak zijn handen open naar voren.
“Die analyse hebben we nog niet.”
De oude rechercheur keek toe hoe Vledder enkele uren later vrij opgeruimd de grote recherchekamer binnenkwam en met een vrolijke grijns op zijn gezicht achter zijn bureau ging zitten.
“Dokter Rusteloos was erg ingenomen met jouw compliment, dat hij als patholoog-anatoom eerder aan de mogelijkheid van bedwelming dacht dan jij. ‘Zijn wij als lijkensnijders toch nog ergens goed voor’, reageerde hij spottend.”
De Cock glimlachte vermoeid.
“Hoe was vanmiddag de sectie op het lijk van Cornelis Grijpskerk?”
“Niet verrassend,” antwoordde Vledder. “Een getrouwe kopie van de moord op Victor Handgraaf.”
De Cock knikte begrijpend.
“Gevouwen handen met vastgelijmde vingers, zoals we al dachten, en helder water in de longen?”
“Precies.”
“Of ook hij met GHB werd gedrogeerd moeten we nog afwachten.”
“En voor een uitgebreid toxicologische onderzoek gaan de gebruikelijke lijkdelen van Grijpskerk via dokter Rusteloos naar het lab in Rijswijk. Normale procedure.”
De jonge rechercheur boog zich naar voren.
“Heb je nog iets bereikt bij je bezoek aan de vrouw van Derek van Achterdiep?”
De Cock maakte een lichte schouderbeweging.
“Hij is weg.”
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
“Van Achterdiep is nog steeds niet boven water?”
“In het verband van ons onderzoek klinkt dat niet zo grappig, Dick. Laten we het zo zeggen, zijn vrouw heeft na zijn vertrek niets meer van hem vernomen.”
“Weet ze ook niet waar hij naartoe is gegaan, of hij een afspraak met iemand had, een of ander plan?”
De Cock zuchtte.
“Hij is ‘s-morgens net na negen uur zonder iets te zeggen — zelfs zonder een gemompeld afscheid, zei ze — te voet van huis vertrokken. Zijn auto, een Mercedes, staat nog voor de deur geparkeerd. Het gebeurde volgens haar wel vaker dat hij met de tram naar het kantoor van de Foundation aan de Keizersgracht ging — ”
“Heeft ze bij de politie van haar district melding van zijn vermissing gedaan?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik heb haar aangeboden dat te doen, maar dat wil ze niet…nog niet. Ze is er heilig van overtuigd dat haar man een dezer dagen weer komt opdagen.”
Vledder snoof.
“Als je mij vraagt…een ijdele gedachte. Ik denk eerder aan bovendrijven.”
De Cock negeerde de opmerking.
“Ik heb nog naar de geloofsovertuiging van Derek van Achterdiep gevraagd.”
“Wat zei ze daarop?”
De Cock glimlachte.
“Zo’n dertig jaar geleden zijn de heer en mevrouw Van Achterdiep, bezield van vrome gedachten, wel in de kerk getrouwd, maar of die inzegening de basis van een gelukkig huwelijk was, waag ik te betwijfelen.”
“Waar leid je dat uit af?” vroeg Vledder.
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
“Ze was niet echt bedroefd of angstig. Ook niet bezorgd. Ze sprak nogal afstandelijk over haar man. Zonder emotie. Ik heb haar niet één keer zijn voornaam horen gebruiken.”
Vledder grinnikte.
“Maar ze is ervan overtuigd dat hij wel weer boven water komt?”
De Cock grinnikte droog.
“Ik ook.”
Vledder keek hem verwonderd aan.
“Hoezo, jij ook?”
De Cock knikte opnieuw. Hij keek op zijn horloge, kwam uit zijn stoel overeind en liep schommelend naar de kapstok.
Vledder kwam hem achterna.
“Waar ga je heen?”
De Cock gebaarde voor zich uit.
“Na mijn teleurstellende bezoek aan mevrouw Van Achterdiep heb ik iets georganiseerd.”
“Wat?”
“We gaan varen.”
Vledder trok een gek gezicht.
“Varen? Je zal toch niet bedoelen dat we er een dagje van gaan maken?”
De Cock glimlachte.
“Wil je met de rondvaartboot? Dat doe je dan maar in je eigen tijd. Nee, we gaan varen met een schuit van de Rijkspolitie te Water.”
“Waarheen?”
“Naar de onheilsplek aan de Keizersgracht waar Victor Handgraaf en Cornelis Grijpskerk met gevouwen handen boven kwamen drijven. Daar gaan we dreggen.”
Vledder knikte met een opgetrokken neus.
“Een stinkende klus, De Cock. Je wilt kijken of het lukt om daar ook Derek van Achterdiep letterlijk boven water te halen.”
Toen De Cock, gevolgd door Vledder, het kantoor van de Rijkspolitie te Water aan de Westerdoksdijk binnenstapte, blikte hij verbaasd naar de lange statige man die vanachter zijn bureau was opgestaan.
“Rijpkema!” riep hij verrast. “Hans Rijpkema.”
De man liep op hem toe en knikte traag.
“Je hebt nog steeds een goed geheugen voor gezichten,” stelde hij kalm vast.
De Cock glimlachte.
“En voor namen,” reageerde hij gevleid. “Een prettige beroepsdeformatie.” De oude rechercheur bezag de man enige ogenblikken met volle aandacht. Zijn scherpe blik gleed langs de wilskrachtige kin omhoog naar de staalblauwe ogen.
“Je ziet er goed uit,” sprak de grijze speurder bewonderend. Hij schudde zijn hoofd. “Hans Rijpkema,” herhaalde hij met een zucht. “Ik wist nietdat je nog leefde.”
De lange man grijnsde. Met gespreide vingers streek hij door zijn zilvergrijze haren, die bijna tot zijn schouders reikten.
“Als ik ‘s-morgens in de krant mijn naam niet bij de overlijdensberichten zie staan,” sprak hij opgewekt, “begin ik elke dag weer met kinderlijk plezier.”
De Cock keek hem even aan, beluisterde de toon, maar reageerde verder niet. Hij wees voor zich uit.
“Ken je Dick Vledder…hoop des vaderlands…sinds jaar en dag mijn onvolprezen hulp en ooit misschien mijn opvolger?”
Vledder stond er ongemakkelijk bij te grinniken.
Rijpkema fronste zijn wenkbrauwen.
“Was hij al bij ons toen ik wegging?”
“Hij is kort nadat jij vertrok bij ons gekomen.”
De Cock wuifde om zich heen.
“Hoe kom je hier terecht? Ik wist niet dat je bij de Rijkspolitie te Water was ingedeeld. Volgens mijn laatste informatie zat je bij de paarden.”
“Het Korps Landelijke Politiediensten,” verbeterde Rijpkema.
“Dienst Levende Have.”
De Cock grijnsde.
“Je zat toch op een paard?”
Hans Rijpkema lachte.
“Paarden behoren ook tol de levende have. Ik heb daar jaren met plezier dienstgedaan, tot ik in de leiding een jonge vrouw boven me kreeg aangesteld, met wie ik het niet zo goed kon vinden.”
De Cock knikte begrijpend.
“Toen stapte je van de paarden over op de golven van het Amsterdamse watergebied.”
“Sinds kort. Maar dat is geen bezwaar. In de tijd dat ik met jou aan de Warmoesstraat zat, heb ik de grachtengordel goed leren kennen.”
“Je weet dus waar je de Keizersgracht kunt vinden?”
“Blindelings.”
De Cock glimlachte.
“Ik zou mijn ogen er toch maar bij openhouden.”
Met een kleine boot zonder opbouw en een pruttelende motor voeren ze vanaf de Westerdoksdijk over het IJ naar de Westelijke Doorgang. Terwijl in de doorgang de treinen boven hun hoofd raasden bereikten ze het water van de Singel. Daar voeren ze rechtsaf de Brouwersgracht op. Onder enkele lage bruggen door bereikten ze de Keizersgracht. Voor de Leliegracht bracht Hans Rijpkema op verzoek van De Cock de kleine politieschuit tot stilstand.
De oude rechercheur gebaarde als een kapitein voor zich uit, vond Vledder. Het was wel een aardige onderbreking van hun dagelijkse bezigheden. Als rechercheur had hij zelden op een politievaartuig meegevaren.
“Ongeveer op die plek,” wees De Cock, “met een dag verschil, vonden we twee waterlijken.”
Rijpkema keek naar hem op.
“Heb je nog steeds zo’n pest aan waterlijken?”
De Cock grinnikte.
“Heb je dat onthouden?”
“Je was er berucht om,” zei Rijpkema. “Om je te pesten hebben we je wel eens een waterlijk in de schoenen geschoven waarop je feitelijk geen recht had.”
“Lekkere jongens.”
Rijpkema lachte.
“Alleen om jou te horen razen.”
“Bij beide lijken,” ging De Cock onverstoord verder, “waren de veters van de schoenen stevig aan elkaar geknoopt en lagen de handen gevouwen op de borst. Zoals later bleek waren de vingers van de handen aan elkaar gelijmd.”
“Huh, gruwelijk.”
De Cock knikte.
“Ik ben er haast van overtuigd dat op dezelfde plek, hier in de gracht, een derde lijk in het water is gedumpt.”
“Kortgeleden?”
“Ja.”
“Groot van postuur?”
De Cock glimlachte.
“Een zwaargebouwde man. Vledder typeerde hem als een holle bolle Gijs.”
“Dan dreggen we niet al te diep,” antwoordde Rijpkema. “We moeten vermijden dat we allerlei vuile troep loswoelen en boven water halen. Daar hebben we niets aan.”
Na tientallen vergeefse pogingen hield Hans Rijpkema een korte pauze. Hij keek De Cock onderzoekend aan.
“Je ziet geen spoken?”
De Cock grijnsde.
“Zag ik ze ooit wel eens?”
Rijpkema schudde zijn hoofd en zette zijn werk voort.
Na ruim een uur haalde de dreg het lichaam van een man boven water. Hans Rijpkema legde heel professioneel het wat gezwollen lijk met een touw aan de politieboot vast.
Vledder zakte door zijn knieën en boog zich over de rand. Hij keek schuin omhoog naar De Cock.
“Je hebt weer eens gelijk gekregen, baas. Het is Derek van Achterdiep…met gebonden schoenveters en gevouwen handen op zijn borst.”