Vledder kneep denkrimpels in zijn voorhoofd.
“Denk jij,” vroeg hij voorzichtig, “dat Cornelis Grijpskerk niet meer leeft…dat hij tegelijk met Victor Handgraaf ter dood is gebracht? Wie weet, ook in de gracht gedumpt?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Dat kan ik niet weten. Maar Victor Handgraaf was in zijn gezelschap. Voor zover we weten waren er geen afspraken dat ze gescheiden verder zouden reizen. Dat is ook niet aannemelijk. Ik vermoed dat Grijpskerk de heer Handgraaf tot aan zijn dood heeft vergezeld.”
Vledder reageerde gespannen.
“Wat kan dat betekenen volgens jou? Heeft Cornelis Grijpskerk dan met zijn armen over elkaar gestaan…niets gedaan…niets geprobeerd om de moord te voorkomen? Of was hij helemaal geen getuige van de moord op Handgraaf?”
De Cock zuchtte diep.
“We zijn,” sprak hij somber, “zoals voor ons gebruikelijk, weer eens in een zeer duister mysterie verzeild geraakt. Dit is toch niet te rijmen? Als je er goed over nadenkt, is het zelfs niet uitgesloten dat Grijpskerk aan de moord op Victor Handgraaf medeplichtig was, of misschien wel mededader…”
Vledder gromde.
“Dan moet er nog een derde in het spel zijn.”
De Cock zweeg. De grijze speurder vroeg zich af welke wegen hij moest bewandelen om achter de waarheid te komen.
Vledder wuifde naar de voorruit.
“Naar de Kit?”
De Cock blies de lucht uit zijn longen.
“Alsjeblieft.”
De jonge rechercheur parkeerde hun oude Golf op de gladde houten steiger. Ze stapten wat verkreukeld uit en slenterden traag via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Rozenbrand vanachter de balie de oude rechercheur met een kromme vinger.
De Cock liep breed grijnzend op hem toe.
“Rozenbrand, ik ben altijd een beetje bang voor die kromme vinger van jou.”
De wachtcommandant keek hem niet-begrijpend aan.
“Wat is daar mis mee?”
De Cock zwaaide.
“Jij hebt alleen misdaad op je repertoire,” gromde hij. “Nooit iets anders…iets leuks. Wanneer heb je voor mij eens een blijde boodschap?”
“Jij komt altijd met leuke dingen en blijde boodschappen, nou goed?” sprak de wachtcommandant. “Nee, De Cock, dit politiebureau hier aan de Warmoesstraat,” ging hij somber verder, “is geen plek voor blijde boodschappen. Dat past niet bij het gebouw. De muren kreunen van de misdaad. Als jouw ziel naar blijde boodschappen hunkert, stap dan op een vrije zondag eens een kerk binnen of sluit je aan bij een van de vele nieuwe sektarische groeperingen.”
De Cock trok zijn wenkbrauwen op.
“Zijn die er?”
Jan Rozenbrand knikte overtuigend.
“Je hebt geen idee, De Cock,” riep hij opgetogen. “Soms komen de gelovigen hier in dichte drommen voor de balie staan en zingen juichend over een nieuwe blijde wereld…een wereld van vrede, zonder haat, strijd en wreedheden, tralala.”
De Cock snoof.
“Dat is niet nieuw.”
De wachtcommandant trok een ernstig gezicht.
“Toch heb ik het idee dat die nieuwe groeperingen meer elan hebben. Meer enthousiasme. Dat stralen ze ook uit. Ze geloven oprecht in een nieuwe beleving van de liefde voor de naaste…een naastenliefde met bezieling, gestoeld op de overtuiging van een nieuwe hemel. Een hemel zonder poorten…toegankelijk voor eenieder die vurig biddend om toelating vraagt.”
De Cock hield zijn handen tegen zijn oren.
“Hou op. Als ik zo naar je luister,” grapte hij, “lijkt het alsof je al volledig bent bekeerd.”
“Ik kijk,” sprak Rozenbrand nuchter, “naar de mensen die hier voor de balie staan en analyseer hun gedrag. Het feit dat ze hier zo nu en dan vol blijdschap komen zingen, sterkt me in het geloof dat wij hier goed werk doen.”
De Cock steunde op de balie en schoof zijn onderlip naar voren.
“Wat is op dit moment jouw boodschap voor mij?” vroeg hij liefjes.
De wachtcommandant wees omhoog.
“Boven zit al een tijdje een man op je te wachten. Ik heb zijn naam niet opgenomen. Ik meen dat ik hem hier al eens eerder heb gezien. Hij draagt zo’n bruine trenchcoat met flappen op de schouders.”
De Cock glimlachte.
“Arnold van Heusden, de man van een sigarenwinkeltje in de Oude Hoogstraat, waar hij ook wiet verkoopt.”
Jan Rozenbrand grinnikte.
“Nou en, dat mag van de warenwet.”
De oude rechercheur reageerde niet. Hij draaide zich om en besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage.
Vledder volgde hem met verbazing. Meestal sjokte zijn oude collega als een vermoeide man die een hele dag zijn winkelende echtgenote had begeleid. Hij vroeg zich ook af hoe De Cock zijn stevige postuur in stand hield. Die moest ‘s-avonds bij thuiskomst wel meer van zijn vrouw krijgen dan een beker warme chocolademelk. Heel even dacht hij aan een etentje bij kaarslicht met zijn Adelheid, maar zette dat verlokkende idee snel van zich af.
Op de bank bij de toegangsdeur naar de grote recherchekamer zat Arnold van Heusden. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, stond hij op en kwam naar hem toe.
“Meneer De Cock,” sprak hij wat nerveus. “Ik wil even met u praten. Het is laat, dat besef ik, maar mijn jonge vriend, u weet wel, die jongen van de wiet, is verdwenen.”
De Cock bleef niet staan. Hij liep door en trok Van Heusden aan de arm mee de recherchekamer in. Daar liet hij hem op de stoel bij zijn bureau plaatsnemen. Met zijn regenjas nog aan ging hij bij hem zitten en viel met de deur in huis.
“Hoe verdwenen?” vroeg hij wrevelig.
Van Heusden stak zijn handen vooruit.
“Die jongen kwam trouw elke dag zijn portie wiet halen. Vandaag was hij er niet. Ik ben na sluitingstijd naar zijn huis gegaan. Daar was hij ook niet. Ik maak me ernstige zorgen.”
“Waarom?”
Arnold van Heusden gebaarde heftig.
“Misschien heeft hij zich toch laten overhalen en is hij bij de moord op de heer Handgraaf betrokken. Wellicht is hij op de vlucht.”
“Voor wie…voor wat?”
“Voor zijn arrestatie.”
De Cock snoof.
“Onzin. De moord op Victor Handgraaf is overdacht en terdege voorbereid. Daar is die verslaafde wietjongen van jou niet toe in staat.”
Van Heusden keek hem onderzoekend aan.
“Hebt u inmiddels de identiteit van ‘die verslaafde wietjongen’ achterhaald?” Het klonk meesmuilend.
De Cock schudde zijn hoofd.
“Ik vind dat niet zo belangrijk meer. Ik twijfel ook aan zijn betrouwbaarheid. Volgens mij liet Willemijn Handgraaf hem geen vrijheden toe.”
De sigarenwinkelier keek hem onderzoekend aan.
“Weet u inmiddels wie die Handgraaf in de Keizersgracht heeft geduwd?”
De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.
“Ik heb met Willemijn gesproken.”
“En?”
De Cock glimlachte.
“Ze geeft zonder enige terughoudendheid toe dat ze geld van haar te verwachten erfenis heeft beloofd aan iemand die bereid zou zijn haar vader te vermoorden.”
Arnold van Heusden verschoof op zijn stoel.
“Hebt u haar gearresteerd?”
“Nee.”
“Haar vader is toch dood!” was de verraste reactie. “Vermoord. Heeft ze de naam van de dader niet genoemd?”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Die kent ze niet.”
“Wat?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Willemijn zegt dat ze de moordenaar van haar vader niet kent.”
“En dat gelooft u?”
Het leek wel of de sigarenwinkelier De Cock aan het verhoren was. Wat dreef die man, vroeg Vledder zich af. En De Cock maar kletsen. Ongetwijfeld allemaal tactiek.
“Willemijn Handgraaf heeft me zonder omwegen verklaard dat ze haar aanbod heeft gedaan aan vrijwel iedere verslaafde die zij in de drugsscene kent. En dat zijn er veel. Maar volgens Willemijn had niemand werkelijk interesse voor de klus.”
Van Heusden keek hem ongelovig aan.
“Vijftigduizend euro is een bom duiten. Toch wel een leuk bedrag om er enig risico voor te nemen?”
De Cock stak zijn wijsvinger naar hem uit.
“U?”
“Wat?” vroeg Van Heusden geschrokken.
“Zou u voor dat bedrag het risico nemen voor een moord?”
De man haalde zijn schouders op.
“Die Willemijn Handgraaf heeft mij dat aanbod niet gedaan.”
De Cock plukte even aan zijn neus.
“Ook niet via uw jeugdige wietvriend? Als intermediair?”
“U bedoelt…eh, u beschuldigt mij van moord?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Och,” sprak hij afwijzend, “ik overdacht alleen even de mogelijkheden.”
Toen Arnold van Heusden de grote recherchekamer had verlaten, keek Vledder De Cock lachend aan.
“U bedoelt…eh…” imiteerde hij de stem van Arnold van Heusden, “u beschuldigt mij van moord?” De jonge rechercheur gniffelde. “Je bezorgde die man bijna een beroerte.”
De Cock stak zijn wijsvinger op.
“Vind je het gek?”
“Wat?”
“Die wietjongen vertelt hem het verhaal over het aanbod van Willemijn, en hij ziet wel mogelijkheden om Handgraaf koud te maken en die vijftigduizend euro binnen te slepen.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Hij was wel gek. Dan zou hij toch niet naar ons zijn gekomen met dat verhaal en dan had hij toch ook geen contact gezocht met Derek van Achterdiep, mededirecteur van de Foundation?”
De Cock glimlachte.
“Heel goed, Dick Vledder. Je denkt al bijna net zo goed als een echte rechercheur.”
Vledder negeerde de opmerking.
“Toch moeten we Van Achterdiep, die mededirecteur, nog eens benaderen.”
“Waarover?”
Vledder gebaarde met opgestoken wijsvinger.
“Wist hij dat Handgraaf van plan was om Grijpskerk mee te nemen op een zakenreis naar China? Hij kende toch de spanningen tussen die twee…de dreigingen met moord.”
De Cock stond van zijn stoel op.
“Een heel goede opmerking,” sprak hij waarderend. “Dat doen we dan morgen.”
De oude rechercheur slofte naar de kapstok en pakte zijn hoedje. Vledder kwam hem achterna.
“Hou je dan nooit op? Wat doen we nu?”
De Cock draaide zich half om.
“Wij sluiten deze dag af bij Smalle Lowietje. Mijn droge keel snakt naar het fluweel van een cognackie. En voor jou zal hij wel een snack hebben, ik kan je maag horen knorren. Dat moet je toch leren beheersen,” zei hij smalend.
In de ochtend van die dag had een pril en schuchter zonnetje zijn best gedaan, maar een aanwakkerende wind had zware wolken over de stad gejaagd, waaruit eerst alleen motregen was gevallen, maar nu, in de late avond, regende het intens. De felle kleuren van de lichtreclames spiegelden speels in het natte asfalt. De Cock had daar we! oog voor.
Het was stil in de Lange Niezel. Aanhoudende wolkbreuken hadden het legertje beluste’ mannen van de straat gedreven. Bij de ingang van het sekstheater zat een vrouw met een breiwerkje achter de kassa. Ze knikte wat verveeld toen de rechercheurs haar in het voorbijgaan groetten.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje iets naar voren. Hij keek schuin opzij naar Vledder, die zoals gewoonlijk een halve meter voor hem uit liep.
“We moeten die man van de Handgraaf Foundation in Leiden ook ondervragen.”
De jonge rechercheur hield zijn pas even in en draaide zijn gezicht naar De Cock toe.
“Peter Freedestein…‘lulletje lampenkatoen’.”
De Cock reageerde niet.
Vledder liep wat langzamer om gelijke pas met De Cock te houden.
Vanuit de Lange Niezel slenterden ze via de Voorburgwal en de Oudekennissteeg naar de Achterburgwal. Het was opmerkelijk stil op de Wallen. Nevelslierten dwarrelden als grillige spookverschijningen over het vuile grachtwater.
De seksbusiness kwam met die regen en nevel niet op toeren.
Bij de meeste bordelen waren de gordijnen gesloten.
Op de hoek van de Barndesteeg glipten ze het cafeetje van Smalle Lowietje binnen.
De Cock boog zich voorover en liet een straaltje water uit de rand van zijn hoed glijden. Het vormde een plasje op de rode tapijttegels. Daarna wurmde hij zich uit zijn natte regenjas, liep naar het einde van de bar en hees zich op een kruk. Vledder kwam met druipende haren naast hem zitten. Ook bij Lowie was het niet druk.
Caféhouder Lowie, om zijn geringe borstomvang door de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn kleine handjes langs zijn morsige vest en kwam opgewekt naar De Cock toe. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom van genegenheid.
“Blij je weer eens te zien,” kirde hij.
De Cock verschoof iets op zijn kruk.
“Ik was bijna de weg vergeten,” grapte hij.
Lowie lachte.
“En ik was bang dat de commissaris voor een oude rechercheur zoals jij een streng verbod had uitgevaardigd om mijn etablissement te bezoeken.”
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
“Moet hij niet wagen! Bij zo’n verbod ga ik onmiddellijk met vervroegd pensioen.”
Smalle Lowietje grijnsde.
“Gelijk heb je. Is het druk aan de Kit?”
De grijze speurder knikte met een ernstig gezicht.
“Voor ons aan de Warmoesstraat…” sprak hij gedragen, “en uiteraard voor ‘s lands regering…blijft criminaliteit een bron van aanhoudende zorg.”
Smalle Lowietje gniffelde.
“Voor jullie aan de Kit, ja, blijft het tobben. Maar Den Haag zal misdaad een zorg zijn. Welk kabinet er ook in het pluche zit, het is steeds…”
Hij maakte zijn zin niet af.
“Hetzelfde recept?”
“De Cock,” mompelde Vledder, “ik wil je niet storen, maar denk aan iets om dat varkentje in mijn maag tot zwijgen te brengen.”
De Cock grinnikte.
Intussen was Smalle Lowietje aalglad onder de tapkast gedoken en kwam tevoorschijn met een fles fijne Franse cognac Napoleon, die hij met een kreet van verrukking op de bar plaatste.
Hij vatte drie diepbolle glazen en schonk klokkend in.
De Cock keek toe. Hij hield van de manier waarop Lowietje de fles hanteerde. Het was een ceremonieel, bijna devoot gebaar.
“Lowie,” sprak hij de caféhouder toe, “mijn jonge collega heeft nog niet gegeten, je snapt wat ik bedoel.”
“Zal ik voor zorgen. Eerst een proost.”
Ze namen beiden hun glas op en keken elkaar in de ogen. De oude, in de dienst vergrijsde rechercheur en de wat louche caféhouder. Ze lachten.
“Op de misdaad.”
Het was hun gebruikelijke toost.
“Misdaad,” riep De Cock opgewekt, “groeiend en bloeiend bij elk nieuw kabinet.”
Smalle Lowietje zette zijn glas neer.
“Van Den Haag heeft de misdaad niets te vrezen.”
Het vriendelijke muizensmoeltje van de tengere caféhouder versomberde.
“Toch moet er wat gaan gebeuren,” sprak hij zorgelijk. “En snel. Het kan zo echt niet doorgaan. Er komt steeds meer buitenlands geboefte naar ons land. We zijn het criminele vuilnisvat van Europa geworden.”
De Cock nam nog een slok van zijn cognac en zuchtte.
“Je hebt gelijk,” reageerde hij triest. “Het wordt steeds harder en meedogenlozer. Tegenwoordig zijn liquidaties aan de orde van de dag. Dat is nooit zo geweest.”
“Even regelen dat de jongeman zo niet van zijn kruk valt,” gniffelde Lowie met een begripvolle blik naar Vledder.
Even later zette hij een schaal vol hartigheidjes op de tapkast, waar Vledder begerig op aanviel. Zonder een hartig bodempje durfde hij niet te beginnen aan cognac.
Smalle Lowietje boog zich vervolgens naar De Cock.
“Waar zijn jullie op het moment mee bezig?”
De Cock schoof zijn glas iets van zich af.
“We hebben uit het water van de Keizersgracht een man opgevist bij wie de schoenveters aan elkaar waren geknoopt en zijn handen lagen gevouwen op zijn borst.”
“Een vrome man.”
De Cock glimlachte.
“Daar wil ik niet aan twijfelen, maar volgens mij werd hij heel koelbloedig vermoord.”
Smalle Lowietje keek hem schuins aan.
“Ik heb er nog niets van gelezen. Is het geheim? Weet je al wie die vent is?”
De Cock knikte.
“Handgraaf…Victor Handgraaf.”
De kleine oogjes van Smalle Lowietje lichtten op.
“Victor,” toeterde hij, “Victor Handgraaf.”
“Ken je hem?” vroeg De Cock verrast.
Vledder luisterde met grote interesse. Het was belangrijk om goede contacten te hebben in alle lagen van de bevolking. Een les van De Cock. Hoe vaak had Lowie al niet een duwtje in de goede richting van een onderzoek gegeven?
Smalle Lowietje knikte.
“Hij is hier in de buurt groot geworden. Een jongen met een goed stel hersens. Zijn vader liet hem leren en hij bereikte een goede positie bij IJsselsteinse Bank.”
De tengere caféhouder grinnikte.
“Plotseling bulkte hij van het geld. In de buurt ging het praatje dat hij de bank had bestolen, maar hij bleek een klapper te hebben gemaakt bij de Staatsloterij.”
Smalle Lowietje fronste zijn wenkbrauwen.
“Waarom zouden ze die jongen van kant hebben gemaakt?”
“Een goeie vraag,” sprak De Cock met een zucht. “En daar zal ik het antwoord op moeten vinden.”
Smalle Lowietje trok een gepijnigd gezicht.
“Als ik me goed herinner, was er iets met de verdeling van dat geld. Er zat iets niet helemaal snor. Het is alweer jaren geleden. Zal ik eens navraag voor je doen?”
De Cock knikte.
“Als je mijn naam er maar buiten houdt.”
Smalle Lowietje grinnikte.
“Je weet hoe discreet ik ben.” Hij schonk nog eens in. “Alles naar wens?” vroeg hij aan Vledder, die net op een kruidig gehaktballetje kauwde. Toen wendde hij zich weer naar De Cock.
“Als ik wat weet, hoor je van me.”
Met de warme gloed van twee cognacjes in hun bloed verlieten de rechercheurs het etablissement van Smalle Lowietje en slenterden over de Achterburgwal. Het was er beduidend drukker dan een uur tevoren. De regen was opgehouden, het druppelde nog van de bomen aan de wallenkant, en de seksbusiness was weer in vol bedrijf.
Hoertjes in velerlei fatsoeaen lonkten in het barmhartig rode licht van hun etalages naar het leger van behoeftigen dat sjokkend aan hen voorbijtrok.
Via de Oudekennissteeg slenterden De Cock en Vledder naar het Oudekerksplein en vandaar via de Kerksteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten stond Jan Rozenbrand met een verwilderd rood gezicht achter de balie.
“Waar zaten jullie?” Zijn stem sloeg over.
De Cock keek hem verwonderd aan.
“Bij Smalle Lowietje.”
De wachtcommandant zwaaide met zijn armen.
“De dienders op de Keizersgracht hebben al een paar maal naar jullie gevraagd.”
“Zo laat? We waren net van plan om maar eens naar huis te gaan.”
Jan Rozenbrand ging er niet op in, maar zuchtte.
“Uit het water van de Keizersgracht is het lijk gevist van een man…de veters van zijn schoenen zijn samengebonden en zijn handen liggen gevouwen op zijn borst.”