De rechercheurs reden in hun oude Golf uit Duivendrecht weg.
Een flauw, waterig zonnetje prikte door de voorruit. Ze merkten het niet op. Beiden, verdiept in een stroom van gedachten, zwegen. Het was de jonge Vledder die na enige tijd het zwijgen verbrak. Hij blikte opzij.
“Het is wel duidelijk,” sprak hij nadenkend. “Het verhaal in het ochtendblad van die verdwaalde en totaal verknipte journalist deugt voor geen meter. Gewoon roddelbladlectuur. Cornelis Grijpskerk, zo blijkt uit de verklaring van zijn vrouw, vond geloof maar flauwekul. Het slachtoffer lijkt me ook verder geen man die in een sektarische geloofsovertuiging gevangen raakt.”
De Cock knikte.
“Je hebt gelijk. Zo’n type man is het niet.” Hij zweeg even. “Ik ben wel benieuwd naar de identiteit van de man die aan Cornelis Grijpskerk geld vroeg voor zijn doodzieke dochter.”
Vledder snoof.
“Een doodzieke dochter,” sprak hij smalend, “die in ons eigen landje niet behandeld kan worden, maar mogelijk wel in leven kan blijven door behandeling in een ziekenhuis of kliniek in Amerika. In feite is Willemijn Handgraaf ook doodziek.”
De Cock keek hem van opzij aan.
“Dat is eigen schuld. Maar wat denk je ervan?”
Vledder trok achteloos zijn schouders op.
“Ik zie het als een gore truc. Ja, dat moet een oplichterstruc zijn, een sentimenteel probeersel.”
“Dacht je?”
Vledder knikte.
“Veel meer zie ik er niet ia. Een triest verhaal over een arme doodzieke dochter wekt altijd deernis. Zoiets maakt bij mensen diepe gevoelens van erbarmen los.”
“Wellicht,” ging de jonge rechercheur verder, “wist die handige vader dat Cornelis Grijpskerk een min of meer vermogend man was, die misschien wel bereid zou zijn om hem een paar grijpstuivers te geven?”
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
“Dat is me toch te simpel,” sprak hij hoofdschuddend. “De reactie van Cornelis Grijpskerk was geëmotioneerd…zo geëmotioneerd, dat mevrouw Grijpskerk zich dat voorval nu na maanden nog herinnert.”
Vledder maakte een afwerend gebaar.
“Zoveel indruk maakte het toch niet op haar? Ze heeft niet verder naar bijzonderheden gevraagd.”
De jonge rechercheur zweeg even.
“Wat hebben we aan de identiteit van die vader?” ging hij wat gejaagd verder. “Niets. Totaal niets. Hoe wil je hem in verband brengen met de moorden op Victor Handgraaf en Cornelis Grijpskerk?”
“Er moet toch iets zijn dat de dader drijft,” riep De Cock gespannen. “Er moet een motief zijn voor de twee gruwelijke moorden. Gezien de bizarre entourage…samengeknoopte schoenveters, gevouwen handen, vastgeplakte vingers…hebben we echt niet met een imbeciel van doen. De moorden zijn terdege voorbereid.”
Vledder zuchtte.
“Willemijn Handgraaf had een motief.”
“Ten aanzien van haar vader,” antwoordde De Cock gemelijk.
“Zeker. Maar verder? Hoe dicht je de knappe Willemijn een motief toe voor de moord op Cornelis Grijpskerk, een man die ze vermoedelijk niet eens heeft gekend en met wie ze, voor zover we weten, nooit contact heeft gehad?”
Vledder reageerde niet.
De oude rechercheur keek op zijn horloge.
“We hebben nog wat tijd voor jij op Westgaarde moet zijn voor de gerechtelijke sectie. Ik wil nog even naar het sigarenwinkeltje van Arnold van Heusden in de Oude Hoogstraat.”
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
“Waarom?”
“Ik wil weten of zijn jonge wietvriend al terecht is en of hij nog steeds diens identiteit voor ons verborgen wil houden.”
Vledder vond voor hun oude Golf een redelijk parkeerplekje op de Kloveniersburgwal, kort bij de Spinhuissteeg. De rechercheurs slenterden naar de smalle Oude Hoogstraat.
Arnold van Heusden stond achter de toonbank van zijn kleine sigarenwinkel en keek verrast op toen De Cock en Vledder onverwacht bij hem binnenstapten. Zijn lichtgroene ogen twinkelden en op zijn gezicht verscheen een brede grijns.
“Wat verschaft me het genoegen van uw komst?” vroeg hij licht spottend.
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
“We zijn van mening dat we u op de hoogte dienen te houden van de vorderingen van ons onderzoek.”
De oude rechercheur blikte om zich heen.
“Kunnen we hier gestoord worden door binnenkomende clientèle?”
Van Heusden knikte. Hij kwam achter de toonbank vandaan, liep naar de toegangsdeur van de winkel en draaide die op slot.
Daarna ging hij de rechercheurs voor naar een kleine kamer achter de winkel. Hij gebaarde naar een fleurig gedekte tafel met eromheen vier rieten stoelen.
“Neemt u plaats. Veel ruimte heb ik hier niet. Een slaapkamer en een kleine handige keuken. Meer heb ik ook niet nodig. Mijn hele voorraad staat in de winkel.”
Vledder en De Cock gingen aan de tafel zitten. De rieten stoel van De Cock kraakte vervaarlijk. Vledder hoopte dat de stoel het niet zou begeven onder het gewicht van zijn collega. Het zou het serieuze karakter van hun bezoek totaal tenietdoen. Maar ook de meest vermolmde trap in de oude Amsterdamse pandjes die ze samen bezochten had het gewicht van De Cock tot nu toe gehouden. Misschien moest hij in het vervolg niet zo dicht achter zijn oude collega zo’n trap op lopen. Hij vertrok zijn gezicht even in een grijns bij de gedachte aan wat er ooit nog eens kon gebeuren.
Van Heusden nam tegenover hen plaats. Hij keek zijn bezoekers onderzoekend aan.
“Vorderingen…zijn die er nu?”
De Cock tuitte zijn lippen en schudde vaag zijn hoofd.
“Niet direct in positieve zin. We hebben gisteravond een tweede slachtoffer uit het water van de Keizersgracht gevist. Gezien de omstandigheden zijn we ervan overtuigd dat beide mannen op identieke wijze zijn vermoord. Let wel…door dezelfde dader.”
De sigarenwinkelier keek hem geschrokken aan.
“Dat is verschrikkelijk. Wie…eh, wie is dat tweede slachtoffer?”
De Cock zuchtte.
“Een ander toplid van de Foundation aan de Keizersgracht. Cornelis Grijpskerk.”
Arnold van Heusden schudde zijn hoofd.
“Ken ik niet.”
De Cock plukte aan zijn neus.
“Voor de moord op dat tweede slachtoffer kan ik voor Willemijn Handgraaf geen redelijk motief vinden. Zij heeft volgens mij geen enkel belang bij zijn dood.”
“Wat wil dat zeggen?”
De Cock gebaarde. Weer dacht Vledder dat het voor de stoel beter was dat De Cock heel rustig bleef zitten. De Cock had het ook in de gaten en legde zijn handen op de tafel.
“Op basis daarvan,” sprak hij onverstoord, “groeit bij ons de overtuiging dat Willemijn, ondanks haar spectaculaire aanbod van vijftigduizend euro, niet betrokken is bij de moord op haar vader.”
Van Heusden fronste zijn wenkbrauwen.
“Een vergaande conclusie.”
De Cock knikte.
“Zover ons onderzoek nu reikt, hoeft u de identiteit van uw jonge wietvriend voor ons niet langer meer verborgen te houden.”
Van Heusden maakte een hulpeloos gebaar.
“Mijn jonge vriend is weg. Totaal van de aardbodem verdwenen. Daarvan heb ik bij u al melding gemaakt. Nadien is hij niet meer komen opdagen.”
“U hebt toch zijn adres?”
“Zeker, maar hij is daar uit de Pijp verdwenen.”
De Cock keek hem schuins aan.
“Hij woonde in de Pijp?”
Zijn stem trilde van de verrassing.
Arnold van Heusden knikte opnieuw.
“Op een hok, een smerige praktisch onbewoonbare zolderkamer in de Karel du Jardinstraat. Dat hok is leeg. Er liggen nog wat vodden en andere achtergelaten rotzooi. Ik ben er pas nog geweest. Ook het grietje met wie hij samenleefde, die Willemijn, is verdwenen.”
De Cock boog zich naar hem toe. “Hebt u dat ‘grietje’ van hem wel eens ontmoet?” vroeg hij glimlachend.
“Eén keer. Mijn jonge vriend was er toen niet. Ik vond haar slapend op een vervuild tweepersoonsbed bedekt met een laag vodden.”
“U hebt haar gewekt?”
Arnold van Heusden knikte. “Ik wilde van haar weten waar haar vriend was.”
“U hebt haar ook begerig bekeken?”
“Begerig?”
De Cock knikte. “Kent u dat begrip niet?”
Van Heusden ging rechtop zitten. “Hij die een vrouw aanziet om haar te begeren,” declameerde hij, “heeft reeds overspel begaan.”
De Cock keek hem verrast aan. “Een bekend Bijbelwoord.”
“Ik kom uit een calvinistisch nest,” zei Van Heusden met een glimlachje. “Door mijn ouders werd ik al vroeg op de rails gehouden door Bijbelteksten.”
Even zweeg hij.
“Inderdaad,” vervolgde hij toen, “het grietje was om te begeren. U hebt gelijk. Een absolute schoonheid. Bijzonder aantrekkelijk. Wulps, met een bijna dierlijke seksuele uitstraling.”
De Cock glimlachte. “En uw jonge wietvriend,” sprak hij traag, “is Laurens…Laurens van der Dungen.”
Arnold van Heusden kneep zijn ogen halfdicht.
“U hebt hem weer gearresteerd?”
De Cock schudde zijn hoofd. Van Heusden spreidde zijn handen.
“Waar is hij met dat meisje gebleven?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Ik denk dat Willemijn Handgraaf bij de bank van haar vader vast een voorschot op haar erfdeel heeft opgenomen en inmiddels met uw jonge wietvriend een riant onderkomen heeft gevonden.”
Ze sloften van het nietige sigarenwinkeltje aan de Oude Hoogstraat terug naar de Kloveniersburgwal en reden in hun politiewagen weg.
“De Cock,” zei Vledder, “ik dacht even dat je door dat rieten stoeltje zou zakken. Door jouw gewicht krijgen we nog eens ongelukken.”
“Waarom?” vroeg de oude speurder geïrriteerd.
“Als we weer zo’n verrotte trap in een afbraakpandje op moeten, wacht ik wel beneden tot jij boven bent. Je zou iets aan lichaamsbeweging moeten doen. Iets moeten afvallen. Neem een hond.”
“Aan zulke dingen denk ik pas als ik met pensioen ben. Hou je mond daar nu verder over.”
“Terug naar de Kit?” vroeg Vledder luchtig om verder niet flauw te doen over het gewicht van zijn mentor.
De Cock knikte.
“Het wordt voor jou langzamerhand tijd. Als je dokter Rusteloos niet wilt laten wachten, dan heb je wel een uurtje nodig.”
Vledder blikte opzij.
“Ik denk dat die jeugdige wietvriend van Arnold van Heusden hem al die tijd aardig voor de gek heeft gehouden.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Maar niet ten aanzien van de financiële actie van zijn vriendinnetje Willemijn voor de moord op haar vader. Dat klopte.”
Vledder keek hem vragend aan.
“Moeten we haar niet zoeken? Het blijft toch een vreemde griet. Misschien heeft ze Cornelis Grijpskerk wel gekend en past ook hij in haar moordzuchtige plan.”
De Cock maakte een schouderbeweging.
“Voorlopig,” sprak hij hoofdschuddend, “heb ik nog geen belangstelling voor Willemijn.”
Vledder lachte. “Als Laurens van der Dungen via zijn Willemijn vanaf nu over veel geld beschikt, dan zijn we in ieder geval van een notoire veelpleger verlost.”
De Cock krabde zich achter in zijn nek. “Zolang zal mijn armoede duren.”
“Een kreet van je oude moeder?”
“Precies.”
Omdat Jan Rozenbrand achter de balie voor hen geen hinderlijke mededelingen had, konden ze ongestoord de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat passeren en de stenen trap naar de tweede etage beklimmen.
Langzaam nam De Cock de treden. Hij keek even om.
“Hier hoef je beneden niet te wachten, Dick,” gniffelde hij.
In de grote recherchekamer vond Vledder op het blad van zijn bureau een aantal rapporten. Hij schoof ze naar zich toe en begon te lezen. Blij keek hij op naar De Cock.
“De Mercedes van Victor Handgraaf is teruggevonden.”
“Waar?”
“Op de vierde verdieping van de parkeergarage bij de Bijenkorf aan het Beursplein.”
“En?”
Vledder las verder. “Het stempel op de parkeerkaart die in de wagen is teruggevonden, geeft twaalf uur dertig aan.”
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. “Dat is een halfuurtje na het vertrek van Handgraaf en Grijpskerk uit Duivendrecht.”
Vledder legde het rapport voor zich neer. “Dan zijn ze vermoedelijk nooit van plan geweest om naar China te gaan.”
De Cock kneep zijn lippen op elkaar. “Of,” reageerde hij nadenkend, “ze wilden voor hun vertrek nog iemand een bezoek brengen.”
Vledder knikte. “Iets of iemand in de buurt van de oude binnenstad.”
De Cock spreidde zijn handen. “Misschien wilden ze eerst nog even terug naar het kantoor van de Foundation aan de Keizersgracht. Daar is zeker overdag vrijwel nooit een parkeerplaats te vinden.”
Vledder hield zijn hoofd scheef. “Vind je de afstand tussen de parkeergarage aan het Beursplein en de Keizersgracht niet te groot?”
De Cock schudde zijn hoofd. “Er is dichterbij geen plek te vinden om je auto kwijt te raken.”
De oude rechercheur wees naar het tweede rapport. “Wat is dat?”
“Van het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk. Dokter Rusteloos heeft blijkbaar toch bloed, urine, deeltjes van de lever en de nieren, maag- en darminhoud van Victor Handgraaf laten overbrengen voor een uitgebreid toxicologisch onderzoek.”
“Wat staat er?”
Vledder schudde zijn hoofd. “Wacht even…zover ben ik nog niet.”
De jonge rechercheur las verder. “In de lijkdelen van Victor Handgraaf, staat hier, is een zeer hoge dosering van de stof gammahydroxybutyraat aangetroffen.”
De Cock trok zijn neus op. “Wát is aangetroffen? Zeg het nog eens?”
Vledder maakte een hulpeloos gebaar. “Ik kan het woord bijna niet uitspreken. Dat spul wordt volgens dit rapport ook wel gammahydroxyboterzuur genoemd of aangeduid als GHB. Er is een uitgebreide aanvulling over dat GHB bijgesloten.”
Hij las hardop verder.
“GHB is een verdovingsmiddel dat gebruikt wordt om olifanten onder zeil te krijgen. De dosering, nodig voor de verdoving van een olifant, is gewoonlijk dodelijk voor de mens. Als men GHB in verdunde vorm drinkt, gaat men — overvallen door een onbedwingbare slaap — gewoon gestrekt en weet men zich later niets meer te herinneren. Daar kan gemakkelijk misbruik van worden gemaakt, GHB kan stiekem in een drankje worden gedaan. Slachtoffer hiervan zijn vaak jonge meisjes, die vervolgens worden misbruikt. Bij een hogere dosering raakt men zelfs in coma. Het spul wordt ook wel ‘verkrachtingsdrug’ genoemd en staat op lijsten van de Opiumwet.”
Vledder smeet het rapport voor zich op zijn bureau. “Dat is lekker spul, zeg!”
De Cock leunde naar achteren. “Kortom,” verzuchtte hij. “Victor Handgraaf werd gedrogeerd.”