Met de zachte gloed van verrukkelijke cognac in hun aderen slenterden De Cock en Vledder vanuit het etablissement van Smalle Lowietje naar de Achterburgwal. Het was er bijzonder druk. Een omvangrijk leger van behoeftigen slofte turend en keurend langs de vele ramen waar hoertjes van velerlei fatsoen in barmhartig zachtrood licht hun bekoorlijkheden uitstalden.
In de tientallen jaren die De Cock aan het beruchte politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat dienstdeed, had hij beroepshalve dikwijls het fenomeen van de Wallen in vol bedrijf bezien. Steeds met verbijstering. De oude rechercheur kon zich ook in zijn jonge jaren niet voorstellen hoe vele mannen schijnbaar zonder enige voorbereiding, vrijwel ad hoc, met een prostituee de liefde konden bedrijven. Zijn eigen seksuele behoefte, zo wist hij, vergde wel enige tijd van toewijding, intimiteit en emotie.
Vledder zag de rosse buurt als een toeristische attractie. Hooguit glimlachte hij om de reacties van de mannelijke en de vrouwelijke passanten.
Het begon weer te regenen, niet fel, maar zacht, miezerig. Het deerde het leger van behoeftigen niet. Het slofte onverdroten voort. De business bleef in vol bedrijf. Bij enkele nieuwe beeldschone Zuid-Amerikaanse meisjes stonden mannen, meest met snorren, geduldig in de rij.
De Cock schoof zijn oude hoedje iets naar voren en trok de kraag van zijn regenjas omhoog. Met zijn vlakke hand veegde hij de regen van zijn gezicht en blikte speels opzij naar Vledder.
‘Heb je goed geluisterd?’
‘Ik was even aan het kijken. Naar wie moest ik luisteren?’
‘Smalle Lowietje.’
‘Zeker.’
‘Hoe… eh, hoe vond je het fraaie verhaal van hem over bouwvakker De Graaf en zijn kroost?’
De jonge rechercheur grijnsde.
‘Dat was behoorlijk verrassend, ja.’
‘In welk opzicht?’ vroeg De Cock.
‘Neem jij aan dat de oudste dochter van bouwvakker Herman de Graaf, de Mathilde de Graaf is met wie wij kennis hebben gemaakt?’
De Cock knikte traag.
‘Daar heeft het alle schijn van… heeft een vette baan bij het modehuis Verbruggen… woont in de Vierwindenstraat… het kan niet missen.’
Vledder snoof.
‘Er zijn meer woningen in de Vierwindenstraat. En jouw vriend Smalle Lowietje schetst van haar een totaal ander beeld. Het lijkt niet op onze eigen ervaringen met de frivole secretaresse, of van de furie die ik in de auto had.’
De Cock knikte.
‘Veel lieflijker.’
‘Een gekleurd geschetst beeld?’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Misschien iets te rooskleurig,’ sprak hij toen. ‘Ik voel er toch veel voor om bij de beoordeling van het gedrag van Mathilde de Graaf ook de visie van onze tengere caféhouder op te nemen.’
‘Waarom zou je?’ vroeg Vledder.
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘De praktijk heeft geleerd dat Smalle Lowietje in de regel goed is geïnformeerd.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik heb er moeite mee,’ reageerde hij bedachtzaam. ‘Volgens mij bestaan er geen twee Mathildes de Graaf.’
‘Hoe bedoel je?’
Vledder spreidde zijn handen.
‘Een Mathilde de Graaf die een gemene leugenachtige verklaring bij de zedenpolitie over mij aflegt… tevens het hoertje van nota bene drie directeuren tegelijk…’
‘En,’ vulde De Cock glimlachend aan, ‘een keurige en oppassende intelligente dochter, pronkstuk van haar liefhebbende vader. Smalle Lowietje sprong bijna uit zijn vel toen ik hem vroeg of ze wel eens op de Wallen had gezeten.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat past toch ook niet.’
De Cock lachte.
‘Er moet een combinatie zijn waarin die schijnbaar tegengestelde eigenschappen wel passen.’
‘Ik zie die combinatie niet,’ reageerde Vledder nukkig. Toen bleef hij abrupt staan. ‘Is het niet mogelijk dat Smalle Lowietje ons met opzet een verkeerd beeld van die vrouw schetst?’
‘Waarom zou hij?’
‘Geen idee.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Zolang ik Smalle Lowietje ken heeft hij mij nog nooit met opzet bedrogen of valse informatie verstrekt.’
Vledder snoof, hij wilde doorlopen, maar De Cock maakte geen aanstalten.
‘De tengere caféhouder blijft in hart en ziel een jongen van de penoze,’ zei Vledder een beetje minachtend.
Voortgestuwd door een stel opgewonden Oost-Europeanen, liep De Cock door.
‘Sommige mensen,’ sprak hij gedragen, ‘verdienen na jaren van gedrag en houding jouw vertrouwen. Wanneer je dat vertrouwen zonder aanwijsbare redenen verliest, mis je de basis van je leven.’
‘Dat klinkt prachtig,’ grinnikte Vledder.
‘Ik meen het.’
Vledder spreidde zijn armen.
‘Jij gaat door het verhaal van Smalle Lowietje in een kuise en onbezoedelde Mathilde geloven?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Kuis en onbezoedeld… hoe gebruik je deze begrippen? Waar hebben we het over in deze omgeving.’ Hij zweeg even. ‘Ik vraag mij af hoe jij en ik over Mathilde de Graaf denken wanneer wij deze zaak tot een oplossing hebben gebracht.’
‘Wat verandert er dan?’
De Cock zuchtte.
‘Ik hoop dat wij dan alle facetten kennen om tot een juist oordeel te komen.’
Vledder versnelde zijn pas.
‘Ik heb mijn oordeel al klaar,’ riep hij venijnig. ‘Mathilde de Graaf is een leugenachtige slet.’
De Cock had geen zin verder op het onderwerp in te gaan. Nors dook hij diep in zijn kraag. Voor Vledder een teken dat het gesprek beëindigd was.
Via de Korte en de Lange Niezel liepen ze naar de Warmoesstraat.
Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten wenkte Jan Rozenbrand De Cock met een kromme vinger.
De oude rechercheur liep op hem toe.
‘Ben je er nog? Weet je hoe laat het is?’
‘En jij dan, De Cock, jij bent ook al zowat twaalf uur in de weer.’
‘Wat is er?’ vroeg De Cock, die het daar niet over wilde hebben.
Jan Rozenbrand zuchtte.
‘Ik ben blij dat jullie er eindelijk zijn. Er kwam ongeveer een halfuurtje geleden een bericht binnen van een vrouw, die hortend en stotend vertelde dat zij haar nieuwe vriend dood in zijn woning had aangetroffen.’
‘Verder?’
‘Omdat haar verhaal nogal verward en onsamenhangend over kwam, heb ik een surveillancewagen naar de Herengracht 1384 gestuurd.’
‘Heb je al reacties?’
De wachtcommandant wees naar de telefoon.
‘Ik kreeg zojuist de melding binnen van de bemanning van de surveillancewagen, dat op het genoemde adres — een fraai grachtenpand — inderdaad een dode man was.’
De Cock trok een grijns.
‘Vredig gestorven?’
Jan Rozenbrand schudde zijn hoofd.
‘Vermoord.’
Op de gladde houten steiger achter het politiebureau stapten De Cock en Vledder in hun oude Golf. Vanaf de Oudebrugsteeg reden ze rechts de rijbaan van het Damrak op. Het regende nog steeds. Vledder deed de ruitenwissers aan.
De Cock zakte ver onderuit. De oude rechercheur meed zo veel mogelijk het uitzicht op de zwiepende ruitenwissers. Ze hadden op hem een bijna magische invloed. Wanneer hij bleef kijken had hij de onbedwingbare neiging om de zwaaiende ruitenwissers met zijn ogen te volgen tot zijn pijnlijke nekspieren het begaven.
Hij blikte schuin omhoog.
‘Zegt jou het adres Herengracht 1384 iets?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Maar ik heb al mijn aantekeningen van vandaag nog niet helemaal kunnen uitwerken. Misschien kom ik het adres nog wel ergens tegen.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Het komt mij bekend voor. Het adres sluimert ergens in mijn achterhoofd.’
Vledder gromde.
‘We hebben er al één op onze nek. Kunnen we een nieuwe moord nog wel gebruiken?’
De Cock grijnsde.
‘Dat wordt wel lastig. Misschien moeten we aan Buitendam om assistentie vragen. Of we moeten er een andere dienst mee opzadelen.’
‘Hoe?’
‘Als er seks in het spel is.’
Vledder glimlachte.
‘Schuiven we de moord naar de zedenpolitie.’
Op de Herengracht parkeerde Vledder hun Golf pal achter de surveillancewagen met zwaailicht. Ze stapten uit. Vanachter het stuur van de surveillancewagen kwam een jonge diender. Hij liep voor om de wagen heen en wees naar een jonge vrouw op de achterbank.
‘Zij heeft het lijk ontdekt en de politie gebeld,’ sprak hij zonder inleiding tegen De Cock en Vledder. ‘Ze had een sleutel van het pand… gekregen van die dode man. Dan hoefde ze niet te bellen. Die sleutel heb ik onder mij genomen. Ze heet Andrea van Loosduinen. Ik zal haar naam en adres en de inbeslagneming van de sleutel in een proces-verbaal vermelden. Aan een echt verhoor van haar heb ik mij maar niet gewaagd. Dat laat ik liever aan jullie over.’
De Cock glimlachte.
‘Keurig. Waar is jouw collega?’
De diender wees schuin omhoog naar een groene halfopen deur op een verlicht bordes.
‘Boven, bij het lijk. We hebben de meute al voor u gewaarschuwd.’
De Cock liep aan de jonge diender voorbij en beklom vermoeid de stenen treden van het bordes. Vledder volgde lichtvoetig. Het moest niet makkelijk zijn voor zijn oude collega, zo’n lange dag in touw… en niet eens een fatsoenlijke maaltijd. Hij voelde aan zijn maag en liep achter De Cock aan door de hal van het fraaie grachtenpand, een marmeren gang door met ook hier wulpse engeltjes aan het plafond. Midden in die gang, bij een open deur, stond een wat oudere diender. Ter begroeting tikte hij even aan zijn pet. Daarna wees hij in het vertrek naar de rug van een man, die in een leren fauteuil voor een monumentale schouw zat.
‘Ik ben maar niet dichterbij gekomen om geen sporen uit te wissen. De jonge vrouw die hem vond, zei dat de man niet meer leefde. Daar ben ik maar van uitgegaan. Ik heb hem ook niet meer zien bewegen.’ Hij grinnikte alsof hij net een grap had verteld. ‘Die twee stokjes op zijn rug zijn volgens mij van het koord waarmee hij is gewurgd.’
De Cock knikte.
‘Goed opgemerkt,’ sprak hij lovend, waarna hij het vertrek betrad.
Vledder liep hem op zijn tenen na. De Cock slofte voorzichtig om de leren fauteuil heen en keek strak in het dode gelaat van het slachtoffer. Het was geen prettige aanblik. Het gezicht was door de strangulatie gezwollen. De wijd opengesperde ogen staarden in het niets en de tong stak half uit de mond. Vledder, achter hem, hijgde in zijn nek.
‘Het is die Van Maathuizen van modehuis Verbruggen.’ De Cock knikte.
‘Met een recept op een van de revers van zijn colbert.’
Bram van Wielingen kwam met zijn aluminium koffertje in de hand dreunend het vertrek in.
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Ben je er nu al?’
Bram van Wielingen knikte.
‘Ik was net klaar met fotograferen bij een forse kraak op de Vijzelgracht toen de melding van deze moord binnenkwam. En hier ben ik, want eigenlijk wil ik zo wel naar huis.’ Het klonk niet aardig. Hij zette zijn koffertje in een lege fauteuil en liep naar het slachtoffer.
‘Verrek,’ riep hij getroffen, ‘deze heeft ook een recept opgeprikt gekregen.’
Hij boog zich iets naar het slachtoffer toe.
‘Pede poena claudo,’ las hij hardop. Hij kwam weer overeind en keek naar De Cock.
‘Dezelfde tekst als gisteren.’
De oude rechercheur knikte.
‘Alleen staat er nu na het Latijnse pede poena claudo: Dit is de tweede. Ook de rest van de tekst is aangepast. Daar staat nu: Ook deze vent is door mij persoonlijk met plezier gewurgd. Zodat ook zijn verrotte ziel tot in eeuwigheid in de hel kan branden.’ Bram van Wielingen grinnikte.
‘Een simpele ziel.’
‘Wie?’
‘De dader. Hij of zij had toch wel wat meer variatie in die tekst kunnen aanbrengen.’
De Cock gromde.
‘En liefst ook wat meer informatie… waarom had het slachtoffer een verrotte ziel en waarom moet hij tot in eeuwigheid in de hel branden?’
Bram van Wielingen gniffelde.
‘Als hij je het motief op een briefje gaf, had jij het een stuk makkelijker. De dader had dan net zo goed zijn volledige naam op het recept kunnen vermelden.’
De Cock trok een grijns.
‘Ja, Bram, en het allerliefst heb ik dat de dader na zijn daad geduldig naast het lijk van zijn slachtoffer blijft staan tot ik ter plaatse ben en dan luid roept: mijn naam is Piet Jansen en ik heb deze man vermoord. Hier hebt u het pistool waarmee ik hem door zijn hersens schoot.’
Bram van Wielingen liep naar zijn koffertje en pakte zijn Hasselblad.
‘De Cock,’ zei hij, ‘en weet je wat mijn wens daarbij is?’
‘Nou…’
‘Dat dat om vijf uur ’s middags is! Want het is toch weer bar vanavond. Maar goed, als moordenaars niet meer zo geheimzinnig hun identiteit mogen versluieren, dan hadden we geen rechercheurs meer nodig. En van jou had ik dan helemaal geen last meer.’
De Cock liep grommend bij Bram van Wielingen vandaan en slofte naar Vledder, die in een hoek van het vertrek de inhoud van een secretaire doorzocht.
‘Al wat gevonden?’
Vledder zuchtte.
‘Als ik al de paperassen uit deze secretaire zou moeten doorsnuffelen, had ik minstens een maand nodig.’ De Cock gebaarde om zich heen. ‘Neem jij het hier verder over. Niemand heeft me hier nodig. Vraag of Bram van Wielingen het receptenbriefje met een pincet in een schone envelop wil stoppen. Geef het hem niet mee.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Geen jodiumdampen en geen onderzoek?’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
‘Jodiumdampen vernietigen misschien juist die dingen die ik hoop te vinden.’
‘En dat is?’
De Cock wreef met zijn vlakke hand nadenkend over zijn brede gezicht.
‘Ik wil,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘bij de mensen van het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk eens informeren of er een mogelijkheid bestaat om via dat briefje een… eh, een dna-profiel van de dader te maken.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ze kunnen veel, maar van zo’n papiertje?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘We kunnen het ze toch vragen.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Van minuscule hoeveelheden zweet of lichaamsvet kan dat tegenwoordig. Je hebt gelijk. Laten we het proberen. Mogelijk heeft de dader tijdens het schrijven van de tekst toch het papier geraakt zonder er vingerafdrukken op achter te laten.’
‘Maar wel zweet en vet,’ antwoordde De Cock. ‘In minuscule hoeveelheden.’
Hij draaide zich om en beende in de richting van de deur zonder Van Wielingen te groeten.
Vledder liep achter hem aan.
‘Waar ga je heen?’
De Cock glimlachte.
‘Ik heb het hier wel gezien. Doe dokter Den Koninghe als hij komt van mij de hartelijk groeten.’
Vledder stak zuchtend zijn armen omhoog.
‘Waar ga je op dit uur van de dag nog heen?’ riep hij vertwijfeld. De Cock duimde over zijn schouder.
‘Ik neem die vrouw op de achterbank van de surveillancewagen met onze Golf mee naar de Warmoesstraat om haar te verhoren.’ Vledder keek hem geschrokken aan.
‘Je lijkt wel gek!’
‘Wat nou weer… Is daar iets verkeerds aan?’
Vledder zuchtte.
‘Je weet wat er met mij is gebeurd,’ sprak hij waarschuwend. ‘Pas maar op, dat die vrouw ook jou na de rit niet van verkrachting beschuldigt.’