9

De Cock hield niet van autorijden. En zeker niet in het donker. Hij had al de grootste moeite om de achteruit van de Golf te vinden. Toen hij eindelijk van de voor hem staande surveillancewagen was bevrijd, reed hij in de verkeerde versnelling van de Herengracht weg. Het was niet druk in de stad. Van een gesprek met de vrouw was in de auto geen sprake, waarschijnlijk was zij net zo blij als De Cock dat ze zonder deuken of butsen de houten steiger achter de Kit bereikten.

In de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat was het op dit uur een drukte van belang. Dronken sloebers, beroofde toeristen en mensen die het bureau als nachtelijk vvv-kantoor zagen, vochten om voorrang aan de balie. De wachtcommandant beheerste de situatie als een kostschooldirecteur. De Cock loodste de jonge vrouw door de krioelende massa de trap op naar de eerste verdieping. In de grote recherchekamer liet hij haar op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Bij de kapstok trok hij kalm zijn regenjas uit en zette zijn oude hoedje af. Hij slofte terug naar zijn bureau. Het was rustig in de recherchekamer. Toen hij op zijn stoel zat, nam hij de tijd om de vrouw eens goed in zich op te nemen. Tijdens de rit vanaf de Herengracht had hij geen woord met haar gesproken en zij had hem ook niets gevraagd. Vermoedelijk had ze hem tijdens zijn gestuntel op de weg niet willen storen.

Ze zag er vermoeid en bleek uit. Hoe kon het anders, na de ontdekking van haar dode vriend, het wachten in de surveillancewagen. Het felle licht in de recherchekamer was onbarmhartig, maar ze was, ondanks het felle licht en het late uur, zo constateerde De Cock met genoegen, een mooie jonge vrouw van een bijna klassieke schoonheid. Hij schatte haar op achter in de twintig. Ze had mooi, lang, golvend blond haar dat tot haar schouders reikte. Haar lichtbruine ogen in het hartvormige gezicht vormden een opwindend contrast met het blonde haar. De vrouw onderging de tastende blik van de grijze speurder gelaten, zonder enig protest in houding of gebaar. Vermoedelijk was ze eraan gewend dat mannen haar starend observeerden. Na een tijdje verscheen er in het licht van haar zachtbruine ogen een kleine verandering.

‘Dat… eh, dat ik hier boven bij u zit,’ vroeg ze met enige aarzeling, ‘betekent dat mijn arrestatie?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Absoluut niet. Ik kan geen enkele wettelijke grond bedenken om u in arrest te nemen.’

Ze zuchtte diep.

‘Goddank.’ Het kwam uit de grond van haar hart.

De oude rechercheur schonk haar zijn beminnelijkste glimlach.

‘Uw naam is Andrea van Loosduinen?’

De jonge vrouw knikte.

‘Dat heb ik al aan die agent opgegeven. Hij was heel vriendelijk en attent. Hij heeft ook mijn geboortedatum en adres opgeschreven.’

De Cock glimlachte opnieuw.

‘U bent voor ons een belangrijke getuige,’ sprak hij vriendelijk. ‘Daarom wil ik ook nu, op dit late uur, nog met u spreken. Neemt u me dat niet kwalijk.’

Andrea schudde haar hoofd.

‘De heer Van Maathuizen is op een gruwelijke wijze in zijn woning van het leven beroofd en u hebt die moord ontdekt.’ Andrea liet haar hoofd op haar borst zakken. Haar blonde haren gleden als een gordijn voor haar gezicht.

‘Het was een verschrikkelijke ervaring,’ sprak ze zacht. ‘Ik zal dit nooit vergeten.’ Ze keek weer op en haar haren gleden langzaam terug. Het fascineerde De Cock.

‘Antonie zag er vreselijk uit,’ ging ze verder, ‘die dode ogen, dat opgeblazen gezicht en die uitstekende tong. Ik heb een tijd lang bij zijn stoel staan gillen van verdriet en ellende. Ik was geschokt en verbijsterd. Het heeft even geduurd voor ik tot het besef kwam dat ik werd geconfronteerd met een brute moord en dat ik de politie moest waarschuwen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U moest uw emoties eerst verwerken.’

‘Precies.’

De Cock schoof zijn hand over het bureau in haar richting.

‘U was in het bezit van een sleutel van het huis van de heer Van Maathuizen?’

‘Ja.’

‘A lla ng?’

‘Een maand of drie… vier.’

‘Ik neem aan dat Antonie… zo heet hij toch…?’

‘Ik zou niet anders weten,’ antwoordde Andrea wat onzeker. ‘…dat Antonie u de sleutel van zijn woning persoonlijk heeft gegeven?’

Andrea van Loosduinen knikte. Ze glimlachte met vrolijk opkrullende mondhoeken.

‘Antonie was een bijzondere man. Hij genoot ervan als hij mijn voetstappen in de marmeren gang van zijn huis hoorde naderen. Dat tiktak van mijn hakken op het bleke marmer gaf hem een prikkelend gevoel.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Vandaar die sleutel. Hij liet zich elke keer als het ware verrassen door uw komst.’

‘Inderdaad.’

Het gezicht van De Cock versomberde.

‘Hij heeft dit keer uw voetstappen niet gehoord,’ sprak hij met medeleven.

Andrea schudde haar hoofd, waarbij haar blonde haar sierlijk meegolfde.

‘Een of andere dwaas heeft hem van het leven beroofd,’ sprak ze somber. ‘Hij zal nooit meer naar mijn voetstappen kunnen luisteren.’

Cock nam uit eerbied voor de dood een kleine pauze. Andrea zat er met haar bleke gezichtje bij als een zielig hoopje mens. Ze frommelde in haar tasje en trok er een zakdoekje uit tevoorschijn waarmee ze haar ogen depte. Het leek of het gebeuren van die avond opnieuw tot haar doordrong.

De Cock realiseerde zich wat het voor de vrouw betekende. Eerst de ontdekking van haar vermoorde vriend en nu dit late verhoor in een helverlichte kille ruimte. Toch ging hij rustig verder.

‘Hebt u… eh, hebt u ook vanavond die sleutel gebruikt om binnen te komen?’

‘Nee.’

‘Hoe bent u dan binnengekomen?’ vroeg hij vriendelijk. ‘De buitendeur stond op een kier.’

‘Dat verbaasde u?’

‘Zeker.’

De Cock keek haar schattend aan.

‘Dat was al die tijd dat u Antonie kende nooit eerder voorgekomen?’

‘Nee.’

‘Ik bedoel, voor hij u die sleutel gaf, liet hij de deur niet op een kier staan… om het binnenkomen voor u gemakkelijker te maken?’

Andrea schudde haar hoofd.

‘Absoluut niet. Die deur stond nooit op een kier. Toen ik die open deur ontdekte, ben ik enige tijd boven op het bordes blijven staan. Ik dacht eerst aan inbrekers. Ik heb die deur daarom goed bekeken, maar daar mankeerde niets aan. Volkomen gaaf. Uiteindelijk ben ik maar naar binnen gegaan. Het licht in de marmeren gang brandde niet. Dat vond ik ook vreemd. Antonie zorgde er altijd voor dat er licht was, ook in de hal.’

‘Hebt u verder nog bijzonderheden opgemerkt?’

‘Het licht in de woonkamer van Antonie brandde wel,’ antwoordde Andrea mat. Ze pakte het zakdoekje en snoot haar neus.

‘Wat hebt u gedaan nadat u had ontdekt dat de heer Van Maathuizen was vermoord?’

Andrea maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik kan u echt niet precies vertellen hoelang het heeft geduurd voor ik weer goed kon nadenken en besloot de politie te bellen. Mijn mobieltje heb ik altijd in mijn tas. Ik ga altijd ’s avonds om negen uur naar Antonie. Hier aan de Warmoesstraat zal men zeker hebben genoteerd wanneer mijn melding binnenkwam. U kunt zo wel nagaan hoelang het duurde voor ik de politie belde.’

‘Wat hebt u gedaan na dat telefoontje?’

Andrea verschoof iets op haar stoel.

‘Ik ben naar buiten gegaan, het was te erg om in die kamer te blijven. Op het bordes heb ik gewacht tot een politiewagen verscheen. Een jonge politieman liet mij op de achterbank plaatsnemen.’

De Cock leunde iets achterover.

‘Hoe zou ik uw relatie met de heer Van Maathuizen moeten typeren?’

Andrea keek hem aan. Om haar mond gleed een flauwe glimlach.

‘In het normale spraakgebruik noemt men onze relatie een verhouding.’

De Cock grijnsde.

‘Met alles wat daar zo aan kleeft?’

‘Dat woord “kleven” vind ik ongepast,’ zei Andrea met afkeer in haar stem. ‘Het klinkt zo negatief. Zo was onze verhouding niet. Er kleefde niets. Ik was erg op Antonie gesteld. Ik leefde ook in de overtuiging dat hij van mij hield. Wanneer dit verschrikkelijke niet was gebeurd, zou onze verhouding zeker tot een huwelijk hebben geleid.’ Ze vertrok haar gezicht smartelijk.

‘Hoe hebt u hem leren kennen?’

‘Bij ons op kantoor.’

‘En dat is?’ vroeg De Cock met gefronste wenkbrauwen. ‘Ik werk al jaren op het kantoor van het modehuis Gerbrandsen aan de Singel. Antonie van Maathuizen kwam daar regelmatig. Op een dag nodigde hij mij uit voor een toneeluitvoering in de Stadsschouwburg.’

‘En daarmee is het begonnen?’

‘Inderdaad,’ knikte Andrea. ‘Het was het begin van de gelukkigste tijd van mijn leven.’ Ze zuchtte en depte weer haar ogen. De Cock boog zich iets naar voren.

‘Waarom kwam de heer Van Maathuizen regelmatig op het kantoor van het modehuis Gerbrandsen? Ik heb begrepen dat die twee modehuizen elkaar beconcurreren.’

‘Er waren plannen voor een fusie.’

‘Een fusie?’ De Cock speelde verbazing.

Andrea knikte nadrukkelijk.

‘Ik mag er eigenlijk niets over zeggen, maar er waren… er zijn… plannen… Nadat de heer Verbruggen zich uit de zaak zou terugtrekken, wilden ze de activiteiten van de twee modehuizen verenigen.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘Had de heer Verbruggen te kennen gegeven dat hij zich uit de zaak wilde terugtrekken?’

Andrea trok onwillig haar schouders op.

‘Er waren symptomen. De heer Verbruggen werd ouder en bemoeide zich niet zoveel meer met de gang van zaken. Er waren ook strubbelingen. Antonie kon zich allang niet meer vinden in de strategie van Verbruggen.’

‘Welke rol speelde de heer De Klerk in die strubbelingen tussen Verbruggen en uw Antonie?’

‘Geen enkele.’

‘Had hij geen belangen?’

‘Daar heeft hij in elk geval nooit iets van laten merken.’ Ze pakte een nieuw zakdoekje uit haar tas en liet een snik horen. De Cock nam weer een korte tactische pauze.

‘Tot slot een indiscrete vraag,’ vroeg hij toen voorzichtig. ‘In verband met ons onderzoek naar de moord op de heer Verbruggen, werd ons op het kantoor van dat modehuis ingefluisterd dat uw Antonie een verhouding zou hebben met de secretaresse van wijlen de heer Verbruggen. Is u daar iets van bekend?’

Andrea van Loosduinen keek hem aan. Haar mond verkrampte. Haar lippen vormden een harde lijn.

‘Dat hoertje.’ Haar stem trilde van minachting.

Vledder kwam de grote recherchekamer binnenstappen en blikte om zich heen.

‘De Cock,’ riep hij bestraffend, ‘zit jij hier nog? Is zij al weg?’

‘Je bedoelt Andrea van Loosduinen?’

‘Die vrouw die we op de achterbank van de surveillancewagen aantroffen.’

De Cock wuifde in de richting van de deur.

‘Ik heb haar heel betrouwbaar door een paar oudere dienders naar huis laten brengen.’

Vledder liet zich met een plof in de stoel achter zijn bureau zakken.

‘Het was wel wat erg laat voor een verhoor, en zo kort op haar ontdekking! Wist ze iets?’

‘Veel,’ bromde De Cock.

‘Hebben we er wat aan voor ons onderzoek?’

‘Mogelijk,’ zei De Cock. ‘Dat zal nog moeten blijken. Ze was geschokt en bedroefd. Maar vertel hoe het jou is vergaan.’ Vledder trok zijn schouders op.

‘De gebruikelijke ceremonie. Dokter Den Koninghe constateerde op zijn laconieke wijze de dood van de heer Van Maathuizen en het lijk wordt door de broeders naar het sectielokaal op Westgaarde gebracht.’

De jonge rechercheur schudde grinnikend zijn hoofd.

‘Ik heb de ambulancewagen met het lijk niet nagestaard, zoals jij gewoonlijk doet.’

De grijze speurder reageerde met een brede grijns.

Vledder nam een envelop uit de binnenzak van zijn jack en wierp die De Cock toe.

‘Het receptenbriefje van de revers van de heer Van Maathuizen. Van Wielingen had er begrip voor dat je het briefje dit keer niet onder jodiumdampen wilde laten houden.’

‘Heeft Den Koninghe nog iets gezegd over het tijdstip van overlijden?’

‘Hooguit twee uur voor het werd ontdekt.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Kort. Heel kort. Net zo kort als bij de moord op Verbruggen.’ Vledder knikte instemmend.

‘We hebben ook vrijwel zeker met dezelfde dader van doen.’ De jonge rechercheur boog zich iets naar voren.

‘Wat wist Andrea van Loosduinen? Heeft ze jou tijdens de rit niet lastiggevallen?’

De Cock glimlachte.

‘Ik heb de diender van de surveillancewagen in onze Golf meegenomen. Met haar achterin. Die diender heb ik later weer netjes naar de Herengracht terug laten brengen.’

‘Laf, De Cock.’

‘Voorzichtig,’ antwoordde De Cock.

Vledder glimlachte.

‘Nog eens… wat wist die Andrea?’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Ze was smoorverliefd op Van Maathuizen. Echte liefde, een innige verhouding die al enige maanden duurde. Daarom had ze ook de sleutel.’

‘Heb je tijdens het verhoor Mathilde de Graaf nog ter sprake gebracht?’

‘Ja.’

‘En… wat zei ze?’

De Cock glimlachte.

‘Dat hoertje.’

‘Meer niet?’

‘Maar wel op een toon vol minachting.’

‘Ze wist van de verhouding tussen Mathilde de Graaf en Van Maathuizen?’

‘Daarvan ben ik overtuigd,’ sprak De Cock met korte knikjes. ‘Haar reactie liet daarover geen enkele twijfel.’

‘Wie zou haar hebben ingelicht?’

‘Ik denk dat Mathilde de Graaf dikwijls het onderwerp van kantoorroddels is geweest. Wat denk je van een geniepig telefoontje van Anita de Reus, de receptioniste!’

‘Kent die Andrea van Loosduinen?’

Als antwoord zei De Cock:

‘Weet je waar Andrea van Loosduinen haar vriend Van Maathuizen heeft leren kennen?’

‘Geen idee.’

‘Op het kantoor van het modehuis Gerbrandsen,’ sprak De Cock triomfantelijk.

Vledder reageerde verrast.

‘Wat deed zij daar?’

‘Daar werkt ze.’

‘En Van Maathuizen?’

‘Die kwam regelmatig op het kantoor van modehuis Gerbrandsen.’

‘Waarvoor?’

De Cock grijnsde, stond op en liep naar de kapstok.

‘Om een fusie tussen de twee modehuizen te bespreken… een fusie die tot stand moest komen wanneer de heer Verbruggen zich uit de zaak terugtrok.’

De jonge rechercheur keek De Cock met grote ogen aan en slikte.

‘Of stierf.’

‘En nu naar huis, Dick. Het is laat genoeg. Als jij morgenvroeg nou eens een uurtje later komt, dan ben ik mooi op tijd…’

Загрузка...