De Cock en Vledder namen vriendelijk afscheid van Herman de Graaf en bedankten hem voor de genoten gastvrijheid en de koffie. Daarna liepen ze terug naar het station. Geen van beiden had meer belangstelling voor de fraaie oude huizen. De Cock sjokte moeizamer dan anders. Vledder keek hem van opzij aan.
‘Het kostte jou maar weinig moeite,’ sprak hij glimlachend, ‘om van vader De Graaf toestemming te krijgen om de opsporing van de verblijfplaats van zijn dochter Mathilde te verzoeken.’
De oude rechercheur bleef even staan.
‘Hij is natuurlijk bang dat ze haar baan bij het modehuis kwijtraakt.’
Vledder snoof.
‘Gezien zijn invaliditeit is ook hij afhankelijk van haar inkomsten.’
‘De wao is geen vetpot,’ antwoordde De Cock en liep zwijgend verder.
Op de grote parkeerplaats startte Vledder de Golf.
‘Terug naar de Kit?’
Ze reden over de dijk langs het IJsselmeer en toen binnendoor naar de kruising waar ze de A7 terug naar Amsterdam namen.
Het viel Vledder op dat De Cock niet onderuitzakte maar van het fraaie Noord-Hollandse landschap genoot.
‘Een verademing, Dick, dit weidse uitzicht,’ verzuchtte hij. ‘O, eh… en ik wil straks nog even naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar het kantoor van het modehuis Verbruggen.’ Vledder keek hem verbaasd aan.
‘Wat wil je daar doen? Zie je niet hoe druk het is. Voor je het weet staan we stil in de file.’
‘Ik wil praten met Christiaan de Klerk,’ sprak De Cock beslist. Vledder grinnikte.
‘Dan hoop ik dat die er nog is. Maar je bent de hele morgen al met hem bezig geweest… zonder resultaat.’
De Cock reageerde niet.
‘Als we straks terug zijn aan de Kit zorg je dat er een bericht uitgaat met het verzoek tot opsporing van de verblijfplaats van Mathilde de Graaf.’
‘Oké,’ antwoordde Vledder gedwee.
De Cock grijnsde.
‘Laat dat oké. Ik vind dat zo’n stom woord. Ook een stomme klank. Het hoort in onze taal niet thuis. Bovendien ben ik nog niet met je klaar.’
‘Wat wil je nog meer?’ vroeg Vledder liefjes.
De Cock gebaarde.
‘Stel je in verbinding met het bevolkingsregister in Amsterdam en vraag de namen en geboortedata op van al de kinderen van Herman de Graaf.’
Vledder reageerde verrast.
‘De kinderen van Herman de Graaf? Waarom?’
De Cock negeerde de vraag.
‘Als je die namen en geboortedata hebt,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘bel je de politie in Groningen en Wageningen en vraag je beleefd of ze voor je willen nagaan op welke adressen de studerende kinderen van Herman de Graaf wonen.’ Vledder snoof.
‘Waarom, als ik vragen mag?’
‘Mathilde de Graaf,’ legde De Cock uit, ‘zal thuis vast nooit iets van haar vreemde gedrag met de directeuren van het modehuis Verbruggen hebben verteld. Het is begrijpelijk dat ze daarover zweeg. Ik kreeg vanmiddag ook niet de indruk dat vader De Graaf daar iets van wist. Maar ik acht de mogelijkheid niet uitgesloten dat het gedrag van Mathilde bij een van haar broers of zusters is uitgelekt.’
‘Bedoel je,’ riep Vledder geschrokken, ‘dat je vermoedt dat een van de broers of zusters van Mathilde uit wraak die moorden heeft gepleegd?’
De Cock keek hem bewonderend aan.
‘Een snelle conclusie, Dick. En ik hoop niet,’ sprak hij bedachtzaam, ‘dat wij onze dader in die richting moeten zoeken… of vinden. Maar het is een reële mogelijkheid… een mogelijkheid waar wij rekening mee moeten houden.’
‘Dat zie ik niet,’ riep Vledder opstandig.
‘Let op je stuur!’ Het klonk bestraffend, toen veranderde de oude speurder van toon.
‘Ik heb in het verleden eens een zaak behandeld waarin een broer doelbewust de pooier afslachtte die zijn enige zuster in de prostitutie had gebracht.’
‘Hoe… eh, hoe zou het gedrag van Mathilde kunnen zijn uitgelekt?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Er zijn tal van mogelijkheden. Denk eens aan Anita de Reus, onze vrolijke flapuit. Ook Andrea van Loosduinen kan door haar omgang met Van Maathuizen veel inlichtingen hebben verzameld. Toen ik tijdens haar verhoor Mathilde de Graaf ter sprake bracht, reageerde ze minachtend: dat hoertje, zei ze. Zij wist dus precies wat er onder het personeel van het modehuis werd gefluisterd.’ Vledder klapte uit woede met de volle vuist van zijn rechterhand op de rand van het stuur van de Golf.
‘Let op het verkeer!’ zei De Cock.
‘Ja ja,’ mopperde Vledder. ‘Allemachtig,’ brieste hij toen, ‘wat hebben we weer een verrekte rotzaak onder handen. Waarom zit het ons nooit eens mee? Ik voel er geen bliksem voor om achter een van de kinderen van die Herman de Graaf aan te gaan. Ik vond hem een sympathieke oude man. Je… je kunt hem toch niet vertellen,’ ging hij hakkelend verder, ‘dat een van zijn kinderen twee moorden heeft gepleegd?’
De Cock liet de jonge rechercheur een tijdje uitrazen. Veel rustiger vroeg Vledder even later:
‘Kun je dat idiote idee dat een van de kinderen van Herman de Graaf bij de moorden is betrokken, niet uit je hersenen laten lekken?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is onze taak moorden op te lossen,’ sprak hij belerend. ‘Daar zijn we voor ingehuurd. En daarbij behoort het zoeken naar een motief. Uit de gezwollen tekst op de receptenbriefjes blijkt een grote emotionele betrokkenheid van de dader met de straf die de slachtoffers naar zijn of haar overtuiging verdienden. Zodat zijn verrotte ziel tot in eeuwigheid in de hel kan branden.’ Vledder gromde.
‘Het is een gek, die zoiets schrijft.’
‘De dader is beslist niet gek,’ zei De Cock. ‘Hij wordt verteerd door de gedachte aan wraak.’
De grijze speurder draaide zich iets naar Vledder toe.
‘Denk eens na… wat hebben de slachtoffers Charles Verbruggen en Antonie van Maathuizen met elkaar gemeen?’
‘Ze waren allebei directeur van het modehuis Verbruggen,’ sprak Vledder grinnikend.
De Cock zuchtte diep.
‘Ze hadden allebei ook een seksuele verhouding met Mathilde de Graaf.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Zijn die seksuele relaties een doodstraf en eeuwig branden in de hel waard?’
‘Het is maar hoe je daar tegenaan kijkt… hoe ze tot stand zijn gekomen.’
‘Zijn die seksuele verhoudingen volgens jou het motief voor de moorden?’
‘Absoluut.’
Vledder snoof verachtelijk.
‘En gezien de emotionele betrokkenheid bij de strafoplegging gaan jouw gedachten uit naar een van de oudere kinderen van Herman de Graaf als dader?’
De Cock knikte.
‘Dat is een mogelijkheid… of iemand anders in de directe omgeving van Mathilde de Graaf, die zo’n emotionele betrokkenheid kan worden toegedicht.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ook vader Herman de Graaf?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij lijkt mij geen man die tot zulke emotionele expressies kan komen zoals op die recepten staan geschreven. Bovendien vormt zijn invaliditeit volgens mij een beletsel om als dader te fungeren.’
‘Als ik jouw ideeën goed beluister, De Cock, dan vormt Mathilde de Graaf de sleutel tot de oplossing van de moorden.’ De Cock knikte traag.
‘Ik durf zelfs de veronderstelling uit te spreken dat zij weet wie de dader is.’
‘Waar baseer je dat op?’ vroeg Vledder.
De Cock gebaarde met zijn handen.
‘Het is een interpretatie van haar vlucht. Zij wil bij ons uit de buurt blijven… bang dat wij haar zullen dwingen om een naam te noemen.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Ze kan toch niet eeuwig op de vlucht blijven?’
De Cock trok een grijns.
‘Misschien hoopt ze erop dat wij zonder haar medewerking de dader vinden.’
Vledder verzonk in gedachten. Na een poosje wees hij voor zich uit.
‘Wil je nog naar de Nieuwezijds Voorburgwal?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Zeker.’
‘Dan storten we ons nu in het stadsverkeer. Hou je vast.’ Tijdens het manoeuvreren tussen het drukke avondverkeer, vroeg Vledder:
‘Wat ben je van plan om in het kantoor van het modehuis Verbruggen te gaan doen?’
‘Bij Christiaan de Klerk een lans breken.’
‘Voor wie?’
‘Mathilde de Graaf. Ik wil dat zij hoe dan ook haar baan behoudt.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Met hetzelfde vorstelijke salaris.’
‘Wat er ook gebeurt,’ zei De Cock, ‘ik wil dat de studie van de kinderen van Herman de Graaf niet in gevaar komt.’
‘Jij bent de goedheid zelve, De Cock. Denk je dat je dat lukt? Jij bent sinds de schermutselingen van vanmorgen wel de laatste aan wie Christiaan de Klerk een gunst zou verlenen.’
‘Ik heb goede argumenten.’
‘Noem eens?’
De oude rechercheur spreidde zijn handen.
‘De verhouding tussen Christiaan de Klerk en Mathilde de Graaf is niet bezoedeld. Er is tussen die twee nooit iets geweest. En ik ben ervan overtuigd,’ ging De Cock verder, ‘dat De Klerk met steun van Mathilde het modehuis Verbruggen heel goed zal kunnen runnen. Zeker nu op het budget niet langer het salaris van twee dure directeuren drukt.’
Vledder lachte.
‘Ik heb nooit geweten dat in jou ook nog een econoom schuilging.’
De Cock gniffelende.
‘Ik hoop dat mijn argumenten hout snijden… dat ik die De Klerk kan overtuigen.’ Hij keek opzij naar Vledder. ‘Heb jij je mobieltje bij je? Bel eens met het modehuis Verbruggen en vraag aan Anita de Reus of de heer De Klerk aanwezig is. Het is in de buurt van de Nieuwezijds Voorburgwal altijd erg moeilijk om je wagen kwijt te raken. Als hij er niet is, heeft het geen zin dat te proberen.’
‘Je mag niet bellen in de auto,’ zei Vledder gekscherend terwijl hij met één hand zijn mobieltje tevoorschijn haalde en het nummer toetste dat De Cock hem opgaf.
Vledder had een geanimeerd gesprek met de pientere receptioniste. Na een paar minuten drukte hij zijn mobieltje uit en keek op naar De Cock.
‘De Klerk is er niet. Hij is na zijn bezoek aan ons bureau nog wel even op kantoor van het modehuis geweest, maar is kort daarna naar huis gegaan. Anita de Reus vond dat hij er slecht uitzag.’
‘Heb jij zijn adres?’
‘Dat gaf ze me net, maar ik wist het al. Ergens op de Prinsengracht.’
‘Dick Vledder,’ vroeg De Cock ineens lijzig, ‘had jij niet een afspraak met dokter Rusteloos over het resultaat van de sectie op het lijk van Van Maathuizen?’ Hij keek op zijn horloge. ‘Je mag wel opschieten anders is die al naar huis. Breng mij maar naar het huis van Christiaan de Klerk. Dan rij jij naar Westgaarde. Ik vind mijn weg wel terug naar de Kit.’
Vledder kwam met een stuurs gezicht de grote recherchekamer binnenstuiven. Hij plofte op de stoel achter zijn bureau en zuchtte omstandig.
De Cock stak afwerend zijn handen omhoog.
‘Ik weet dat je midden in een file terecht bent gekomen. En dat je daar zo slecht tegen kan. Een metertje vooruit en weer stoppen… een metertje vooruit en dan weer stoppen. Daar word jij gallisch van, sikkeneurig. Niets te eten en het liefst zou je in een tank…’
Er brak bij Vledder een glimlach door.
‘Goed, goed… daar heb ik het niet over. Hoe ben jij gevaren?’ De Cock tuitte zijn lippen.
‘Heel goed. Ik heb kennisgemaakt met de vriend van Christiaan de Klerk, ene Radboud van Everdingen. Leuke vent… vrolijk, hartelijk, amicaal… lijkt uiterlijk wel een beetje op De Klerk… is alleen wat modieuzer gekleed… niet zo slonzig.’
Vledder boog zich iets naar hem toe.
‘Mathilde de Graaf?’ vroeg hij dringend.
De Cock wreef zich even achter in zijn nek.
‘Ik had het geluk dat die vriend mij wel sympathiek vond. Hij steunde direct mijn argumenten. Ik had aanvankelijk wat moeite om mijn houding te bepalen. In feite bemoeide ik mij met het personeelsbeleid van de directeur van een florerende onderneming.’
‘Hoe liep het af?’ vroeg Vledder.
De Cock zuchtte.
‘Radboud van Everdingen was van mening dat Christiaan de Klerk veel meer in zijn mars had, dan de man zelf vermoedde en dat Christiaan met een trouwe hulp aan zijn zijde zeker in staat zou zijn om leiding aan het modehuis te geven. Hij adviseerde zijn vriend om te beginnen met zich beter te kleden, dan kwamen volgens hem de gevoelens van superioriteit vanzelf naar boven.’ Vledder glimlachte. ‘Goed advies. En Mathilde de Graaf behoudt haar baan en haar salaris blijf onverkort.’
De Cock knikte.
‘Dat heeft De Klerk mij uitdrukkelijk beloofd en zijn vriend was het daar volkomen mee eens. Hij vond het een schitterende oplossing.’
De oude rechercheur trommelde met zijn vingers op het bureau. ‘Er zit alleen een klein addertje onder het gras.’
‘En dat is?’ vroeg Vledder.
‘Mathilde de Graaf moet binnen een maand weer boven water komen om haar werkzaamheden voor het modehuis te hervatten. Ik vond dat een redelijke termijn.’
Vledder zuchtte.
‘Het is te hopen dat ons verzoek om signalering snel succes oplevert.’
De Cock kauwde even op zijn onderlip.
‘Als ze in Nederland ergens in een hotelletje is neergestreken, dan werkt dat wel. Als ze in het buitenland zit, wordt de kans kleiner. Ik heb voor mijzelf de stille hoop dat ze tijdelijk bij een van haar studerende broers of zusters is ondergedoken. We moeten morgenochtend maar eens vroeg op pad gaan. Om te beginnen gaan we naar Groningen.’
De grijze speurder gebaarde voor zich uit.
‘Heb jij al contact gehad met de politie in Groningen en Wageningen?’
‘Hoe kan dat nou?’ riep Vledder verongelijkt. ‘De hele dag zijn we in de weer: vanmiddag naar Hoorn, aansluitend heb ik jou afgezet bij het huis van Christiaan de Klerk, toen ben ik als een gek naar Westgaarde gereden. Op de terugweg zat ik weer in de file. Ik heb geen kans gehad om…’
De Cock onderbrak hem lachend.
‘Ik heb het al voor je gedaan. Ik heb een keurig bericht verzonden voor de opsporing van de verblijfplaats van Mathilde de Graaf. Ik heb gebeld met onze collega’s in Groningen en Wageningen. De adressen van de oudere kinderen van Herman de Graaf liggen rechtsboven in de la van je bureau.’
‘De Cock, soms ben je een ellendeling. Waarom jaag je mij eerst op de kast?’
De Cock gniffelde.
‘Ik wilde je alleen even plagen.’
De telefoon rinkelde. Vledder wees ernaar.
‘Zullen we hem maar laten bellen?’
‘Nee, pak maar op,’ zei De Cock.
De grijze speurder monsterde het gezicht van zijn jonge collega. Hij zag aan zijn expressie onmiddellijk dat Vledder naar iets verschrikkelijks luisterde.
Toen Vledder de hoorn op het toestel teruglegde, zag hij bleek.
‘Wie was het?’
‘Christiaan de Klerk.’
‘Christiaan de Klerk?’ sprak De Cock misprijzend. ‘Wat had ie?’
‘De Klerk heeft zojuist bij hem thuis aan de Prinsengracht zijn geliefde vriend Radboud van Everdingen dood aangetroffen.’ De Cock streek met de rug van zijn hand langs zijn droog geworden lippen.
‘Vermoord?’
Vledder knikte.
‘Gewurgd met een wurgkoord en op een van de revers van zijn colbert hangt een briefje met een tekst.’