7

De Cock leunde achterover op zijn bureaustoel en blikte op de klok boven de toegangsdeur naar de grote recherchekamer. Het was een paar minuten na drie uur. Hij gebaarde vergenoegd voor zich uit.

‘We hebben al veel gedaan vandaag. Die keurige meneer Gerbrandsen verhoord, die zich als dader presenteerde. Met Van Maathuizen van het modehuis Verbruggen gesproken en jij hebt Anita de Reus, die kleine pittige receptioniste laten praten…’

Vledder onderbrak hem.

‘En jij hebt onze geachte commissaris weer eens op stang gejaagd.’

‘En jou tegen hem in bescherming genomen,’ zei De Cock en wees daarbij op Vledder.

‘Alles bij elkaar… veel gedaan vandaag.’

Vledder gromde.

‘Maar we zijn nog niets opgeschoten. Wij hebben in ons onderzoek geen wezenlijke vorderingen gemaakt.’

‘De dag is nog lang.’

‘De Cock, Bram van Wielingen heeft ook al foto’s van de affaire Verbruggen laten bezorgen, dat vergat ik je te zeggen. Ik heb ze in de la van je bureau gelegd.’

‘Zijn daar ook de foto’s van het bewuste recept bij.’

‘Ja.’

De Cock trok de la open en legde de foto’s naast elkaar voor zich op het bureaublad. Van Wielingen had goed werk geleverd. Op de haarscherpe vergrotingen was de tekst op het recept duidelijk te lezen.

‘Niet te geloven, onderaan staat toch z.o.z.,’ merkte hij op. ‘Dat zei ik toch,’ antwoordde Vledder. ‘Maar heel onduidelijk. Ik heb dat gisteravond over het hoofd gezien.’

Ineens staarde de oude rechercheur Vledder aan.

‘Ik heb je er vandaag nog niet over gehoord,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Maar moet jij vandaag geen gerechtelijke sectie op het lijk van Willebrord Theodorus Gredanus Verbruggen bijwonen?’

Vledder keek verschrikt op.

‘Ja, waarachtig, vandaag, om vier uur. Ik was het bijna vergeten. Ik heb vanmorgen vroeg al een afspraak gemaakt met dokter Rusteloos. Hoe laat is het? Red ik het nog?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Je hebt nog ruim de tijd. Het is goed drie uur. Maar nu moet je wel opstappen. Als het verkeer tegenzit, red je het niet.’

‘Wat ga jij intussen doen?’ vroeg Vledder.

De Cock glimlachte.

‘Ik ga naar het Centraal Station.’

‘Wat moet je daar doen?’ vroeg Vledder verbaasd.

‘Een trein nemen die naar Purmerend rijdt.’

‘Dan mag jij nu ook wel opstappen. Wat wil je doen in Purmerend?’

De Cock liep naar de kapstok en begon zijn jas aan te trekken.

‘Ik ga in Purmerend in de Fluitstraat onze oude vriend dokter Van Aken opzoeken en hem vragen of het zijn gewoonte is om in zijn bloeiende praktijk blanco receptenpapiertjes te laten slingeren.’ Toen zette hij zijn hoedje op en deed de deur open.

Jan van Aken was van alle huisartsen de bekwaamste die ooit in Purmerend en omstreken zieken, zwakken en gewonden had bijgestaan, vond De Cock. Heel ongedwongen, in een overhemd met een nonchalant dik vest erover, zat hij achter zijn bureau in de gezellige spreekkamer. Hier voelden zijn patiënten zich beslist op hun gemak.

Lachend keek hij De Cock aan.

‘Hoe kom jij hier… als patiënt of als ambtelijk beschermer van belaagden, kinderen en maagden?’

De oude rechercheur grinnikte.

‘Ik wist niet dat jij je patiënten onder deze drie categorieën onderbracht.’

De huisarts knikte instemmend.

‘De maagden,’ reageerde hij met een vrolijke grimas, ‘vormen een minderheid.’

De Cock lachte.

‘Ik kom noch als het een, noch als het ander.’

‘Jij hebt ook geen platvoeten?’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Vanmorgen nog niet.’

Jan van Aken grijnsde.

‘Jij bent toch rechercheur, De Cock. Toen ik klein was verslond ik de avonturen van de Saint. Die held met het aureool van een heilige sprak altijd spottend over “een paar platvoeten” en daarmee bedoelde hij een rechercheur. Rechercheurs hadden volgens hem altijd platvoeten van het vele lopen.’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Dat is uit het stenen tijdperk. Ik heb heus mijn kilometers door Amsterdam getrokken, zonder platvoeten. Maar de huidige rechercheurs lopen niet zo veel meer.’ Hij nam een fotokopie uit de binnenzak van zijn colbert en schoof die over het bureau. ‘Jan van Aken, schrijf jij dergelijke recepten uit?’ vroeg hij plagend.

Van Aken nam het papier op.

‘Een receptenbriefje van mij?’ zei hij verbaasd.

‘Pede poena claudo,’ las hij toen hardop.

De Cock wees op de fotokopie van het briefje.

‘Weet jij wat dat betekent?’

Van Aken trok een grijns.

‘Als je medicijnen hebt gestudeerd, moet je wel iets van Latijn weten. Maar ik heb geen flauwe notie wat straf met kreupele stappen moet betekenen.’

De Cock glimlachte.

‘Ik ken alleen wat potjeslatijn. Maar ik weet dat het een Latijns gezegde is. Het betekent zoveel als: straf die laat op de misdaad volgt.’

Van Aken las verder.

‘Een prikkelende tekst,’ merkte hij op. ‘Hoe kom je hieraan?’

‘Het zat met een veiligheidsspeld op de revers van een vermoorde man geprikt.’

‘Merkwaardig. En waarom, als ik je vragen mag?’

‘Dat zou ik aan de moordenaar moeten vragen en die ken ik nog niet.’

Jan van Aken wees naar de fotokopie.

‘Hoe… eh, hoe komt die moordenaar in vredesnaam aan een blanco receptenbriefje van mij? Ik vind dit een angstig idee.’ De Cock knikte.

‘Precies. Daarvoor ben ik naar Purmerend gekomen. Laat jij wel eens blanco receptenbriefjes slingeren?’

Van Aken schudde zijn hoofd.

‘Integendeel. Ik ga er altijd heel zorgvuldig mee om.’ Hij schoof zijn stoel iets achteruit en trok een lade van zijn bureau open.

‘Kijk, hier liggen ze. En ik heb er altijd een stel bij me voor het geval dat ik tijdens een visite een recept moet uitschrijven.’

‘En daarvan kan je er nooit een zijn kwijtgeraakt?’

‘Ik zou niet weten hoe. En ik tel ze ook niet.’

‘Is er hier bij jou op de praktijk wel eens ingebroken?’

‘Nee.’

‘Dan moet iemand dus in de la van jouw bureau hebben gezeten. Kan dat?’

Van Aken keek nog eens in de la en schoof hem toen dicht.

‘Het gebeurt wel eens dat ik even word weggeroepen. Of heel even naar de behandelkamer moet.’

‘Terwijl hier iemand zit?’

‘Ja.’ Het leek of de huisarts zich schuldig voelde.

De Cock zuchtte.

‘Dat betekent,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat de man of de vrouw die in het bezit was van het blanco receptenbriefje waarop later deze vreemde tekst is geschreven, een patiënt van jou is, of was, of in elk geval een keer hier moet zijn geweest.’

‘Dat is zeker mogelijk,’ zei Van Aken. Hij keek met een sceptische blik omhoog naar De Cock. ‘Wat wil je… dat ik mijn hele patiëntenbestand uitspit en bij iedereen moet nadenken of er een dief in schuilt?’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Nee,’ zei hij vergoelijkend, ‘maar wanneer ik in mijn onderzoek op een man of een vrouw stuit, die ik als een mogelijke dader zou kunnen aanduiden, mag ik dan voorzichtig aan jou vragen of die persoon bij jou ooit in behandeling is geweest?’

Van Aken voelde zich duidelijk opgelucht.

‘Als ik jou en de wet kan dienen,’ grinnikte hij, ‘zal ik dat niet nalaten.’

Toen De Cock de grote recherchekamer binnenkwam wierp hij zijn oude hoedje met meesterlijke precisie op de haak van de kapstok. Het toverde een blijde glimlach op zijn gezicht. Daarna wurmde hij zich uit zijn regenjas, liep glunderend naar zijn bureau en liet zich in zijn stoel zakken. De oude rechercheur monsterde de sombere trekken op het gezicht van Vledder.

‘Is er wat?’

De jonge rechercheur gromde.

‘Ik ben net binnen.’

‘Had dokter Rusteloos zoveel tijd nodig?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Welnee,’ riep hij opgewonden. ‘Rusteloos was gauw klaar. Hij vond gebroken kraakbeenringetjes in de luchtpijp van het slachtoffer. Die oude lijkensnijder weet bij verwurging toch precies waar en wat hij zoeken moet.’

‘Geen bijzonderheden?’

Vledder tuitte zijn lippen.

‘Gezien de diepe en scherpe insnoeringen van het wurgkoord in de hals schatte de dokter dat de dader over een meer dan gewone lichaamskracht beschikt.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Daar doen we ook niet veel mee,’ sprak hij geringschattend. ‘Er zijn zoveel mensen die een sport beoefenen die de kracht van handen en armen activeert… Heb je het wurgkoord meegenomen?’

Vledder wees op een plastic zak op zijn bureau.

‘Rusteloos heeft het voor mij schoongemaakt en ontsmet.’

‘Heb je de kleding die Verbruggen op de avond van de moord droeg nog nageplozen?’

‘Natuurlijk.’ Vledder knikte verbaasd. Hij wist wat hem te doen stond, wat dacht De Cock nou.

‘Ik vond in de kontzak van zijn broek een fraaie, in leer gebonden agenda. Ik heb nog niet gekeken of er iets bijzonders voor ons in staat.’

De Cock glimlachte, hij voelde de wrevel van Vledder wel aan, maar hij wilde altijd grip op alle onderdelen van een onderzoek houden.

‘Dan is alles toch goed verlopen?’

Vledder gromde.

‘Ik kwam midden in een file terecht.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘En daar kan ik slecht tegen. Een metertje vooruit en weer stoppen… een metertje vooruit en weer stoppen. Gallisch word ik van het spitsuur in de stad. Als ik op zo’n moment in een tank zou rijden, schoof ik alles voor mij van de weg.’

‘Ik wist niet dat jij zo gewelddadig kon zijn, Dick. Intussen zat ik rustig in de trein.’

Vledder boog zich iets naar voren.

‘En, heeft dokter Jan van Aken bekend dat hij blanco receptenbriefjes laat slingeren?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik ben in zijn spreekkamer geweest en ik weet nu waar hij die bewaart. Zo’n briefje moet in een onbewaakt ogenblik uit een la van zijn bureau zijn gestolen.’

‘Dat kan een assistente zijn, een schoonmaakster of een patiënt.’

De Cock knikte.

‘Dat laatste ligt het meest voor de hand.’

‘Hebben we daar wat aan?’

‘Je bedoelt voor ons onderzoek?’

‘Misschien moeten we dat hard maken.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Misschien in de toekomst.’

De oude rechercheur stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

‘Waar ga je heen?

De Cock draaide zich half om.

‘Wij gaan nu naar Smalle Lowietje.’

Vledder grijnsde.

‘Ik weet het. Jouw dorstige keel snakt naar het fluweel van een cognackie. Maar mijn hongerige maag snakt naar een broodje, De Cock. Het is etenstijd.’

‘Dan neem je bij Lowietje maar iets hartigs.’

Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in het wereldje van de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, zwaaide al meer dan een kwarteeuw met milde hand de scepter in het schemerig intieme lokaaltje, dat hij vol trots als ‘mijn etablissement’ betitelde.

Het was erg druk op dit uur van de dag. Mannen en vrouwen die na werktijd graag wat napraatten bij een drankje voordat ze naar huis gingen of een hapje gingen eten in een of ander restaurantje.

Toen de rechercheurs binnenstapten, begroette Lowietje hen uitbundig over de hoofden van de gasten heen. De Cock schudde hij hartelijk de hand tussen twee mannen aan de bar door. Op zijn miezerig muizensmoeltje lag een gulle glans van verrukking. Smalle Lowietje was bijzonder op de grijze speurder gesteld… een genegenheid, die door De Cock soms schaamteloos werd uitgebuit.

De Smalle wuifde met een joviaal gebaar tegen een paar bezoekers dat ze plaats moesten maken aan de tapkast.

‘Ik ben blij u weer te zien,’ zei hij vrolijk tegen De Cock. ‘Ik was al bang dat u van de commissaris een strak drankverbod had opgelegd gekregen.’

De Cock schoof glimlachend op de vrijgekomen kruk. Vledder bleef naast hem staan.

‘Een drankverbod zou voor mij einde verhaal betekenen. Ik diende dan onmiddellijk mijn ontslag in.’

Smalle Lowietje lachte en keek de twee rechercheurs aan.

‘Hetzelfde recept?’

Zonder op antwoord te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en kwam omhoog met een fles verrukkelijke Franse cognac Napoleon, die hij speciaal voor De Cock gereserveerd hield. Hij zette met een routinegebaar drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in. Lowietje dronk altijd een glaasje mee.

‘En heb je wat hartigs voor de jongeman?’ vroeg De Cock met een schuinse blik naar Vledder.

‘Zeker, wordt geregeld.’

Lowietje keek op.

‘Druk aan de Kit?’ vervolgde hij. De Cock trok achteloos zijn schouders op.

‘De misdaad kent geen vijfdaagse werkweek,’ antwoordde hij vlak. ‘En van atv-dagen heeft de penoze nog nooit gehoord.’ Voorzichtig nam hij zijn glas op, warmde het in de kom van zijn hand en nam een slokje. Met gesloten ogen liet hij de cognac door zijn keel glijden. Begeleid door een zoete zucht zette hij zijn glas weer voor zich op de bar neer.

Vledder wachtte nog even tot hij een bodempje in zijn maag had gelegd met de stukjes kaas en worst die Lowie met een zwierig gebaar voor hem op de bar had getoverd. Zwijgend begon hij te eten. Bij de bezoekjes aan het etablissement van Smalle Lowietje had hij toch al het gevoel dat hij er voor spek en bonen bij zat.

‘Lowie,’ sprak De Cock gedragen, ‘dit zijn van die schaarse momenten in het leven, die mij zelfs met de misdaad verzoenen.’ Smalle Lowietje keek hem vertederd aan.

‘De Cock,’ sprak hij bewonderend, ‘jij kunt soms van die mooie dingen zeggen.’

De grijze speurder glimlachte.

‘Doe jij wel eens aan de mode?’

Smalle Lowietje streek met zijn kleine handjes over zijn morsige vest.

‘Mijn mode,’ grijnsde hij, ‘is al een kwarteeuw onveranderd.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Weet jij iets van modehuizen?’

De tengere caféhouder knikte Vledder toe.

‘Smaakt het?’Daarna richtte hij zich met een hulpeloos gebaar naar De Cock. ‘Ik ken wel een grietje dat in een modehuis werkt. Daar heeft ze een moordbaan.’

‘Gisteravond hebben wij de directeur van het modehuis Verbruggen aan de Nieuwezijds Voorburgwal dood in zijn fraaie pand aan de Keizersgracht gevonden. Vermoord. Iemand legde een strop om zijn nek.’

Smalle Lowietje keek verrast.

‘Dat is het.’

‘Wat?’

‘Waar dat grietje werkt: modehuis Verbruggen.’

‘Hoe heet ze?’ vroeg De Cock.

Smalle Lowietje maakt een schouderbeweging.

‘Haar voornaam ken ik niet. Maar ze is de oudste dochter van Herman de Graaf.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘En wie is Herman de Graaf?’

De tengere caféhouder wuifde.

‘Herman de Graaf kwam vroeger vaak hier in mijn etablissement. Een vaste bezoeker. Hij zat in de bouw. Een prima vakman. Hij verdiende zo goed dat hij zijn oudste dochter heeft kunnen laten studeren. Hij was altijd erg trots op die meid. Volgens hem een kanjer.’

‘Die Herman de Graaf komt hier niet meer bij jou?’ Smalle Lowietje schudde zijn hoofd met een droeve uitdrukking op zijn gezicht.

‘Lang niet meer gezien. Hij is slecht ter been. De laatste keer dat ik hem heb gezien liep hij achter zo’n karretje, een rollator.’

‘Waarom?’

Smalle Lowietje trok een gekweld gezicht.

‘Herman de Graaf is van een steiger gevallen en kwam in de wao terecht. Met een hok vol kinderen is dat geen vetpot. Ik denk dat een borreltje buiten de deur er niet meer af kon.’

‘Weet je waar hij woont?’

Smalle Lowietje zuchtte.

‘Hij woonde vroeger vooraan op de Kromme Waal. Ik heb later gehoord dat zijn vrouw daar nog is gestorven.’

‘Is hij daarna verhuisd?’

‘Ik heb gehoord dat hij in verband met de verzorging van zijn vele kinderen kort na haar dood opnieuw is getrouwd. Met een knappe weduwe, die hij al geruime tijd kende… vrouw van een gestorven vriend uit de Vierwindenstraat. Ik geloof niet dat hij nog in de stad woont. Volgens de laatste berichten zou hij nu met haar ergens in Hoorn wonen.’

Bij het noemen van de Vierwindenstraat keek Vledder op. Daar had hij Mathilde toch naartoe gebracht! Kon toeval zijn natuurlijk.

‘Heeft die oudste dochter ooit op de Wallen gezeten?’ vroeg De Cock.

Smalle Lowietje reageerde furieus.

‘Ben je belazerd,’ riep hij geschokt. ‘Die oudste van Herman is een keurige meid. Hij nam haar wel eens mee naar hier… om te pronken. Een schatje. Herman de Graaf was zelf ook een toffe gozer. Geen penozejongen, maar gewoon een hardwerkende bouwvakker.’

De Cock zuchtte omstandig. Het duizelde hem een beetje. Het verhaal van Smalle Lowietje tolde door zijn hoofd. Ook hij dacht aan de avond ervoor. Hij wees naar zijn glas.

‘Lowie,’ sprak hij hees, ‘schenk nog eens in.’

Загрузка...