De woedende Jan Rozenbrand achter zich latend liep De Cock met Vledder in zijn kielzog naar de gladde houten steiger achter het politiebureau. Vledder, zichtbaar gestoord door de commotie, stapte grommend in hun oude Golf en startte de motor. Hij schoof eerst zijn mouw iets terug, keek op zijn horloge en blikte daarna naar De Cock, die kort voor hem al rustig in de wagen had plaatsgenomen.
“Het is weer laat in de avond, net als gisteren,” riep hij opgewonden. “Wat gebeurt er? Wordt dit een epidemie…een waterlijk in de gracht met vastgebonden schoenveters en gevouwen handen?”
De Cock trok zijn schouders op.
“Mogelijk. Ik kan niet in de vertroebelde hersenpan van de dader kijken.”
Vledder snoof.
“Jij zit al zo lang in dit vak,” riep hij geëmotioneerd. “Ben je nog steeds niet in staat om een betrouwbare profielschets van de dader maken?”
De Cock antwoordde niet direct. Hij monsterde het opgewonden gelaat van zijn jeugdige assistent.
“Die…eh, die twee cognackies bij Smalle Lowietje,” vroeg hij bezorgd, “daar heb je toch geen last van?”
Vledder keek hem vernietigend aan.
“Twee cognackies,” sprak hij meesmuilend. “Als het nou een halve liter was…”
De Cock liet het heikele onderwerp rusten.
Via de Oudebrugsteeg reden ze rechtsaf de rijbaan van het Damrak op. Ondanks het nachtelijk uur was er nog vrij veel verkeer op de weg. Aan de overzijde, op het brede trottoir van het Damrak, liep veel volk en werden de vele snackbarretjes nog druk bezocht.
De oude rechercheur leunde iets naar achteren.
“Als ook nu weer de handen van het waterlijk zijn vastgeplakt,” sprak hij hoofdknikkend, “dan hebben we in elk geval met dezelfde dader van doen.”
Vledder gromde.
“Het is niet aannemelijk dat twee gekken tegelijkertijd op hetzelfde idee komen.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Dat weten we pas als we ter plaatse zijn. En is het zo, met die handen en die voeten, tja, dan geloof ik niet dat de dader gek is,” sprak hij nadenkend. “Integendeel. Hij is wellicht uiterst intelligent. De uitvoering van twee identieke moorden duidt naar mijn gevoel op een zekere symboliek. De dader wil met die moorden iets uitdragen.”
“Wat dan?”
De Cock glimlachte.
“Ik heb werkelijk geen idee. We moeten afwachten wat we te zien krijgen. In mijn lange leven als rechercheur ben ik nog geen moordenaars tegengekomen die zich de moeite getroostten om na hun daad keurig de handen van hun slachtoffers te vouwen.”
Vledder grinnikte vreugdeloos.
“Als die moordenaar iets wil uitdragen,” reageerde hij wild gebarend, “waarom plaatst hij dan geen pakkende advertentie in De Telegraaf… gaat op de hoek van een straat staan en deelt duivelse pamfletten uit of, nog beter…schrijft een boek vol ontboezemingen?”
De Cock blikte even opzij.
“Ik geloof toch,” sprak hij rustig, “dat die twee cognackies jou geen goed hebben gedaan.”
“Barst.”
De Cock lachte vrolijk om de reactie.
“Van jou,” reageerde hij kalm, “een onvriendelijk verlangen.”
Vanaf de Brouwersgracht reden ze de Keizersgracht op. Nog voor de Leliegracht stonden aan de waterkant een wagen van de Geneeskundige Dienst met open deuren en een surveillanceauto van de politie met blauw zwaailicht.
Vledder parkeerde zijn Golf achter de politiewagen. De rechercheurs stapten uit. Een jonge diender liep dreunend op De Cock toe. De oude rechercheur herkende hem van de vorige moord.
“Ik heb weer aan onze wachtcommandant gevraagd of hij de meute wilde waarschuwen. Dit is moord. Absoluut. Geen twijfel. Net als bij dat vorige waterlijk: vastgebonden schoenveters. Dat bevalt me niet. Dat past helemaal niet bij een normaal waterlijk.”
De grijze speurder glimlachte.
“Je hebt gelijk. Het past niet.”
De jonge diender snoof.
“De wachtcommandant zei, net als gisteren: “Wacht maar op De Cock.””
De oude rechercheur liep naast de jonge babbelende diender naar de rand van de gracht. Hij bleef daar staan en liet het licht van zijn zaklantaarn over het dode lichaam glijden. Hij liet het lichtovaal rusten op de devoot gevouwen handen op de borst van de man.
“Zullen we samen proberen of ook nu de vingers zijn vastgelijmd?” vroeg Vledder.
De Cock schudde zijn hoofd.
“Dat laten we aan dokter Rusteloos over.”
Het licht van zijn zaklantaarn gleed naar het gezicht van de man.
Vledder slaakte een gesmoorde kreet.
“Dat gezicht komt me bekend voor. Hebben we die vent niet ergens ontmoet?”
“Nee.”
“Ken je hem?”
De Cock knikte traag.
“Ik ken hem.”
“Waarvan?”
De oude rechercheur gaf zijn zaklantaarn aan Vledder. Uit zijn binnenzak pakte hij de foto die mevrouw Grijpskerk hem had gegeven. Hij nam zijn lantaarn weer terug, reikte Vledder de foto aan en bescheen het portret.
De mond van de jonge rechercheur zakte open.
“Waarachtig…het is Cornelis Grijpskerk.”
De Cock knikte.
“De reisgenoot van Victor Handgraaf. Vermoedelijk één dag later in de gracht gedumpt.”
Vledder blikte opzij.
“Ook één dag later gedood’”
“Op die vraag is geen zinnig antwoord te geven. Mogelijk zijn beide slachtoffers gelijktijdig gedood en heeft de moordenaar ze om een of andere reden niet gelijktijdig in de gracht laten glijden. Maar het kan ook anders zijn.”
De grijze speurder zweeg even.
“Het is ook mogelijk,” ging hij wat geërgerd verder, “dat de moordenaar ze wel gelijktijdig in de gracht heeft laten zakken, maar dat de waterlijken niet gelijktijdig boven zijn komen drijven.”
Vledder grinnikte.
“Ik begin te begrijpen waarom jij zo de pest aan waterlijken hebt.”
“Te veel onzekerheden. Vooral het tijdstip van overlijden en de plek waar de moord heeft plaatsgevonden bieden geen enkel houvast.”
De oude rechercheur slofte van het slachtoffer weg naar de wagen van de broeders van de Geneeskundige Dienst.
Voordat De Cock iets had gezegd, schudde de oudste broeder zijn hoofd.
“We doen het niet. We brengen dat lijk niet weg. Het gaf de vorige keer problemen met onze dienst. We hebben een gewone ambulancewagen voor u besteld.”
Hij keek even om zich heen.
“Die kan volgens mij elk ogenblik komen.”
De broeder kreeg gelijk. Toen de ambulancewagen binnen hun gezichtsveld kwam, liep De Cock naar de jonge diender van de surveillancewagen.
“Laat de wachtcommandant de meute waarschuwen. En op mijn verzoek niet voor deze plek aan de gracht, maar het sectielokaal op Westgaarde.”
De diender knikte begrijpend.
“Je leert snel,” sprak De Cock waarderend.
“Dank u.”
De oude rechercheur monsterde het gezicht van de jonge man.
Hij tikte hem op zijn schouder.
“Hoe heet je?”
“Veenboer…Jan Veenboer.”
De Cock glimlachte.
“Jan Veenboer,” herhaalde hij. “Ik zal jouw naam onthouden. Binnenkort begint de opleiding voor een nieuwe lichting rechercheurs.”
Bram van Wielingen, de fotograaf, kwam met grote stappen het sectielokaal binnen. Hij zette zijn aluminium koffertje op de stenen vloer en liep op De Cock toe.
“Over het tijdstip van de dag zal ik het maar niet hebben,” begon hij. “Heb je een nieuwe werkwijze uitgevonden?” vroeg hij toen grijnzend. “Gaan jouw slachtoffers in het vervolg direct naar het sectielokaal?”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Het wordt geen gewoonte. Maar bij waterlijken is het niet zo belangrijk waar je het slachtoffer vindt. Die plek biedt toch weinig houvast.”
De fotograaf knikte.
“Volgens mij heb je gelijk. Ligt hij op de sectietafel?”
Van Wielingen pakte zijn aluminium koffertje weer op en liep met De Cock naar de granieten tafel. De fotograaf liet zijn blik over het lijk glijden.
“Weet je al wie hij is?”
“Grijpskerk…Cornelis. Hij behoorde net als het vorige slachtoffer tot de Handgraaf Foundation aan de Keizersgracht.”
Bram van Wielingen schoof zijn onderlip iets vooruit.
“Ook die zit goed in het pak. Kijk eens naar de coupe…wat een pasvorm. Er wordt bij die Foundation blijkbaar goed verdiend.”
Hij wees naar de gevouwen handen.
“Hoort ook deze man tot een sektarische groepering?”
De Cock keek hem verwonderd aan.
“Hoe kom je daarbij?”
Bram van Wielingen maakte een wegwerpgebaar.
“Het lijkt wel een manie, een godsdienstige rage. De gewone kerken lopen leeg, maar er duiken steeds meer sektarische groeperingen op met een eigen evangelie.”
“Begin jij ook al?”
De fotograaf wees naar het slachtoffer.
“Kijk maar goed. Dit lijk ligt er net zo bij als het vorige slachtoffer. Gewoon een duplicaat…een uitbeelding van de dood in gebed.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Voor zover mijn onderzoek; reikt hebben deze slachtoffers tijdens hun leven niets met een godsdienstige groepering te maken gehad.”
Bram van Wielingen gromde.
“Ik zou bij jouw onderzoek het idee maar eens in mijn achterhoofd houden.”
De Cock wuifde het idee naar het plafond.
“Maak jij je gebruikelijke plaatjes nou maar. Daar ben je goed in. Ik ga wel op zoek naar de dader.”
“Daders, volgens mij…meervoud.”
De Cock draaide zich om. In de deuropening van het sectielokaal ontdekte hij dokter Den Koninghe. Achter hem torenden twee reusachtige broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.
De oude rechercheur begroette de bejaarde lijkschouwer hartelijk en leidde hem naar het slachtoffer op de sectietafel.
“Zo uit het water van de Keizersgracht gevist,” legde hij geduldig uit.
De lijkschouwer gebaarde naar de dode.
“Het lijkt een kopie van gisteren.”
“Als ook zijn vingers aan elkaar zijn gelijmd, vrijwel zeker ook dezelfde dader.”
Dokter Den Koninghe keek verrast op.
“Aan elkaar gelijmd? Deze ook?”
De Cock knikte.
“Toen dokter Rusteloos tijdens de sectie het borstbeen wilde verwijderen, kon hij de gevouwen handen op de borst niet uit elkaar krijgen. Hij moest ze los snijden.”
De lijkschouwer voelde even aan de vingers van het slachtoffer.
“Volgens mij zijn ze vastgelijmd. De vingers voelen stijf aan.”
De Cock zuchtte.
“Dat vermoedde ik al.”
Dokter Den Koninghe drukte met zijn hand op de borst van het slachtoffer.
“Hij heeft water in zijn longen.”
Hij keek naar De Cock op.
“Heb je de patholoog-anatoom een monster van het longwater laten nemen?”
De oude rechercheur knikte.
“Het water is naar Rijswijk gezonden. In afwachting van het onderzoek in het lab daar meende dokter Rusteloos dat het vocht in de longen van het vorige slachtoffer leidingwater was.”
Dokter Den Koninghe fronste zijn wenkbrauwen.
“Leidingwater?”
“Ja. Het water was volgens dokter Rusteloos niet vervuild. Het leek niet op water uit een gracht.”
De lijkschouwer keek hem schuins aan.
“Wordt het bloed van het slachtoffer onderzocht?”
De Cock haalde zijn schouders op.
“Ik weet niet of dokter Rusteloos dat in zijn programma heeft opgenomen.”
Dokter Den Koninghe gebaarde naar het lijk en prikte daarna met zijn wijsvinger speels op de borst van De Cock.
“Hij is dood.”
“Een absolute zekerheid?” vroeg De Cock vrolijk.
“Zekerheid,” herhaalde de oude lijkschouwer gelaten. “Vraag voor alle zekerheid aan de patholoog-anatoom om een uitgebreid toxicologisch onderzoek.”
“Waarom?” vroeg De Cock verbaasd.
De oude lijkschouwer grinnikte.
“Hoe denk je dat je een volwassen man rustig in een badkuip kunt laten verdrinken?”
Toen Bram van Wielingen en dokter Den Koninghe met zijn broeders van de Geneeskundige Dienst uit het sectielokaal waren vertrokken, stapten Vledder en De Cock in hun Golf en verlieten Westgaarde.
De oude rechercheur blikte opzij naar Vledder aan het stuur.
“Had hij nog iets bijzonders bij zich?”
“Het slachtoffer?” Vledder schudde zijn hoofd. “Het was ook dit keer geen roofmoord. Ir zijn leren portefeuille zat een paar honderd euro. Verder een creditcard, zijn giropas, rijbewijs, kentekenbewijs en zijn Nederlandse paspoort.”
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
“Een kentekenbewijs? Had Victor Handgraaf ook een kentekenbewijs bij zich?”
“Nee.”
De Cock sloeg met de muis van zijn rechterhand tegen zijn voorhoofd.
“Stom, stom. We hebben nog niets met de auto van Victor Handgraaf gedaan!”
“Hoe bedoel je?”
“Die Mercedes van Handgraaf, waarin hij met Cornelis Grijpskerk is weggereden, die wagen moet toch ergens zijn gebleven of zijn achtergelaten? Bel morgenvroeg met het bureau kentekenbewijzen, vraag het kentekenbewijs op en nadere bijzonderheden van de wagen en verstuur een verzoek tot opsporing de wereld in, per telex of wat dan ook.”
Vledder lachte om zijn opmerking.
“Misschien staat de Mercedes wel op een parkeerplaats op Schiphol.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Zover zijn ze niet gekomen. Toen jij vanmiddag de sectie bijwoonde, heb ik met Schiphol gebeld. Handgraaf en Grijpskerk hebben niet geboekt.”
Vledder keek hem verrast aan.
“Als Handgraaf van plan was om met Grijpskerk naar China te gaan, dan kan dat toch alleen per vliegtuig?”
De Cock haalde zijn schouders op.
“Behalve Schiphol zijn er nog andere luchthavens vanwaar je kan vertrekken.”
De oude rechercheur gaapte.
“Breng me maar naar huis. Het is al laat. De warme chocolademelk zal me smaken. Ik val zowat om van de slaap.”
“Je zal toch nog wel wat moeten eten, De Cock. Val je nog niet van de graat?”
De Cock reageerde niet en een tijd lang reden ze zwijgend verder.
Toen Vledder voor het huis van De Cock stopte, keek de oude rechercheur nog even op.
“Heb je de conversatie tussen mij en dokter Den Koninghe in het sectielokaal gevolgd?”
Vledder schudde zijn hoofd.
“Ik was met de papieren van het slachtoffer bezig. Wat is er dan?”
De Cock beet even op zijn onderlip.
“Dokter Den Koninghe stelde me een vraag, die me sindsdien bezighoudt.”
“Wat vroeg hij?”
De Cock grijnsde.
“Hoe denk je dat je een volwassen man rustig in een badkuip kunt laten verdrinken?”