De Cock keek met welgevallen om zich heen. Het interieur maakte op de oude rechercheur een genoeglijke indruk. De ruime woonkamer met zware draagbalken aan het plafond was smaakvol ingericht. Boven een donkere eikenhouten lambrisering waren de wanden bijna hagelwit gepleisterd. Bij een monumentale openhaardpartij met vrolijke knoesterige balken stond een ronde tafel met enkele donkerbruine leren fauteuils, die tot zitten uitnodigden.
Mevrouw Grijpskerk, die duidelijk bezorgd was door het gebaar van De Cock bij de voordeur, wees de rechercheurs met bevende hand dat ze konden plaatsnemen. De Cock en Vledder lieten zich in een fauteuil zakken. Mevrouw Grijpskerk verschoof haar stoel zo dat ze oogcontact met de beide rechercheurs kon houden.
De grijze speurder legde zijn oude hoedje naast zich op de grauwstenen vloer en boog zich iets naar voren. Vledder zag het gebeuren: De Cock maakte zich op om het gesprek te openen.
“Staande conversaties aan de buitendeur,” opende de oude speurder vriendelijk, “storen mij al zo lang als ik dit werk doe. Ze bezorgen mij steeds een gevoel van onbehagen. Het is en blijft ook altijd zo afstandelijk. Zo’n deur vormt een beletsel om tot begrip voor elkaar te komen.”
Mevrouw Grijpskerk glimlachte afwachtend.
“En dat begrip hebt u nodig’”
De Cock knikte.
“Begrip voor het werk dat ik doe. En dat begrip kom ik maar weinig tegen.”
Mevrouw Grijpskerk maakte een nerveuze handbeweging.
“Begrip voor het bestrijden van criminaliteit…het oplossen van misdrijven?” vroeg ze.
“Precies.”
Mevrouw Grijpskerk keek hem argwanend aan.
“En in dat verband wilde u mijn man spreken?”
De Cock reageerde niet direct.
“Wanneer wist u dat uw man met de heer Handgraaf op zakenreis naar China zou gaan?”
“Dezelfde dag.”
De Cock keek haar ongelovig aan.
“De dag van het vertrek?”
“Ja.”
“Hoe verliep die dag?”
Mevrouw Grijpskerk verschoof onzeker op haar stoel en keek de kamer rond alsof die aanblik haar zou helpen met de herinnering.
Vledder volgde haar blik.
“De heer Handgraaf belde mijn man en vroeg hem of hij zich onmiddellijk klaar wilde maken voor een reis naar China. Een zakenreis om goedkope textiel en schoenen te importeren. “Om kwart over twaalf kom ik je halen,” had hij gezegd.”
De Cock toonde verwondering.
“Dat is nogal abrupt.”
“Inderdaad, dat vond ik ook.”
“Hoe reageerde uw man?”
Mevrouw Grijpskerk trok haar schouders iets op.
“Hij was niet verrast. Hij deed rustig en heel ontspannen, gewoon. Het leek me toe dat Cor, mijn man, een dergelijke uitnodiging van de heer Handgraaf min of meer had verwacht.”
“Over die verwachting had hij met u niet gesproken?”
Mevrouw Grijpskerk trok haar rok strak over haar knieën en streek een paar maal met haar handen over de stof.
“Nee,” sprak ze weifelend.
“En toen?”
“We hebben wat spulletjes bij elkaar gezocht en een koffer gepakt. Om prompt kwart over twaalf stond de heer Handgraaf met zijn Mercedes voor de deur. Mijn man pakte zijn koffer, kuste me vluchtig als afscheid, stapte bij hem in de wagen en ze reden weg. Zo was het.”
Vledder schoot naar voren en vroeg: “Zomaar?”
“Hoe bedoelt u?” Bezorgd keek ze naar Vledder. Van een glimlach was niets meer over, rimpels trokken over haar voorhoofd.
“Hebt u met uw man geen afspraken gemaakt?” ging Vledder door.
“Waarover?”
“Hoelang de trip zou duren, hoe u uw man kon bereiken, of hij contact met u zou opnemen, dergelijke dingen.”
Mevrouw Grijpskerk maakte een wrevelig gebaar.
“‘Je hoort wel van me.’ Dat is alles wat Cor tegen me heeft gezegd.”
De Cock verhief zijn stem om Vledder te beduiden dat hij zijn mond moest houden.
“En?” vroeg hij.
“Wat?” vroeg mevrouw Grijpskerk verward.
“Hebt u iets van hem gehoord?”
Ze schudde haar hoofd. “Sinds hij toen vertrokken is heb ik niets meer van hem vernomen. Niets.”
“Ook recent niet, bijvoorbeeld van het kantoor van de Foundation aan de Keizersgracht?”
“Nee.”
De Cock boog zich naar haar toe.
“U zult ongetwijfeld iets van mijn verbazing hebben gemerkt toen u bij mijn komst vertelde dat uw man met de heer Handgraaf op reis was.”
Mevrouw Grijpskerk knikte instemmend.
“U reageerde inderdaad nogal vreemd.”
De Cock glimlachte.
“Het was voor mij ook een complete verrassing,” verklaarde hij.
“Een openbaring. Volgens mijn inlichtingen leefde uw man met Victor Handgraaf op gespannen voet, erger nog, uw man zou hem zelfs met de dood hebben bedreigd…”
Vledder luisterde met belangstelling naar het gesprek maar intussen streek hij met zijn hand over zijn maag en dacht aan al die forensen die nu zaten te eten. Hier werd hem nog geen kopje koffie aangeboden. Hier zit ik te hongeren voor een hongerloon, dacht hij en hij glimlachte om zichzelf. Zo rampzalig was het nou ook weer niet.
Mevrouw Grijpskerk keek ongelukkig en maakte een hulpeloos gebaar.
“Ik heb er ook niet zo veel van begrepen,” sprak ze vermoeid.
“Cor, mijn man, is niet bepaald een open boek. Integendeel, hij is vaak erg gesloten…in zichzelf gekeerd. Zeker ten aanzien van zakelijke aangelegenheden. Als ik om opheldering vroeg, dan zei hij altijd: daar begrijp jij toch niets van.”
De Cock steunde met zijn handen op zijn knieën en leunde ver naar voren.
“Maar doodsbedreigingen…uitgesproken in het bijzijn van ondergeschikten van de Foundation…die moeten toch een oorsprong hebben? Uw man moet toch bijzonder verbolgen zijn geweest over iets bepaalds?”
Mevrouw Grijpskerk knikte.
“Dat klopt wel. Mijn man voelde zich miskend en ondergewaardeerd.” Vledder knikte bij die woorden alsof het over hem ging; miskend en ondergewaardeerd. Mevrouw Grijpskerk vervolgde aarzelend. “Volgens mijn man had de heer Handgraaf zich niet aan gemaakte afspraken gehouden.”
De Cock boog zich nog verder naar haar toe.
“Wanneer is uw man bij de Handgraaf Foundation in dienst gekomen?”
“Het was geen dienstverband,” grinnikte ze.
De Cock keek haar verwonderd aan.
“Wat was het dan?”
“Een overeenkomst.”
“Met wie?”
Mevrouw Grijpskerk plukte aan het kraagje van haar hooggeslotenjapon en sloeg haar armen over elkaar.
“De heren Victor Handgraaf,” legde ze geduldig uit, “Derek van Achterdiep, Peter Freedestein en mijn man werkten vroeger samen in verschillende functies bij de IJsselsteinse Bank in Amsterdam.”
“Ja?” sprak De Cock, alsof hij wilde zeggen: ga door.
“Op de IJsselsteinse Bank waren ze alle vier lid van een loterijclubje. Elke maand stortten ze een bepaald bedrag in de loterijpot, die door de heer Handgraaf werd beheerd. Hij kocht van dat geld elke maand een paar loten van de Staatsloterij.”
De Cock glimlachte.
“Van dat soort loterijclubjes zijn er vele. Ik heb bij de recherche aan de Warmoesstraat ook nog een tijdje zo’n miserabel loterijpotje beheerd. Verschrikkelijk. Zeuren om de bijdrage. Toen we nooit iets wonnen, ging het clubje ter ziele. Ik had er ook eerlijk gezegd geen lol meer in. Zonde van het geld.”
Mevrouw Grijpskerk lachte.
“Mijn man wilde ook al een tijdje uit het loterijclubje stappen. ‘Die stomme nieten-noppes-pot’, zei hij altijd, ‘kost ons alleen maar geld.’”
Het gezicht van mevrouw Grijpskerk klaarde op.
“Tot plotseling de jackpot viel op een door Handgraaf gekocht lot.”
Vledder keek naar zijn oude collega en vervolgens naar het plafond. Voor mij een halve jackpot en ik begin voor mezelf, dacht hij. Geen oude en geen jonge collega’s, op tijd een bord eten en een gezonde nachtrust.
De Cock had niets in de gaten van de zielenroerselen van Vledder en glimlachte naar de vrouw tegenover zich.
“Was het veel geld?” vroeg hij.
Mevrouw Grijpskerk maakte een schouderbeweging.
“Ik heb het exacte bedrag nooit horen noemen door mijn man, maar het moeten miljoenen zijn geweest.”
De Cock schoof naar het puntje van zijn fauteuil.
“Wat is er met dat vele geld gebeurd?”
Mevrouw Grijpskerk zuchtte.
“De heer Handgraaf ging niet meteen over tot de verdeling van de buit, maar belegde met de leden van het loterijclubje een reeks besloten samenkomsten.”
“Waarom?”
“Handgraaf legde uit dat het winnende lot een unieke gelegenheid bood voor de ondergeschikten van die IJsselsteinse Bank om zich uit de benauwende omklemming daarvan los te koppelen en zelf een winstgevende onderneming te starten.”
De Cock knikte begrijpend.
“De Handgraaf Foundation.”
“Precies.”
De oude rechercheur glimlachte.
“Een onderneming met een weids perspectief.”
Mevrouw Grijpskerk knikte instemmend.
“En voor de loonslaven van de IJsselsteinse Bank aanlokkelijke mogelijkheden. Niet langer in loondienst, maar zelf als oppermachtig opererend directeur van een groot florerend bedrijf.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Is al het geld van de jackpot in de Handgraaf Foundation gestoken?”
Mevrouw Grijpskerk schudde haar hoofd.
“Daarnaast hebben de leden van het loterijclubje ieder een fiks bedrag op hun bankrekening gekregen. Cor en ik hebben er deze bungalow van gekocht en we hebben nog een aardig spaarcentje als buffer voor donkere tijden.”
De Cock maakte een vrolijk gebaar naar haar en naar Vledder, die met nauwelijks verholen desinteresse in zijn stoel zat.
“Toch aardig geregeld?”
“Zeker.”
“Wanneer begon uw man zich ongemakkelijk, eh…onbehaaglijk te voelen? Ik bedoel, wanneer kwamen zijn eerste klachten met betrekking tot de Foundation?”
Mevrouw Grijpskerk zuchtte.
“Al vrij snel. Cor werd directeur van een bijkantoor van de Foundation in Alkmaar. De feitelijke macht berustte bij Victor Handgraaf en zijn vriend Derek van Achterdiep, die het hoofdkantoor aan de Keizersgracht in Amsterdam beheerden.”
“Dat zinde uw man niet, naar ik aanneem?”
“Het was volgens hem tegen de gemaakte afspraken. De vier leden van de loterijclub zouden allen eenzelfde positie krijgen, dat was afgesproken. Ze zouden dezelfde macht kunnen uitoefenen en betrokken zijn bij alle beslissingen die er in de Foundation zouden worden genomen.”
“Dat bleek in de praktijk niet zo te werken?”
Mevrouw Grijpskerk schudde haar hoofd.
“Mijn man voelde zich buitengesloten, miskend. Hij meende over voldoende capaciteiten te beschikken om volwaardig bij het beheer te kunnen meedraaien.”
De Cock gebaarde met zijn handen in de lucht.
“Hij rebelleerde?”
Mevrouw Grijpskerk knikte.
“Steeds luider en steeds dwingender. Maar die twee in Amsterdam reageerden nauwelijks.”
“Tot ergernis van uw man?”
Mevrouw Grijpskerk snoof.
“Hij werd woest, steeds kwader en opstandiger. Hij startte met kleine dreigementen aan bet adres van Victor Handgraaf, die hij als kwade genius zag, tot hij luidkeels over moord begon te roepen.”
“Stom.”
Mevrouw Grijpskerk knikte.
“Ik heb hem steeds voorgehouden dat hij zich moest schikken in de situatie, dat zijn geschreeuw niets hielp en dat hij andere wegen moest bewandelen om zijn gelijk te krijgen.”
De Cock keek haar vragend aan.
“En die vierde man…Peter Freedestein?”
“Die kreeg een vestiging in Leiden toebedeeld.”
“Geen rebel?”
Mevrouw Grijpskerk schudde haar hoofd.
“Mijn man noemde hem, vergeef me het woord, een ‘lulletje lampenkatoen’, een sullige jaknikker die alles accepteerde wat die twee in Amsterdam verordonneerden.”
“Daar kon uw man zich niet mee verenigen?”
“Nee.”
De Cock nam een kleine pauze en Vledder besloot dat hij zich er verder maar helemaal buiten moest houden.
“Hebt u enig idee, waar uw man zich op dit moment bevindt?” startte De Cock opnieuw.
Mevrouw Grijpskerk zuchtte.
“Ik heb nog niets van hem gehoord. En hij is toch al een paar dagen weg.”
De Cock plukte even aan het puntje van zijn neus.
“Hebt u voor mij een foto van uw man?”
“Waarvoor?” vroeg mevrouw Grijpskerk verwonderd.
De Cock kauwde even op zijn onderlip.
“Het lijkt me verstandig om van hem de opsporing verblijfplaats te verzoeken.”
Mevrouw Grijpskerk reageerde gespannen.
“U bent bang dat er iets met hem is gebeurd?” Het klonk alsof ze haar eigen angst verwoordde.
De Cock antwoordde niet. Hij haalde uit zijn binnenzak een door Bram van Wielingen gemaakte foto van het lijk van Victor Handgraaf en reikte die haar aan.
Het gezicht van mevrouw Grijpskerk verbleekte.
“Dat…dat is Victor Handgraaf.”
De Cock knikte.
“We hebben hem gisteravond uit het water van de Keizersgracht opgevist…vermoord.”
De mond van mevrouw Grijpskerk zakte open, wild keek ze om zich heen.
“Waar…waar…” stamelde ze, “waar is dan mijn man?”
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
“Mogelijk op de vlucht.”
“Waarvoor?”
De Cock kneep zijn lippen samen voor hij verder sprak.
“Voor de uitvoering van een plan dat al tijden geleden bij hem rijpte.”
Mevrouw Grijpskerk wees met trillende vingers naar de lugubere foto in haar hand.
“Dit is…dit is…zijn werk…zijn…”
Verder kwam ze niet. Haar ogen rolden ongecontroleerd in hun kassen rond. Schuin gleed ze totaal verslapt weg in haar fauteuil.
De rechercheurs reden met hun oude Golf Duivendrecht uit.
Aanvankelijk zwegen ze, ieder verzonken in zijn eigen gedachten. Vledder had het lange gesprek niet bevredigend gevonden, zijn eigen rol daarin was nihil. Een bewusteloze mevrouw Grijpskerk. Was dat alles wat er uit kon komen? Het was een situatie die hem evenzeer als De Cock had aangegrepen.
Na een tijdje blikte De Cock opgelucht opzij.
“Dick,” verzuchtte hij, “ik ben blij dat er bij jou nog iets van die EHBO-cursus is blijven hangen. Mevrouw Grijpskerk herstelde gelukkig vrij snel na haar collaps…haar bewustzijnsverlies. Ik weet nooit goed wat ik met een bewusteloze vrouw aan moet.”
Vledder glimlachte. “Hm, ze is alleen maar flauwgevallen. Dat was van de emotie. Niet zo verwonderlijk, ik vond dat je haar wel bijzonder hard aanpakte. Om mevrouw Grijpskerk duidelijk te maken dat haar man mogelijk een moord heeft gepleegd, had je wel wat subtieler te werk kunnen gaan.”
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
“Ik vind niet dat mij iets te verwijten valt. Mevrouw Grijpskerk wist dat haar man die Handgraaf diverse keren met de dood had bedreigd. Dat heeft ze toegegeven. Toen diezelfde Handgraaf haar man onverwachts uitnodigde voor een zakenreis naar China, had ze dit haar man moeten afraden…of ze had Handgraaf moeten vragen of hij wel wist wat hij deed.”
Vledder wilde zijn uitval van daarnet graag vergeten. Tenslotte leerde hij al kijkend en luisterend heel veel van zijn oude leermeester. Hij knikte begrijpend.
“Je bedoelt te zeggen dat zij zelf schuld had aan haar toestand.”
“Op het moment van het bewust worden van haar eigen verantwoordelijkheid in deze affaire,” sprak De Cock traag, “vluchtte ze…een klassieke vlucht in bewusteloosheid. Ik heb dit in mijn lange carrière bij de recherche meer vrouwen zien doen.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Het was geen vlucht. Het overkwam haar. Denk je eens in in welke situatie mevrouw Grijpskerk verkeert. Ze is in mijn ogen een lieve, zorgzame vrouw. Wel een beetje truttig, oké, met dat preutse jurkje, maar toch een goed mens.”
“Te lief en te zorgzaam voor de dominante man met wie ze is getrouwd, vind ik,” zei De Cock. “Die man is een ijzig koele, ongevoelige ik-figuur.”
“Vind je?”
De Cock zwaaide geëmotioneerd.
“Absoluut. Ik kan geen passender omschrijving bedenken. Die man heeft een leuke vrouw, een prachtige bungalow…geld op de bank voor eventualiteiten en daarbij ongetwijfeld nog een vorstelijk salaris als directeur van de Foundation in Alkmaar. Omdat die functie hem niet bevalt, bedreigt hij Handgraaf met de dood. Die man wordt nooit gelukkig.”
De oude rechercheur zweeg even.
“Mijn oude moeder zei altijd: tel je zegeningen…leer je bewust te zijn van de vele goede dingen die je hebt, die het leven je reeds biedt.”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Ik begrijp die vent ook niet. Laat je straks per telex en op ons net zijn opsporing verblijfplaats verzoeken?”
De Cock knikte.
“Zeker.”
“Niet meer.”
“Hoe bedoel je?”
“Geen OAV[5] plus verdacht van moord?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Buiten zijn uitgesproken bedreigingen met de dood hebben we geen enkele aanwijzing dat hij werkelijk verantwoordelijk is voor de dood van Victor Handgraaf.”
Vledder grinnikte vreugdeloos.
“Als hij nog leeft…die Cornelis Grijpskerk moet toch ergens uithangen?”
De Cock zuchtte.
“Daar zeg je een waar woord, Dick…als hij nog leeft.”