De Cock slofte voorzichtig om de leren fauteuil heen en keek strak in het dode gelaat van het slachtoffer. Het was geen prettige aanblik. Het gezicht was door de strangulatie gezwollen. De wijd opengesperde ogen staarden in het niets en de tong stak half uit de mond.
Vledder, achter hem, hijgde in zijn nek.
‘Is dat die Radboud van Everdingen over wie je sprak?’ De Cock knikte.
‘Een paar uur geleden zat ik hier met Christiaan de Klerk in deze kamer tegenover hem. Een aardige, sympathieke vent met een goed verstand. In de regel sta ik vrij onbevangen tegenover een dodelijk slachtoffer, maar dit doet pijn. Ik heb het gevoel dat de dader mij nu persoonlijk iets heeft aangedaan.’ Vledder drukte zijn oudere collega iets opzij en boog zich ver voorover naar het briefje op de rechterrevers van het slachtoffer.
‘Het is weer een receptenbriefje van dokter Van Aken uit Purmerend en het begint ook nu met Pede poena claudo.’ De Cock zuchtte.
‘Komt daarna: Dit is de derde?’
Vledder las verder:
‘Ook deze vent is door mij persoonlijk met plezier gewurgd. Zo dat ook zijn verrotte ziel tot in eeuwigheid in de hel kan branden.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hoe lang gaat de dader van deze derde grove wurgmoord hiermee door? Dit is absurd. Onzinnig. Hoeveel slachtoffers staan ons nog te wachten?’
Vledder grinnikte.
‘Misschien stopt hij pas als hij door zijn voorraad receptenbriefjes heen is.’
De Cock kon het grapje van Vledder niet waarderen. Maar verzweeg dit.
‘Er moet,’ zo verzuchtte hij, ‘toch een gedachtelijn in die moorden zitten, een denkpatroon? Dit is toch geen pure waanzin?’ Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Van jouw theorie,’ schamperde hij, ‘dat de seksuele verhoudingen van Mathilde de Graaf het motief vormen voor deze wurgmoorden, klopt in ieder geval geen draad.’
Hij wees naar het slachtoffer.
‘Deze vriend van Christiaan de Klerk is homo, dat is duidelijk. Deze man heeft nooit een seksuele relatie met Mathilde de Graaf gehad.’ Hij grinnikte. ‘En daar heeft hij vermoedelijk ook nooit naar verlangd. Waarschijnlijk heeft hij haar niet eens gekend, was hij zich van haar bestaan niet bewust.’
‘Toch is hij dood,’ zei De Cock. ‘Vermoord op dezelfde manier als Verbruggen en Van Maathuizen.’
Vledder keek vragend in zijn richting.
‘Bedenk een nieuwe theorie.’ Het klonk cynisch.
De Cock krabde zich even achter in de nek, maar reageerde verder niet.
‘Heb je de meute al gewaarschuwd?’
Vledder knikte.
‘Al toen we hier binnenkwamen. Via de wachtcommandant met mijn mobieltje.’
De Cock tikte hem op zijn schouder.
‘Neem jij verder hier de honneurs waar?’
‘Waarom? Waar ga jij dan heen?’ vroeg Vledder verstoord. De Cock gebaarde opzij.
‘Hiernaast zit een grienende Christiaan de Klerk. Ik ga even met hem praten… kijken hoe het met hem is.’
Christiaan de Klerk zag er ontluisterd uit. Zijn overhemd hing uit zijn broek. Zijn ogen zagen rood en zijn wangen waren nat van tranen.
De Cock schudde hem de hand.
‘Gecondoleerd met het verlies van je vriend,’ sprak hij vormelijk. Daarna ging hij tegenover hem zitten.
‘Woonde Radboud hier bij jou op dit adres?’
‘Ja.’
‘Permanent?’
De Klerk veegde de tranen van zijn gezicht en knikte.
‘Al geruime tijd. Radboud en ik konden het heel goed samen vinden. We waren van plan om dit jaar nog voor de kerstdagen te trouwen.’
De Cock glimlachte.
‘Het klikte tussen jullie.’
‘Zeker.’
‘Wie wisten van jullie relatie?’
De Klerk pufte.
‘Weinigen. Alleen onze naaste familieleden. Wij liepen er niet mee te koop. We gingen samen ook nooit naar specifieke homogelegenheden.’
‘Kon iemand op het kantoor van jouw modehuis het weten?’ Christiaan de Klerk schudde zijn hoofd.
‘Ik ben ervan overtuigd dat niemand op kantoor wist of zelfs maar vermoedde dat ik een vriend had. Uiteraard heb ik Radboud nooit als mijn vriend aan het personeel van ons kantoor gepresenteerd. Onze geaardheid gaat niemand een bliksem aan.’
De Cock pauzeerde even.
‘Hoe laat vond je hem in die fauteuil?’
‘Kort voordat ik jullie belde.’
‘Radboud was alleen thuis?’
‘Nadat u vanmiddag was vertrokken, belde Rudolf Gerbrandsen mij. Hij had gehoord dat Antonie van Maathuizen was vermoord. Gerbrandsen vertelde dat hij met Van Maathuizen de aspecten van een fusie tussen onze modehuizen had besproken. Hij nodigde mij uit om bij hem thuis nog eens een oriënterend gesprekje te voeren.’
‘En daar bent u op ingegaan?’
De Klerk maakte een hulpeloos gebaar.
‘Rudolf Gerbrandsen woont niet zo ver hiervandaan. Op de Keizersgracht. Ik ben erheen gelopen. Misschien ben ik zo’n drie kwartier gebleven. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat ik niets voor een fusie voel. Nu niet en in de toekomst niet.’
‘Alles bij elkaar bent u dus ruim een uur van huis geweest.’
‘Zeker niet langer.’ De man had het moeilijk, maar De Cock vroeg door.
‘Toen u vanmiddag van huis wegging, hebt u toen het pand slotvast afgesloten?’
De Klerk schudde zijn hoofd.
‘Waarom? Radboud was toch thuis. Ik heb de deur gewoon achter mij dichtgetrokken.’
‘En toen u thuiskwam?’
De Klerk snikte en De Cock was bang voor een nieuwe huilbui.
‘Stond de deur toen open?’ vroeg hij snel.
‘Dat maakte mij al argwanend,’ sprak Christiaan de Klerk met verstikte stem. ‘Ik dacht aan inbrekers of andere malloten. Ik heb nog even overwogen om niet naar binnen te gaan en u te bellen voor advies. Maar ik was toch nieuwsgierig.’ De Cock wreef even met zijn vlakke hand over zijn gezicht. ‘Ik heb er niet op gelet, maar staat op of naast de voordeur van dit pand alleen uw naam, of ook de naam van uw vriend Radboud?’
Christiaan de Klerk schudde zijn hoofd.
‘De naam Radboud van Everdingen staat er niet op. Misschien later. Nu staat er alleen C. de Klerk, zonder verdere aanduiding.’
‘Weet u iets van de achtergronden van Radboud van Everdingen? Hoe was zijn verleden… is hij wel eens bestraft… had hij vijanden?’
De Klerk spreidde zijn handen in een wanhoopsgebaar.
‘Radboud is een keurige vent, komt uit een keurige familie. Ik heb nooit iets nadeligs over hem vernomen.’
‘Vroegere relaties?’
‘Ken ik niet.’
De houding van Christiaan de Klerk veranderde. Er kwam weer wat kleur op zijn gezicht en het rood in zijn ogen leek minder. Het was alsof hij plotseling alles van zich afschudde. Hij stond op, frommelde zijn overhemd weer in zijn broek en ging met een gestrekte rug weer zitten. Met zijn hoofd scheef keek hij De Cock onderzoekend aan.
‘Radboud van Everdingen,’ sprak hij helder, ‘is wel op een vreemde manier vermoord. Strak gewurgd met een touw aan stokjes en dan dat vreemde blaadje met die gekke tekst op een van zijn revers.’
Hij zweeg even.
‘Herkent u dat?’
De Cock knikte.
‘Ik herken dat. Charles Verbruggen en Antonie van Maathuizen zijn op dezelfde manier om het leven gebracht.’
Christiaan de Klerk trok zijn kin iets omhoog.
‘Dat vermoedde ik al, en zal ik u eens precies vertellen wat ik denk?’
‘Graag.’
‘Dat de dader zich heeft vergist…’
‘Vergist?’ vroeg De Cock met verbazing op zijn gezicht. De Klerk knikte.
‘De moordenaar beoogde niet Radboud van Everdingen om te brengen, maar mij. Hij vergiste zich. Of hij wist niet beter.’ De Cock keek hem strak aan.
‘Waarom zou men u willen vermoorden?’
De Klerk zuchtte diep en boog zijn hoofd.
‘Het is simpel. Bij mijn dood zouden alle leidinggevende figuren van ons modehuis zijn weggevallen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie had daar belang bij?’
‘Gerbrandsen. Hij kon dan zijn zo begeerde fusieplannen realiseren.’
‘Vrijwel zonder enige belemmering,’ zei De Cock.
‘Precies.’
De Cock blikte even voor zich uit.
‘Aan deze mogelijkheid… aan dit motief had ik nog niet gedacht.’
Christiaan de Klerk keek De Cock uitdagend aan.
‘Vraag aan Gerbrandsen welke moordenaar hij heeft ingehuurd en hoeveel hem dat heeft gekost.’
Toen De Cock na het gesprek met Christiaan de Klerk in de zitkamer terugkwam was het lichaam van Radboud van Everdingen al uit de fauteuil verdwenen. Hij liep naar Vledder, die in de laden van een schrijfbureau snuffelde.
‘Je hebt snel gewerkt.’
De jonge rechercheur glimlachte.
‘Zíj hebben snel gewerkt. Van Wielingen moest nog naar een grote kraak op de Vijzelgracht en op dokter Den Koninghe lagen nog een paar lijken te wachten. Ze hebben er allebei haastwerk van gemaakt.’
‘Het lijk is naar Westgaarde?’
‘Ja.’
‘Heeft dokter Den Koninghe nog iets gezegd over het tijdstip van overlijden?’
‘Nog geen uur geleden.’
De Cock knikte.
‘Het moet gebeurd zijn toen Christiaan de Klerk een bezoekje bracht aan het huis van Rudolf Gerbrandsen. Die had hem ontboden voor een oriënterend gesprek in verband met de fusieplannen die hij met Van Maathuizen had ontwikkeld. De Klerk is alles bij elkaar nog geen uur weg geweest.’
‘De Klerk was toch tegen een fusie?’
‘Dat heeft hij Gerbrandsen ook duidelijk gemaakt.’
De oude rechercheur glimlachte.
‘Christiaan de Klerk ontvouwde mij een prachtige theorie.’
‘En?’
‘De dader heeft zich vergist.’
‘Vergist?’ vroeg Vledder verrast.
De Cock knikte.
‘De dader vermoordde per ongeluk de verkeerde man. Niet Radboud van Everdingen moest dood, maar hij, Christiaan de Klerk.’
‘Waarom?’
De Cock glimlachte fijntjes.
‘Volgens De Klerk is Rudolf Gerbrandsen de aanstichter. Om zijn fusieplannen door te voeren, moesten alle leidinggevende figuren van het modehuis Verbruggen worden geruimd… inclusief De Klerk. De dood van Radboud van Everdingen was een bedrijfsfoutje van de door Gerbrandsen gefinancierde huurmoordenaar.’
‘Geloof jij dat?’ vroeg Vledder ongelovig.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Daarin past de moord op Antonie van Maathuizen niet. Hij was voorstander van een fusie. Bovendien plegen huurmoordenaars in de regel geen wurgmoord en schrijven geen tekst op een receptenblaadje.’
De grijze speurder nam een kleine pauze.
‘Waarin ik wel geloof, is het idee dat de dader de verkeerde man doodde.’
‘Hoezo?’
‘Hij of zij bedoelde wel degelijk Christiaan de Klerk te doden.’
‘Waarom?’
De Cock plukte lachend aan zijn neus.
‘Omdat iedereen dacht dat ook Christiaan de Klerk veelvuldig gebruikmaakte van de seksuele geneugten, aangeboden door Mathilde de Graaf.’
‘Jouw oude theorie.’
‘Precies… mijn oude theorie,’ antwoordde De Cock. Hij wees naar het schrijfbureau.
‘Waar zocht je naar?’
Vledder grinnikte.
‘Die Christiaan de Klerk houdt alles bij. Alle voorvallen op het kantoor van het modehuis vermeldt hij in een logboek. Hij heeft ook aantekeningen gemaakt van de dag dat hij en Antonie van Maathuizen bij Verbruggen werden ontboden om te vernemen dat Mathilde de Graaf tot dienstbaarheid bereid was.’
‘Wanneer was dat?’
‘Nog geen jaar geleden.’
De Cock grijnsde.
‘Ook dat bevestigt mijn oude theorie.’ Hij kneep zijn lippen samen. ‘Neem het maar in beslag.’
‘Toch zal ik eerst aan Christiaan de Klerk vragen of ik zijn logboek in het belang van het onderzoek enige tijd mag lenen. Ik wil hem niet opnieuw tegen mij in het harnas jagen. Ik denk dat ik hem in de nabije toekomst nog hard nodig heb.’
‘Hoe?’ vroeg Vledder.
‘Dat leg ik je nog wel eens uit,’ glimlachte De Cock, waarna hij zijn gezicht in een frons trok.
‘Wat heb je met het recept gedaan?’
Vledder tikte op zijn colbert.
‘Zit in mijn binnenzak.’
‘Met de foto’s die wij van de andere recepten hebben, nemen we ook dit morgen mee op onze excursie.’
‘Excursie?’
De Cock knikte.
‘Gooi de tank van de Golf maar tot zijn nekharen vol benzine. We gaan morgen al vroeg naar Groningen en Wageningen en laten aan de vier oudste kinderen van Herman de Graaf het handschrift van de tekst op de recepten zien.’