De twee rechercheurs reden in hun oude Golf vanaf de glibberige houten steiger achter het politiebureau weg naar de Oudebrugsteeg en gingen vandaar rechtsaf de rijbaan van het Damrak op. Een fluweelzachte motregen daalde neer. Veelkleurige lichtreclames spiegelden speels in het natte asfalt. Kleverige regendruppels op de voorruit van de Golf belemmerden het uitzicht. Vledder deed de ruitenwissers aan en De Cock trok zijn hoedje over zijn ogen.
De oude rechercheur had een hekel aan die gestaag heen en weer zwiepende ruitenwissers. Hij had de onweerstaanbare neiging om de bewegingen van de wissers met zijn hoofd te volgen.
Het was voor hem een bijna dwingende, hypnotische beleving, daarom vermeed hij het te kijken naar de ruitenwissers en liet zich ver onderuitzakken.
Vledder blikte bezorgd opzij; zijn stemming was omgeslagen.
“Problemen met de ruitenwissers?”
De Cock knikte.
“Zoals gewoonlijk. Ik heb daar een hekel aan.”
Vledder glimlachte.
“Wat doe je als je zelf achter het stuur zit en het begint te regenen?”
“Dan let ik op het verkeer en storen die ruitenwissers me niet.”
Vledder grijnsde.
“Ik vind het een vreemde afwijking.”
De Cock knikte gedwee.
“Ik heb er meer.”
Vledder lachte vrolijk.
“Zeker. Ik ken je langer dan vandaag. Wat heb je met je arrestant gedaan?”
“Die junk?”
“Ja.”
De Cock grijnsde breed.
“Wat een officier van justitie in zijn almachtige wijsheid kan…kan ik ook.”
“Je bedoelt?”
“Heenzenden.”
“Echt?”
De Cock knikte.
“Ik heb tegen onze wachtcommandant gezegd dat hij de arrestant zijn fouillering kon teruggeven en hem daarna mocht laten gaan.”
“Krijg je daar geen last mee?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik vermeld dat heenzenden van mijn arrestant heel duidelijk in het proces-verbaal…een proces-verbaal dat de officier van justitie seponeert…dat hij in een soort administratieve prullenbak smijt en toch niet leest.”
De ironie en de herhaling van zijn eigen beweringen ontging Vledder niet, maar daar wilde hij het niet meer over hebben.
“En onze commissaris?” vroeg hij.
De Cock grinnikte.
“Buitendam let nergens op. Die komt pas in actie om me te berispen als een of andere officier van justitie hem wakker schudt.”
“Heb je nog een dokter voor die jongen gewaarschuwd?”
De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.
“Toen ik hem zei dat ik hem ogenblikkelijk in vrijheid zou stellen, had Laurens van der Dungen ineens geen dokter meer nodig.”
Vledder snoof.
“Allicht niet. Buiten zijn drugsverslaving mankeert hij ook niets.”
Ze reden een tijdje zwijgend voort. Het was Vledder die de stilte verbrak. Hij trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
“Heb je wel eens,” vroeg hij peinzend, “terugblikkend op het verre verleden, een geval van een waterlijk behandeld waarbij de veters van de schoenen stevig aan elkaar waren gebonden?”
De Cock grinnikte droogjes.
“Nee. Het leven van een rechercheur aan de Warmoesstraat zit weliswaar vol verrassingen, maar dat van die schoenveters ben ik nog niet eerder tegengekomen.” Hij plukte even gniffelend aan zijn neus. “Wel heb ik van oude rechercheurs vaak het lachwekkende verhaal gehoord dat ze vroeger, als ze een waterlijk van het mannelijk geslacht vonden, vaak de gulp van zijn broek openmaakten.”
Vledder keek verwonderd opzij.
“Zijn gulp?” vroeg hij. “Waarom?”
De Cock spreidde zijn handen.
“Dat moest dan als bewijs dienen voor het feit dat het slachtoffer halfbezopen aan rand van de gracht had staan pissen.”
“Staan pissen?”
De Cock knikte.
“Tijdens dat pissen zou hij dan in de gracht zijn gevallen en met zijn zatte kop zijn verdronken. De mogelijkheid dat de man door een misdrijf om het leven was gekomen, sloten ze op die manier uit. En daarmee bespaarden die oude rechercheurs zichzelf een hoop werk.”
“Niet te geloven,” sprak Vledder gniffelend.
De Cock tuitte zijn lippen.
“Die oude rechercheurs,” grinnikte hij, “van wie ik in mijn jonge jaren nog uitgebreid les heb gekregen, vertelden vaak de wonderlijkste dingen. Wanneer bijvoorbeeld een lijk boven water kwam in een gracht die de scheiding vormde tussen twee districten, dan duwden ze het waterlijk naar de andere kant van de gracht.”
Vledder lachte.
“Dan waren zij er vanaf.”
“Precies.”
“Ongelofelijk.”
De Cock plukte aan zijn neus.
“Die oudjes beschikten in ieder geval over een uitgebreide trukendoos.”
“Dan heb je dat in elk geval van ze overgenomen, De Cock.”
De oude speurder reageerde niet.
Na een korte stilte vroeg Vledder:
“Wat denk je van die vastgeknoopte schoenveters?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Het hoeft geen moord te zijn.”
“Wat dan?”
“Zelfmoord.”
Vledder blikte weer even opzij.
“Dan ga je uit van de veronderstelling dat het slachtoffer zelf zijn schoenveters aan elkaar heeft geknoopt voor hij in het water sprong?”
De Cock glimlachte.
“Ik geef toe dat dit niet erg waarschijnlijk klinkt. Maar het is een mogelijkheid. Ook zelfmoordenaars komen soms tot vreemd gedrag. Ongelofelijke capriolen. Ik kan je daar staaltjes van vertellen.”
Vanaf de Brouwersgracht reden ze de Keizersgracht op. Nog voor de Leliegracht stond aan de waterkant een wagen van de Geneeskundige Dienst met open deuren. Een surveillanceauto van de politie met blauw zwaailicht stond erachter.
Vledder parkeerde zijn Golf bijna tegen de bumper van de politiewagen.
De rechercheurs stapten uit. Een jonge diender liep op De Cock toe en wees naar het nog druipende lichaam van een man, dat aan de waterkant lag.
“Ik heb de wachtcommandant gevraagd of hij de meute wilde waarschuwen.”
“Jij dacht aan een misdrijf?”
“Ja. Die veters. Dat zinde me niet.”
“En?”
De diender schudde zijn hoofd.
“‘Wacht maar op De Cock,’ zei hij.”
De oude rechercheur liet het licht van zijn zaklantaarn over het lichaam glijden. Hij liet het ovaal rusten op de gevouwen handen.
Vledder keek over zijn schouder mee.
“Hij ligt er vredig bij. Gevouwen handen op zijn borst. Het lijkt wel of hij daar aan de rand van de gracht devoot ligt te bidden.”
De Cock gromde.
“Daar is hij dan verrekte laat mee.”
“Hoe bedoel je?”
De Cock wuifde naar de hemel.
“Onze-Lieve-Heer heeft allang over hem geoordeeld: de hemel, de hel of het vagevuur. Hij zal hem wel ergens hebben ingedeeld.”
“Gaat dat zo snel?”
“Onze-Lieve-Heer beschikt over een gesloten feitenkennis, zonder lacunes. Gerechtelijke dwalingen zijn bij Hem uitgesloten. Bovendien had Hij de tijd. Ik schat dat deze heer al enige dagen dood is. Waterlijken hebben een paar dagen nodig om op te duiken.”
Vledder snoof. “Als deze man tot zelfmoord had besloten, kon hij zijn handen toch hebben gevouwen op het moment dat hij in het vieze grachtenwater sprong…en meteen een vurig gebed hebben gepreveld voor een behouden landing?”
De Cock knikte. “Dat kan, maar op het schrikmoment, het moment dat een mens het kille water van de gracht bereikt, blijven zijn handen niet gevouwen. Dat kan niet, dat is niet natuurlijk. Over zoveel wilskracht beschikt een normaal mens niet meer in zijn laatste momenten.”
Hij zweeg even en wees naar zijn schoenen.
“Om voor zijn dood ook nog even zijn veters los te knopen,” sprak hij bijna spottend, “had hij blijkbaar geen tijd meer.”
Vledder blikte opzij. “Wat ben je cynisch vanavond. Zo afstandelijk en kil. Zo ken ik je niet.”
“Ik heb vanaf het begin van mijn loopbaan bij de recherche al een hekel aan waterlijken,” mopperde De Cock.
“Waarom?”
“Er zitten altijd enige dagen tussen het moment van overlijden en het tijdstip dat men als rechercheur met het lijk wordt geconfronteerd. De waarheid is in de meeste gevallen moeilijk te achterhalen.”
De jonge rechercheur had naar de uitleg geluisterd; nu wees hij naar de gevouwen handen van de man.
“Dat is dus verdacht?” vroeg hij onzeker.
De Cock zuchtte diep.
“Voor mij wel. Ik geloof niet in de zelfmoord van een biddende man. Ik geloof ook niet in een ongeval. Deze man is vermoord.”
Vledder grijnsde. “Rest ons de vraag: hoe?”
“Dat is voor mij voorlopig nog een raadsel. En dat raadsel wordt nog groter als blijkt dat hij water in zijn longen heeft.”
“Dan stierf hij een verdrinkingsdood.” concludeerde Vledder.
“Precies.”
Vledder keek De Cock van terzijde meesmuilend aan.
“Met stevig vastgebonden schoenveters en devoot gevouwen handen?”
De oude rechercheur streek met zijn hand langs zijn nek.
“Het lijkt onmogelijk.”
“En is dat ook, eh…onmogelijk?”
De Cock stak zijn kin iets omhoog, maar reageerde niet. Hij slofte van het slachtoffer weg naar de broeders bij de wagen van de Geneeskundige Dienst.
“Kunnen en willen jullie die dode man naar het sectielokaal op Westgaarde brengen?” vroeg hij vriendelijk.
De oudste broeder keek De Cock verwonderd aan.
“Deze wagen van de Geneeskundige Dienst heeft materiaal voor het opvissen van waterlijken uit grachten en kanalen. Voor transport is hij niet ingericht.” Hij zweeg en glimlachte kort.
“Maar als u de verantwoording neemt…” Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock knikte bedaard.
“Die verantwoording neem ik. Wij rijden met onze Golf straks achter u aan,” zei hij, en vervolgens stapte hij naar de jonge diender.
“Laat de wachtcommandant de meute waarschuwen, niet voor deze plek op de Keizersgracht, maar het sectielokaal op Westgaarde. Daar hebben we genoeg licht om het slachtoffer nog eens goed te bekijken.”
Bram van Wielingen, de politiefotograaf, kwam met grote stappen het sectielokaal binnen. Hij zette zijn aluminium koffertje op de stenen vloer en liep op De Cock toe.
“Sinds wanneer breng je jouw slachtoffers direct naar Westgaarde?” vroeg hij opgewonden. “Is de PD voor jou niet meer heilig?”
De Cock glimlachte. “De plaats delict is voor mij nooit heilig geweest. Ik had op de Keizersgracht aan de rand van het water naar mijn gevoel te weinig licht en de toestand van het waterlijk riep bij mij zoveel vragen op, dat het me beter leek om het rechtstreeks naar Westgaarde te brengen. Morgen moet hij hier toch onder het mes.”
Bram van Wielingen blikte om zich heen. “Is Vledder niet hier?”
“Dacht je dat ik dit niet alleen af kon?”
Van Wielingen negeerde de opmerking. “Waar heb je het lijk gelaten?”
De Cock wees. “Daar, op die granieten sectietafel.”
Van Wielingen pakte zijn aluminium koffertje op en liep met hem mee. De fotograaf liet zijn blik over het lijk glijden.
“Hebben ze hem zo uit de gracht gevist?” vroeg hij verbaasd.
De Cock knikte.
“Met gevouwen handen?”
De Cock knikte opnieuw. “En de veters van zijn schoenen zijn stevig aan elkaar geknoopt.”
Bram van Wielingen gromde. “Verrek. Dat ben ik nooit eerder tegengekomen.”
“Ik ook niet.”
De fotograaf wees naar het lijk. “Hij zit goed in het pak. Je moet eens kijken naar de coupe…de pasvorm. Dat is beslist geen confectie. Ondanks ettelijke dagen in het vieze water van de gracht ziet het er nog gaaf uit.”
De Cock glimlachte. “Een man met geld?”
Van Wielingen trok zijn schouders op. “Een duur kostuum,” antwoordde hij ontwijkend. “Hoe oud schat je hem?”
“Dat kostuum?”
De fotograaf maakte een afwerend gebaar. “Hè, klets niet. Die vent natuurlijk.”
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. “Achter in de veertig?”
Van Wielingen knikte instemmend. “Weet je al wie hij is?”
De Cock schudde zijn hoofd. “Vledder zou kijken of het slachtoffer papieren bij zich heeft, een portefeuille of zo. Ik weet niet of hij dat al heeft gedaan.”
Bram van Wielingen pakte zijn koffertje, nam daaruit zijn fraaie Hasselblad en monteerde een flitslicht.
“Ik zal vast een paar plaatjes maken.”
“Let vooral op de details,” vroeg De Cock. “De geknoopte schoenveters en de gevouwen handen. Die beide zaken intrigeren me. Maak er vergrotingen van.”
De oude rechercheur draaide zich om. In de deuropening van het sectielokaal ontdekte hij dokter Den Koninghe. Achter hem torenden twee broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard, klaar om het lijk na de sectie mee te nemen.
De grijze speurder liep blij op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwarte jacquet en zijn verfomfaaide, groen uitgeslagen garibaldihoed.
“Hoe maakt u het?” vroeg hij uitbundig.
Dokter Den Koninghe zwaaide. “Redelijk…alleszins redelijk,” riep hij vrolijk. “Mijn pootje is eindelijk tot rust gekomen. De jicht plaagt me niet meer. Ik kan weer jaren mee.”
“Zo veel zullen er dat voor ons niet meer zijn,” antwoordde De Cock. Hij wees naar de broeders van de Geneeskundige Dienst.
“Die heren heb ik dit keer niet nodig. U kunt ze wegsturen. Het slachtoffer hoeft niet meer vervoerd te worden. Het blijft hier.”
De oude lijkschouwer schudde zijn hoofd.
“Ik stuur ze niet weg. Ik heb ze nodig. Er dienen zich in de loop van de avond nog wel een paar lijken aan. Met dat miezerige regenweer schijnen de mensen graag te sterven. En dan heb ik graag vervoer voor ze bij de hand.”
De Cock duwde Bram van Wielingen, die net het dode gelaat van het slachtoffer had geflitst, iets opzij en gebaarde naar het keurige waterlijk op de granieten snijtafel.
“Hebt u zoiets wel eens eerder gezien?”
Dokter Den Koninghe keek. “Een waterlijk?”
De oude rechercheur wees naar de vastgeknoopte schoenveters en de gevouwen handen van het slachtoffer. “Ik bedoel dit.”
Dokter Den Koninghe schudde verrast zijn hoofd. “Nee…dat is niet normaal. Is die man zo uit de gracht gevist?”
“Ja.”
De lijkschouwer drukte even met zijn hand op de borst van het slachtoffer. “Vreemd…volgens mij heeft hij ook water in zijn longen.”
“Verdronken.”
Dokter Den Koninghe keek omhoog naar De Cock.
“Dat is vermoedelijk wel de doodsoorzaak,” sprak hij raadselachtig. Hij zweeg even. “Vraag morgen,” ging hij verder, “aan de patholoog-anatoom of hij een monster van dat water neemt.”
De Cock keek hem met grote ogen aan. “Waarom?”
“Dan kun je op het Gerechtelijk Laboratorium laten onderzoeken of dat water uit de longen overeenkomt met de samenstelling van het water van de gracht.”
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
“Dat is slim,” sprak hij bewonderend. “Als het water uit de longen van het slachtoffer een andere samenstelling heeft dan het water van de Keizersgracht, dan kan hij ergens anders zijn verdronken en later met vastgebonden schoenveters en gevouwen handen in de gracht zijn gedumpt.” De grijze speurder knikte traag voor zich uit. “Slim…dat is iets om over na te denken.”
Dokter Den Koninghe glimlachte. “Ik heb als lijkschouwer in mijn leven al zoveel lijken gezien, dat ik in de loop der jaren bijna slimmer ben geworden dan de beste rechercheur.”
De Cock reageerde niet.
Met precieze bewegingen nam de dokter zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen.
De Cock kende de bewegingen en wachtte geduldig tot de oude lijkschouwer zijn reeks van ceremoniële handelingen had voltooid.
Toen Den Koninghe zijn ronde brilletje weer had opgezet en zijn pochet keurig in het borstzakje van zijn jacquet had gedrapeerd, wees hij met een achteloos gebaar naar het slachtoffer op de granieten snijtafel.
“Hij is dood.”
De Cock gniffelde. “U zegt het,” sprak hij zoet grijnzend. “Het was me nog niet opgevallen.”