2

Rechercheur De Cock stootte Vledder met zijn schouder aan en scheen met de lichtkegel van zijn zaklantaarn in de richting van de deur waardoor zij de kamer waren binnengekomen.

‘Daar naast die deur,’ wees hij, ‘is wel ergens een schakelaar. Het is hier aardedonker. Doe het licht aan. De gordijnen zijn toch dicht. De batterijen van dit ding zijn bijna op.’

Hij lichtte Vledder bij en knipte de zaklamp uit. Nog geen seconde later brandde in het midden van het vertrek een gigantisch grote kroonluchter, die het gehele weldadige interieur met zijn schittering fel belichtte.

Vledder liep terug.

‘Zal ik de meute waarschuwen?’ Nu het licht brandde fluisterde hij niet meer.

‘Hoe laat is het?’ vroeg De Cock.

‘Bijna negen uur.’

‘Laten we hier nog even een poosje rustig en ongestoord om ons heen kijken voordat de meute straks alle sporen vertrapt.’ Vledder boog zich over het slachtoffer.

‘Zie je dat,’ riep hij verrast, ‘er zit een papiertje met een veiligheidsspeld op de revers van zijn jasje geprikt.’ Hij bukte zich nog iets dieper. ‘Het is ongeveer tien bij vijftien centimeter groot. Het lijkt wel zo’n briefje van een dokter.’

‘Je bedoelt een recept?’

‘Ook toevallig. Vanmiddag had je het nog over een recept.’

‘Toeval bestaat niet, of juist wel, Dick. Van wie is het, wat staat erop?’

‘Linksboven staat gedrukt Jan van Aken, arts, Fluitstraat 197, Purmerend.’

De Cocks gezicht vertoonde een zoete grijns.

‘Die man kennen we… een aardige en vooral bekwame huisarts in Purmerend. We hebben hem in het verleden wel eens geconsulteerd.’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Kan wel.’

‘Wat staat er verder?’

Pede poena claudo,’ las Vledder voor met een gek vertrokken gezicht.

‘Handgeschreven?’

‘Ja.’

‘Nog meer?’

Vledder ademde diep, een briefje voorlezen dat op de borst van een dode met open ogen is gespeld, was geen prettig onderdeel van het recherchevak.

Deze vent is door mij persoonlijk met plezier gewurgd. En daar weer onder op een nieuwe regel: Zodat zijn verrotte ziel tot in eeuwigheid in de hel kan branden.’

Snel kwam hij overeind en deed een stap naar achteren. De Cock trok een grijns.

‘Ook in handschrift?’

‘Precies. Hetzelfde schrift, met blauwe balpen, lijkt me zo.’ Hij stak zijn handen in de zakken van zijn leren jack en grinnikte. ‘Welke arts schrijft er zo’n recept uit.’

De Cock bromde.

‘In elk geval niet van Jan van Aken.’

‘Zijn naam staat erboven.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘De moordenaar of moordenares heeft alleen een receptenbriefje van hem gebruikt,’ zei hij korzelig.

‘Het is wel een heel vreemd recept met een nogal heftig taalgebruik… ik proef woede. Wat een tekst, en dat op een receptenbriefje. Ik neem aan dat er geen handtekening onder staat.’

‘Allicht niet.’ Vledder deed nog een stap naar achteren. ‘Wat betekent pede poena claudo?’ vroeg hij.

‘Dat is Latijn.’

‘Zoveel snap ik er ook wel van. Daar ben jij toch zo goed in? Ik heb je al zo vaak Latijnse kreten horen slaken.’

De Cock grijnsde breed.

‘Ik heb vroeger,’ sprak hij verklarend, ‘zomaar uit hobby en pure nieuwsgierigheid uitdrukkingen in het Latijn verzameld. Die dode taal herbergt tal van wijsheden.’ Hij gniffelde. ‘Mijn eerste verovering was de kreet pecunia non olet… geld stinkt niet.’ Vledder wees naar het blaadje op de revers van het slachtoffer. ‘En wat betekent pede poena claudo?’

‘Letterlijk: de straf met kreupele stappen.’

‘Wat is een straf met kreupele stappen?’ schamperde Vledder. ‘Het is volgens mij een Latijnse woordspeling. Bedoeld wordt: een straf die laat — te laat — op de misdaad volgt.’

Vledder keek enige tijd peinzend de kamer rond en knikte in de richting van de dode man.

‘De moord op deze man is dus bedoeld als straf?’

‘Dat blijkt uit dat pede poena claudo,’ zei De Cock. ‘Je zou het ook een wraakoefening kunnen noemen… een verlate wraakoefening voor een daad of meerdere daden in het verleden.’ Vledder blikte op zijn horloge.

‘Wil je nou nog rondneuzen hier of zal ik de meute waarschuwen?’

‘Doe maar.’

Vledder maakte een laatdunkende schouderbeweging naar het slachtoffer.

‘Het is een eenvoudige zaak.’

De Cock keek hem verbaasd aan.

‘Hoezo… eenvoudig?’

Vledder grijnsde.

‘We hoeven alleen de dader maar op te halen.’

‘Zo simpel?’

‘Dat dacht ik wel.’

‘Wie? Wie moeten we dan ophalen?’

‘De geprikkelde concurrent van het slachtoffer natuurlijk,’ zei Vledder. ‘Rudolf Gerbrandsen. Of ben je vergeten hoe we hier in dit pand aan de Keizersgracht terecht zijn gekomen?’ De Cock reageerde niet. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en spitste zijn oren.

‘Heb je de voordeur achter je gesloten?’ vroeg hij zacht. Vledder schudde zijn hoofd en fluisterde terug, ook hij had iets gehoord. ‘Ik heb hem weer op een kier gezet. Precies zoals we hem hebben aangetroffen.’

De Cock pakte hem bij zijn arm en leidde hem naar de scharnierzijde van de kamerdeur. Daar drukte hij hem tegen de muur.

‘Daar komt iemand,’ sprak hij fluisterend.

Vledder wees naar de schakelaar en deed of hij het licht uit wilde doen.

De Cock schudde zijn hoofd en bewoog zijn wijsvinger in een ontkennend gebaar heen en weer.

Het indringende geklik van voetstappen in de marmeren gang kwam dichterbij. Enige seconden later gleed een zwoele geur van parfum langs de twee rechercheurs. In het midden van het vertrek bleef een slanke vrouw plotseling staan en blikte om zich heen.

Ze was gekleed in een opvallende, glimmende plastic regenjas, vuurrood, met grote zwarte stippen.

Haar helblonde golvende haren die over de schouders en de rug vielen, met glans beschenen door de kroonluchter, contrasteerden sterk met haar opvallende jas. Een wat verschoten spijkerbroek en een paar minuscule zwarte schoentjes met spitse hoge hakken staken eronderuit.

Bij haar verschijning in de rode jas met stippen drong zich heel even de gedachte aan een lieveheersbeestje bij De Cock op. Hij schudde kort zijn hoofd en bezag de smalle rug van de fragiele gestalte, in afwachting van de kreet van schrik die de jonge vrouw bij de ontdekking van het lijk zou slaken.

Het duurde iets langer dan hij had verwacht. Maar de kreet van schrik en angst kwam… het was een gil die resoneerde tegen de wanden van het vertrek en echode zelfs uit de gang. De jonge vrouw draaide zich in paniek om en rende terug naar de deur.

De oude rechercheur bezag in een fractie van een seconde hoe stralend mooi ze was, hoe bevallig, en drukte vervolgens met zijn linkerarm de deur met een klap dicht. Even genoot hij van haar verwarring en liep toen, getooid met zijn beminnelijkste glimlach, op haar toe.

Niet zonder genoegen volgde Vledder.

‘Mijn naam is De Cock,’ opende de oude rechercheur vriendelijk. ‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij wees op Vledder. ‘En dat is mijn jonge collega en onvolprezen hulp Dick Vledder. Wij zijn beiden als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.’

De jonge vrouw stond hijgend en met een blos op haar gezicht voor hem. Haar grote blauwe ogen gleden schichtig van De Cock naar Vledder en terug.

‘Recherche?’

Vledder keek bewonderend toe. Hij wist dat De Cock het woord zou doen en dat hij intussen de tijd had om de aantrekkelijke vrouw te bestuderen.

De Cock strekte zijn arm in de richting van het slachtoffer in de fauteuil.

‘Daar ligt een dode man,’ sprak hij zacht. ‘Aan uw reactie te oordelen heeft u hem zojuist herkend. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij door misdaad om het leven is gebracht. Kortom, volgens onze overtuiging is hier sprake van moord.’

‘Van… van moord?’ stamelde ze.

De Cock vervolgde.

‘U kent hem?’

De jonge vrouw knikte. Het felle rood was uit haar gezicht getrokken. Ze zag bleek. Zelfs haar volle lippen hadden geen kleur.

‘Hij is… eh, dat is mijn directeur,’ sprak ze hakkelend, ‘de heer Verbruggen. Charles Verbruggen, directeur van modehuis Verbruggen.’

‘En wie bent u?’

‘Ik ben Mathilde… Mathilde de Graaf. Ik ben als secretaresse bij de heer Verbruggen in dienst.’

‘U hebt vrije toegang tot zijn woonhuis, eh… dit pand?’ De Cock wees om zich heen.

Mathilde de Graaf zuchtte.

‘Eén of twee dagen in de week kom ik ’s avonds om een uur of negen hier naar de Keizersgracht voor een kleine bespreking en soms neem ik brieven op. De heer Verbruggen zet dan de buitendeur vast op een kier, zodat ik niet hoef aan te bellen.’ De Cock glimlachte begrijpend.

‘Ook vanavond was er zo’n afspraak?’ vroeg hij liefjes. Vledder keek geamuseerd toe hoe De Cock zijn vragen op de secretaresse afvuurde. Hij beluisterde de formele toon. Tegelijkertijd begreep hij hoe ongemakkelijk de jonge vrouw zich in die kamer bij haar vermoorde directeur moest voelen. Was het alleen maar haar directeur? vroeg hij zich af. In elk geval zou hij haar daar toch niet zo hebben laten staan.

Mathilde antwoordde op de vraag van De Cock.

‘Hij belde mij vanmiddag om een uur of twee, of ik vanavond wilde komen. De heer Verbruggen verschijnt zelf nog maar zelden op kantoor. De feitelijke leiding ligt in handen van de heren Van Maathuizen en De Klerk.’

De Cock wees opnieuw naar het slachtoffer. Mathilde keek mee, ze slikte en sloot even haar ogen.

‘De heer Verbruggen was in ieder geval om twee uur vanmiddag nog in leven?’

‘Absoluut. Zijn stem was glashelder.’ Maar Mathildes stem klonk niet zo vast.

‘U weet niet op welk tijdstip de heer Verbruggen de buitendeur voor u op een kier zet?’

Mathilde schudde haar hoofd.

‘Dat heeft hij mij nooit verteld.’

‘Wie wist dat u vanavond naar de woning van de heer Verbruggen zou gaan?’

Mathilde maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik weet het niet zo precies meer, maar ik meen dat ik het de heer Van Maathuizen heb verteld. Hij is altijd bijzonder geïnteresseerd in de bezoeken die ik bij de heer Charles Verbruggen afleg.’

Het viel Vledder op dat Mathilde al net zo formeel begon te spreken als zijn oude leermeester.

‘Hoezo?’ vroeg De Cock.

Mathilde friemelde wat nerveus aan de kraag van haar regenjas.

‘In de regel vraagt hij mij de volgende dag hoe het bezoek verliep en wat ik met de directeur heb besproken.’

‘De heer De Klerk is niet zo geïnteresseerd?’

‘De heer De Klerk is niet zo’n streber. Hij vat zijn taak wat luchtiger op,’ zei Mathilde.

‘Vindt men het bij u op kantoor niet een tikkeltje vreemd dat u regelmatig buiten kantoortijd bij de directeur thuis wordt ontboden?’

Mathilde rechtte haar rug en trok een strak gezicht.

‘Het is bij ons op kantoor,’ sprak ze fel, ‘helemaal geen geheim dat ik na kantoortijd nog wel eens door de directeur thuis word ontboden. Niemand vindt dat vreemd. Het is al jaren zo.’ De Cock gebaarde weer om zich heen.

‘De heer Verbruggen ontvangt u hier altijd in dit vertrek?’ Mathilde knikte.

‘Ik kén alleen dit vertrek.’

‘Draait u zich eens om en kijk eens goed rond. Valt u iets op? Is er iets wat misschien anders is dan anders?’

Mathilde deed wat De Cock van haar verlangde. Vledder keek ook nog eens door de kamer.

‘De heer Verbruggen is dood,’ zei ze.

‘Dat was bij uw vorige bezoeken niet zo?’ vroeg De Cock. Een flauwe, overbodige vraag, vond Vledder.

Mathilde schudde haar hoofd en keek een tijdje naar de tafel.

‘Ik mis de wijn,’ zei ze aarzelend.

‘De wijn?’

Mathilde knikte.

‘Als ik ’s avonds kwam,’ sprak ze verklarend, ‘stond er daar naast zijn fauteuil op die ronde glazen tafel altijd een fles wijn met twee glazen. De heer Verbruggen en ik dronken tijdens mijn bezoek samen altijd een glas lichtgekoelde witte wijn.’ Aha, dacht Vledder en hij bekeek de mooie vrouw nog eens goed.

De Cock zag het en glimlachte.

‘De heer Verbruggen is vanavond aan de wijn niet toegekomen.’

Hij kan het spotten niet laten, vond Vledder.

De oude rechercheur nam een kleine pauze.

‘Behandelt u de website van het modehuis?’

Mathilde schudde haar hoofd.

‘Ik heb met de website niets van doen.’

‘Bij wie is die dan in beheer?’

Mathilde zuchtte.

‘De opzet was van Charles Verbruggen. Hij verzorgde ook de teksten, dat was het meeste wat hij eigenlijk nog voor de zaak deed. Een enkele keer is er wel eens een bijdrage van de heer Van Maathuizen. Maar in de regel zijn de teksten van de heer Verbruggen…’

Ze stokte… sloeg haar hand voor haar mond alsof haar ineens iets te binnen schoot. Daarna wees ze in de richting van het slachtoffer.

‘Dat moet hij gedaan hebben,’ sprak ze zacht.

‘Wie?’

‘Gerbrandsen, van het modehuis Gerbrandsen.’

De Cock veinsde een verrassing waar te nemen.

‘Wat brengt u op dat idee?’

Mathilde kruiste haar armen voor de borst en huiverde.

‘De heer Verbruggen placht op zijn website altijd vernederende opmerkingen te maken over het modehuis Gerbrandsen.’

‘Met als gevolg?’

Mathilde stak haar handen naar voren.

‘Gerbrandsen was daardoor duidelijk geraakt, hij voelde zich gekwetst. Hij heeft een paar maal openlijk gedreigd de heer Verbruggen te vermoorden als hij niet ophield met kleinerende teksten over modehuis Gerbrandsen op zijn website te openbaren.’

‘En?’

‘De heer Verbruggen lachte om de steeds terugkerende woedeuitbarstingen van de heer Gerbrandsen. Hij vond zijn herhaalde bedreigingen met moord wel spannend en amusant.’ De Cock snoof.

‘Hij ging dus gewoon door?’

Mathilde de Graaf knikte.

‘Charles Verbruggen had er lol in om Gerbrandsen en zijn modehuis te bespotten. Zijn teksten waren echt neerbuigend en beledigend, dat moet ik toegeven.’

De Cock keek haar strak aan.

‘U denkt dat heer Gerbrandsen verantwoordelijk is voor de dood van Charles Verbruggen… dat hij hem uit woede heeft vermoord?’

Mathilde trok haar schouders op.

‘Hij had duidelijk een motief. In mijn ogen een terecht motief. Het was vaak schofterig wat Charles over Gerbrandsen schreef. Ik heb mij daar toch vaak aan geërgerd.’

‘Hebt u wel eens contact gehad met de heer Gerbrandsen?’

‘Geen persoonlijk contact,’ antwoordde Mathilde. ‘Ik heb hem wel eens aan de telefoon gehad. Zakelijk. Hij leek mij een aardige man, heel vriendelijk en correct.’

Vledder liep verveeld over het krakende parket. Het was genoeg zo, vond hij. Waarom moest het gesprek in de kamer bij de dode zo lang duren.

De Cock begreep de hint.

‘We hebben al lang genoeg beslag op uw tijd gelegd,’ zei hij tegen Mathilde. ‘Wij zijn u daarvoor zeer erkentelijk. Wanneer we u nodig hebben, nemen we contact met u op. Hoe bent u vanavond hier naar de Keizersgracht gekomen?’

‘Met de tram.’

De Cock gebaarde naar Vledder.

‘Breng jij mevrouw De Graaf…’

Ze onderbrak hem.

‘Och, zegt u toch liever Mathilde.’

‘Breng jij mejuffrouw De Graaf, eh… Mathilde,’ verbeterde hij, ‘met de auto naar huis. Ik wacht hier op de meute.’

Vledder knikte met een charmante glimlach en zocht in een zijzak van zijn jack naar de autosleutels.

Mathilde de Graaf stak de wijsvinger van haar rechterhand omhoog. Ze wees naar het slachtoffer.

‘Mag ik hem nog even van dichtbij zien?’

‘Waarom?’ vroeg De Cock.

‘Een afscheid.’

‘Ik moet u wel waarschuwen…’ aarzelde de Cock, ‘de heer Verbruggen ziet er niet prettig uit van dichtbij. De dood manifesteert zich soms wat gruwelijk. Zijn ogen zijn wijd opengesperd en zijn gezicht is door de strangulatie iets gezwollen.’ Met deze uitleg hoopte De Cock dat ze ervan af zou zien en hem de pijnlijke aanblik van een geschokte Mathilde bespaard zou blijven. ‘Strangulatie?’ vroeg ze.

De Cock knikte.

‘Hij is gewurgd met een koord. Ik zou u willen adviseren dat u de heer Verbruggen in gedachten houdt zoals u hem bij leven hebt gekend.’

Mathilde schudde haar hoofd.

‘Ik wil hem toch even goed bekijken,’ sprak ze fluisterend, bijna dwingend.

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Zoals u wilt.’

Mathilde de Graaf liep voor De Cock uit naar de grote stoel waarin het slachtoffer zat. Ze bleef met een strak gezicht voor hem staan, haar kleine handen tot vuisten gebald. Even bukte ze zich naar het recept en kwam toen weer overeind. Plotseling, voordat De Cock het kon verhinderen, mepte ze met haar vlakke hand vol en krachtig op het pafferige gezwollen gelaat van de dode man. Daarna liep ze van hem weg naar de deur. Haar hoge hakjes klikten op de houten vloer.

De Cock staarde haar geschokt en verbijsterd na.

Vledder glipte achter haar aan naar buiten.

Загрузка...