3

Na het telefoontje met de centrale post aan het hoofdbureau borg De Cock zijn mobieltje in de binnenzak van zijn colbert. Hoe lang het duurde voordat de meute na een oproep verscheen, viel nooit precies te voorspellen. Soms waren de mensen die het moordonderzoek deden, er binnen enkele minuten. Vaak duurde het langer.

De Cock liet zich in afwachting van hun komst in de leren fauteuil tegenover het slachtoffer zakken. Zijn blik bleef lang rusten op het vreemde receptenbriefje op de revers. Daarna gleed zijn blik omhoog. Het pafferige bleke gezicht van het slachtoffer wekte weerzin bij hem op. Hij bedacht dat hij een man met zo’n onsympathiek uiterlijk nooit tot zijn vriendenkring zou toelaten.

De oude rechercheur had in zijn lange loopbaan genoeg ervaring opgedaan, om zich ervan bewust te zijn dat hij zich niet door dergelijke gevoelens mocht laten leiden. De heer Verbruggen kon bij leven best een innemende vent zijn geweest. Ineens grijnsde hij breed. In de kletsende mep waarmee Mathilde de Graaf het dode gelaat van het slachtoffer had getroffen, had hij zoveel haat en zoveel venijn opgemerkt, dat hij besloot toch maar wel op zijn eigen waarnemingen en gevoelens te vertrouwen. Charles Verbruggen was, zo besloot De Cock na koele overweging, net zo weerzinwekkend als zijn pafferige gezicht uitstraalde.

Toen Bram van Wielingen met dreunende tred het vertrek binnenstapte, worstelde De Cock zich uit zijn fauteuil overeind. De fotograaf grinnikte erom en legde zijn aluminium koffertje op de zitting van een van de stoelen. Hij keek op zijn horloge.

‘Tien uur,’ galmde hij vrolijk, ‘een redelijke tijd, moet ik zeggen. De Cock, ik heb de indruk dat je eindelijk je leven gaat beteren. De vele keren dat je mij midden in de nacht uit mijn bed hebt gehaald, zijn je hierbij vergeven.’

‘Bedankt, Bram,’ sprak De Cock gemaakt. ‘Ik weet hoe innig jij aan je nachtrust bent gehecht.’

De fotograaf opende kalm zijn fotokoffertje en nam daaruit zijn trouwe Hasselblad en monteerde een flitslicht.

‘Weet je al wie het slachtoffer is?’ vroeg hij zonder op te kijken. De Cock knikte.

‘De bewoner van dit pand. Volgens het naambord aan de gevel is dat W.T.G. Verbruggen. Maar zijn lieftallige secretaresse noemt hem Charles.’

Bram van Wielingen liep met zijn toestel naar het slachtoffer en bleef even verrast staan.

‘Wat is dat voor een briefje op zijn revers? Zijn visitekaartje? Of dat van de moordenaar soms?’ Zijn stem schoot uit van verbazing.

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Een receptenblaadje van dokter Jan van Aken uit Purmerend, met daarop, zo nemen wij aan, de tekst van de dader. Een ronduit alarmerende tekst, beginnende met de Latijnse kreet: pede poena claudo.’

De fotograaf trok zijn neus iets op.

‘Pede poena… Heb jij enig idee wat dat betekent?’

De Cock knikte traag en herhaalde het betoog dat hij tegen Vledder had gebruikt.

‘Ik heb mij vroeger uit nieuwsgierigheid wel eens in Latijnse spreuken verdiept. Ik geef toe… een vrij onnozele hobby. Pede poena claudo betekent letterlijk: straf met kreupele stappen… wat zo ongeveer wil zeggen… een straf die laat, te laat, op de misdaad volgt.’

‘Vreemd.’

De Cock zuchtte.

‘Ik heb zo’n begeleidend schrijven bij een moord niet eerder meegemaakt.’

‘Ik ook niet. De mensen worden steeds gekker. En dat heeft met ouderdom niets te maken.’

De Cock negeerde de opmerking van de fotograaf en wees.

‘Ik wil dat je het receptenblaadje een paar maal zo professioneel fotografeert, dat de tekst duidelijk leesbaar blijft.’ Van Wielingen knikte met een grijns.

‘Doe ik voor jou.’ Hij bukte zich en bekeek het papiertje eens goed. ‘Dokter Jan van Aken uit Purmerend,’ las hij. ‘Heeft hij het gedaan?’

De Cock ging er niet op in.

‘Ik zal het nodig hebben voor een uitgebreid onderzoek door een grafoloog. Ik hoop dat die in staat zal zijn om uit het handschrift karaktereigenschappen van de dader of daderes op te maken.’ Van Wielingen glimlachte.

‘En als het je lukt om de dader te identificeren, kan je als bewijsmiddel nog een vergelijkend handschriftonderzoek laten doen.’ De Cock wees opnieuw naar het papiertje.

‘Dat originele receptenbriefje moet je straks maar meenemen naar het lab op het hoofdbureau. Misschien is de dader of daderes onzorgvuldig geweest en zijn er vingerafdrukken zichtbaar te maken.’

Bram van Wielingen wees naar zijn aluminium koffertje.

‘In heb wel een paar pincetten bij mij. Ik kan het blaadje verwijderen zonder er zelf vingerafdrukken op achter te laten. Dan fotografeer ik het direct en berg het weg voordat dokter Den Koninghe er straks bij de lijkschouw met zijn handen bovenop gaat leunen en alles verpest.’

De opmerking ergerde De Cock. Hij mocht de oude lijkschouwer graag.

Van Wielingen maakte een reeks opnamen. Na enige tijd keek hij peinzend op.

‘Heb jij je al afgevraagd waarom de dader voor zijn mededelingen juist een receptenbriefje heeft gebruikt? Ik neem tenminste aan dat die dokter er niets mee te maken heeft.’

De Cock knikte traag.

‘Ik heb het mij afgevraagd, maar ben nog niet tot een zinnig antwoord gekomen.’

‘Misschien had de dader geen ander briefje dan dat recept bij de hand.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Fijn dat je meedenkt, Van Wielingen, maar dat lijkt mij niet aannemelijk.’

Van Wielingen grijnsde.

‘Een recept voor moord… wie verzint zoiets?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Men kan de vreemde tekst op het blaadje moeilijk als zodanig karakteriseren. Het is geen echt recept. Toch heb ik het gevoel dat de dader met opzet van een receptenbriefje gebruik heeft gemaakt.’

‘Waarom?’

De Cock grinnikte.

‘Geen idee. Maar ik beloof je dat ik het aan de dader zal vragen als ik hem of haar heb ontmaskerd.’

‘Ik ben benieuwd wanneer dat is.’ Bram van Wielingen lachte. De Cock keek gespannen toe hoe de fotograaf met een pincet heel voorzichtig de veiligheidsspeld uit de revers van het slachtoffer verwijderde en het kleine blaadje met liefdevolle aandacht wegnam en in zijn aluminium koffertje borg.

Na enig gedruis achter zich draaide De Cock zich om. In de deuropening ontwaarde hij dokter Den Koninghe. Achter hem torenden twee onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst met een brancard. Het beeld trof hem, het leek een surrealistisch schilderij, zoals de excentrieke lijkschouwer daar stond in de monumentale omlijsting van de deur, met op de achtergrond de broeders in de marmeren gang.

De Cock liep op Den Koninghe toe, lachte blij en drukte de oude dokter hartelijk de hand. De Cock had een zwak voor deze man met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwarte jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed. Hij kon hem toch meer waarderen dan die nonchalant geklede jonge artsen.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij opgewekt.

Door zijn ronde brilletje met metalen monteur keek de dokter naar de grijze speurder op.

‘Best,’ antwoordde hij met krakende stem. ‘Heel best.’ Hij schonk de oude rechercheur een matte glimlach. ‘Wat toch verwonderlijk is als je bedenkt dat de gruwelijke dood voortdurend om mij heen waart.’

De Cock vroeg zich af of hij daarbij ook zichzelf betrok en dacht aan zijn eigen leeftijd.

‘Dat… zo schat ik… is het droevige lot van een beproefd lijkschouwer,’ zei hij half lachend.

De dokter knikte.

‘Het wordt mij toch soms te veel,’ sprak hij vermoeid. ‘Dit is vandaag al mijn vijfde schouw. Er zijn van die avonden dat…’ Hij maakte zijn zin niet af. Met slepende tred liep hij naar de dode man in de fauteuil, bezag de wijd opengesperde ogen en drukte die met duim en wijsvinger toe. Daarna bekeek hij de insnoeringen van het wurgtouw in de hals van het slachtoffer. Vervolgens gleden zijn tastende vingers langs de wangen van de dode en lieten die even rusten bij zijn vlezige kin. Na een korte pauze keek hij omhoog naar De Cock.

‘Hij is dood.’

De oude rechercheur knikte traag.

‘Dat vermoeden had ik al.’

Het klonk spottend, maar dit was het spel, zo overwoog de Cock. Zo ging het altijd en dat zou zo blijven tot zij beiden met pensioen gingen. Hoe de volgende generatie rechercheurs werkte, was hun zaak.

De lijkschouwer kwam uit zijn gebogen houding overeind. Met trage bewegingen nam hij zijn bril af, pakte de pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock keek toe. Ook dit ritueel hoorde erbij.

‘De lichaamstemperatuur van het slachtoffer is nauwelijks gezakt,’ sprak Den Koninghe verklarend. ‘Er is ook nog geen spoor van lijkstijfheid. Ik schat dat de dood nog niet zo lang geleden is ingetreden… één, hooguit twee uur.’

De Cock reageerde verrast.

‘Zo kort?’

Dokter Den Koninghe knikte. Hij zette zijn bril weer op en borg zorgvuldig zijn pochet weg. Hij wees naar de hals van het slachtoffer.

‘Een bijna professioneel wurgkoord met de daarbij behorende stokjes. Ik denk een product van een inspannend uurtje huisvlijt. Het zou mij niets verwonderen als de dader in militaire dienst is geweest.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Gebruiken ze in het leger wurgkoorden?’ Zelf had hij nooit in het leger gezeten. Hij was als jonge man meteen bij de Amsterdamse politie in dienst gekomen.

‘Bij sommige eenheden gebruiken ze die,’ antwoordde de lijkschouwer, waarna hij nog een blik op de dode wierp. Toen trok hij vanonder zijn jacquet, uit een zakje van zijn parelgrijze vest, een knol van een horloge aan een zware zilveren ketting tevoorschijn en keek erop. ‘Ik vraag mij af,’ verzuchtte hij, ‘hoeveel ik er vannacht nog te schouwen krijg. Mijn dienst loopt pas morgenochtend om acht uur af.’

De Cock reageerde glimlachend.

‘Wanneer gaat u met pensioen?’

‘Over een paar jaar… als eh… als onze regering geen grappen met mij uithaalt.’

‘Zoals?’

‘Dat ze mij tot mijn zeventigste verjaardag nog lijken laten bekijken.’

De Cock keek hem met een deernisvolle blik aan, maar tegelijkertijd dacht hij aan zijn eigen positie en stelde hardop de vraag die hem zelf ook kwelde:

‘En dat is geen blij vooruitzicht?’

‘Nee.’

Dokter Den Koninghe draaide zich wat abrupt om en verliet wuivend het vertrek.

De Cock mompelde een afscheid en wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Hij wees naar het lijk in de fauteuil.

‘Hij mag weg,’ snauwde hij.

De oudste broeder keek verstoord op.

‘Naar Westgaarde?’

‘Ja.’

‘Dat wurgkoord blijft zitten?’

De Cock grijnsde.

‘Dat is morgen tijdens de sectie een klus voor dokter Rusteloos. Hij moet voor zijn rapport toch de diepte van de insnoeringen bepalen.’

De broeders legden hun brancard zwijgend op de vloer naast de fauteuil, tilden het lijk uit de zitting en strekten hem uit op de brancard. Alles kalm, rustig en heel professioneel. Ze drapeerden een hagelwit laken om de dode man heen en sloegen de canvasflappen dicht. Daarna sjorden ze hem met riemen vast. Zacht wiegend droegen ze hem het vertrek uit.

De Cock keek hen na, zoals hij dat misschien wel honderd keer in zijn loopbaan had gedaan. Peinzend over leven en dood. Bram van Wielingen had in stilte toegekeken, nu stapte hij op De Cock af. Hij voelde dat hij de oude rechercheur stoorde. Niet te luid vroeg hij:

‘Heb je verder nog bijzondere wensen?’ De oude rechercheur schrok op uit zijn gedachten.

‘Eh… een foto van dit pand met de buitendeur ongeveer een decimeter op een kier… leuk om mijn proces-verbaal wat te illustreren.’

‘Zinvol… zo’n foto?’

De Cock knikte.

‘Zo vonden wij de deur hier, open… op een kier.’

De fotograaf liep vrolijk lachend bij hem weg. Even later kwam Vledder met grote stappen binnen. De Cock keek spottend naar hem op.

‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg hij grinnikend, blij dat er zo’n levendige figuur binnenkwam. Bovendien zag Vledder er niet uit.

‘Wat bedoel je?’

De Cock keek hem met een olijke grijns aan.

‘Afdrukken van lippenstift op je wangen, op je neus, je voorhoofd en op een paar plekken op je overhemd.’

Vledder wreef met zijn handen over zijn wangen in een poging de door De Cock beschreven vlekken weg te vegen.

‘Dat heeft zij gedaan,’ gromde hij.

‘Mathilde de Graaf?’

Vledder knikte.

‘Ik kon mij absoluut niet verweren. Stel je voor, ik zat achter het stuur, midden in het verkeer. Toen begon ze me te zoenen waar ze me maar kon raken en ze begon me ook te betasten, overal. Ze frommelde zelfs aan mijn gulp. Ik kreeg het benauwd en probeerde haar af te weren. Ik vroeg wat haar mankeerde, maar ze hield niet op. Ik was blij dat ik haar op haar huisadres eindelijk uit de wagen kon zetten.’

‘En toen?’

Vledder maakte een wegwerpgebaar.

‘Buiten de wagen begon ze plotseling tegen mij te schelden: schoft, viezerik! Ze schreeuwde het uit. Het was eigenlijk geen gezicht, die blonde vrouw in haar lieveheersbeestjesjas die daar zo tekeerging. Maar ik maakte me zo snel mogelijk uit de voeten. Je mag wel zeggen dat ik zonder afscheid in paniek van haar ben weggereden.’

De Cock glimlachte even bij het idee dat Vledder ook aan dat kleine halfbolle rode kevertje had gedacht, toen kwam hij weer tot de orde:

‘Heeft iemand haar gehoord?’

‘Dat weet ik niet,’ zei Vledder schouderophalend.

‘Heeft iemand jou daar ter plekke gezien… met al die lippenstift op je gezicht en je haar in de war?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘In het donker? De Vierwindenstraat is maar een stil, smal straatje. Daar was, zover ik dat kon waarnemen, ook niemand op straat.’

De Cock wees naar een van de leren fauteuils.

‘Ga eens zitten.’

Het klonk als een gebod.

De oude rechercheur nam tegenover hem plaats.

‘Even voor alle duidelijkheid,’ sprak hij ernstig. ‘Heb jij initiatieven ontplooid?’

‘Wat voor insinuaties zijn dat, De Cock!’ Vledder was woedend. ‘Hoe bedoel je?’

De Cock zuchtte.

‘Bedaar nou. Mathilde de Graaf is een knappe jonge vrouw. Aantrekkelijk. Dat vond jij ook. Ik heb ogen in mijn kop. Ik zou mij kunnen voorstellen…’

Vledder interrumpeerde.

‘Je bedoelt in vredesnaam toch niet dat ik haar gedrag heb uitgelokt?’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Dat bedoel ik.’

‘Jij bent gek! Ik heb Adelheid, mijn vriendin, en meer vrouwen in mijn leven verlang ik niet.’

De Cock gleed met zijn vlakke hand over zijn kalende grijze hoofd.

‘Sorry. Het is ook een beetje mijn schuld,’ verzuchtte hij. ‘Ik had Mathilde de Graaf beter achter in een surveillancewagen met twee dienders naar huis kunnen laten brengen. Ik heb dat tengere vrouwtje verkeerd ingeschat. Ik had overwogen dat jij tijdens de rit misschien nog even met haar kon babbelen over de helse mep die ze die dode Verbruggen toebracht.’

Vledder knikte, nog niet helemaal tot kalmte gekomen.

‘Dat heb ik ook gedaan.’

‘En?’

‘Ze zei, in alle ernst, dat die klap niet zozeer bedoeld was, niet gericht was op haar directeur als persoon… als mens, maar een reactie was op haar confrontatie met de dood.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat begrijp ik niet. Jij wel?’ Vledder zuchtte diep. ‘De dood als afschuwelijk fenomeen was het feitelijke doelwit van haar klap.’

De Cock snoof verachtelijk.

‘Onzin. Vledder, dat geloof je zelf niet. Ik heb de haat in haar ogen gezien.’

Vledder knikte.

‘Ik heb haar ook gezegd dat ik haar motivatie niet geloofde en dat alleen iemand met een verwarde geest meent de dood met een klap te kunnen straffen voor zijn gruwelijke verschijning.’

‘Keurig gedaan, Dick.’

Vledder begreep dat De Cock hiermee zijn aantijging had teruggenomen.

‘Ik heb haar ook gezegd dat ik niet geloofde dat zij geplaagd werd door een verwarde geest en dat wij, als rechercheurs, de mep op het gelaat van het slachtoffer zouden opvatten als een uiting van haat jegens de heer Charles Verbruggen… en dat wij van haar wilden weten waarop die haat was gebaseerd.’ De Cock keek hem bewonderend aan. ‘Ik heb nooit geweten,’ sprak hij waarderend, ‘dat jij zo goed kon formuleren.’ Vledder glimlachte onder de lof. ‘Je moet begrijpen dat ik het zo goed mogelijk wilde doen. Het gebeurt niet zo vaak dat je mij toestaat dat ik in mijn eentje een verhoor kan afnemen.’ Het lichte verwijt ontging De Cock niet. Hij zweeg even. ‘Wanneer kwam haar aanval?’

‘Kort daarna.’

‘Zonder inleiding?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Plotseling. Totaal onverwachts. Ik reed op het Damrak. Het was er razend druk. Ik had al mijn aandacht nodig bij het verkeer. Ik heb een paar maal tegen haar geroepen dat ze moest ophouden met haar malligheid.’

‘En.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ze ging gewoon door.’ De Cock monsterde de uitdrukking op zijn gelaat. ‘Heeft ze nog bekoorlijkheden voor je uitgestald?’

Vledder schoot in de lach.

‘Bekoorlijkheden… De Cock, laat me maar even lachen, bekoorlijkheden!’

De Cock reageerde wat kribbig.

‘Heeft ze haar borsten getoond… haar rok opgetrokken, broek laten zakken… haar slipje laten zien?’

Vledder schudde nog steeds lachend zijn hoofd.

‘Daar… eh, ha ha ha… daar heb ik niet zo op gelet,’ antwoordde hij. ‘Ik moest de wagen veilig door het verkeer loodsen en met zo’n furie naast je valt dat niet mee.’

De Cock hees zich uit zijn fauteuil.

‘Kom, we gaan naar mijn huis. Daar ga je onder de douche en was je al die rode smurrie van je gezicht en trekt van mij een schoon overhemd aan.’

‘Waarom?’ reageerde Vledder verongelijkt, maar in zijn hart begreep hij de goede bedoeling van De Cock.

‘Zodat je vriendin Adelheid vannacht niet van je schrikt en… uit voorzorg.’

‘Voorzorg?’

De Cock knikte.

‘Het zou mij niets verbazen als op dit moment Mathilde de Graaf op het hoofdbureau bij de zedenpolitie aangifte tegen jou doet ter zake verkrachting c.q. poging daartoe.’

Загрузка...