Toen de rechercheurs het kantoorgebouw van modehuis Verbruggen op de Nieuwezijds Voorburgwal hadden verlaten, keek De Cock zijn jonge collega van terzijde bewonderend aan, de glimlach was nog niet van zijn gezicht geweken.
‘Dat was heel knap van jou.’
Vledder reageerde blij verrast.
‘Wat bedoel je?’
De Cock duimde over zijn schouder.
‘De manier waarop je die Anita de Reus uitlokte om een paar krasse uitspraken te doen.’
Vledder lachte.
‘Het was een impuls, De Cock. Jij kent dat toch ook, zo’n plotselinge ingeving. Toen jij gisteravond aan Mathilde de Graaf vroeg of men het op haar kantoor niet een tikkeltje vreemd vond dat zij regelmatig ’s avonds bij de directeur werd ontboden, reageerde ze uitermate fel. Zo fel dat ik de overtuiging kreeg dat er op kantoor wel degelijk over die bezoekjes werd gebabbeld.’
De Cock grinnikte.
‘Toch vond ik de uitlatingen van dat meisje Anita uitermate verrassend.’
Vledder stopte en hield De Cock tegen. Een grote groep lawaaierige vrouwen passeerde in de nauwe Nieuwezijds Kolk. Dagjesmensen uit het noorden, te horen aan de tongval. Het was niet het mooiste weer voor een dagje Amsterdam, maar dat had kennelijk geen invloed op hun humeur.
Vledder keek de vrouwen na, toen liep hij door en gaf De Cock een zetje tegen de elleboog en vertelde verder.
‘Ja, het klonk naar mijn gevoel ook geloofwaardig. De waarnemingen van Anita over het verkeerd geknoopte truitje van Mathilde de Graaf… na haar verblijf in de werkkamer van Van Maathuizen… waren opmerkelijk.’
De Cock lachte.
‘Vrouwen letten op die dingen. Het zou mij als man vermoedelijk zijn ontgaan.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Het is toch bijna niet aan te nemen dat de frêle Mathilde de Graaf stilzwijgend een verhouding had met drie mannen van dat modehuis? Dat zouden die mannen toch van elkaar moeten weten? Je hoorde die receptioniste en je weet hoe ze roddelen op zo’n kantoor.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik vind het ook vreemd. Toch lijkt het mij zinvol om voorlopig maar wel van dat gegeven uit te gaan.’
Vledder snoof.
‘En zo’n vrouw waagt het om mij van verkrachting te beschuldigen.’
‘Dick, we weten nog niet of zij aangifte heeft gedaan bij de zedenpolitie. Misschien heb ik haar gedrag jegens jou wel verkeerd ingeschat. Er kan van alles achter steken.’
‘Hoe bedoel je?’
Om de lippen van de oude rechercheur dartelde een vrolijke glimlach.
‘Nou, heb je jezelf wel eens in de spiegel bekeken? Adelheid heeft ook smaak! Misschien vond Mathilde jou een aantrekkelijke vent… een man met voor haar zo’n seksuele uitstraling, dat ze heeft geprobeerd ook jou aan haar zegekar te binden.’ Vledder vond het wel komisch, De Cock die zo over hem sprak.
‘Op zo’n onstuimige manier,’ sprak hij grinnikend, ‘wil ik niet door een vrouw worden veroverd. Ha, het leek wel of ik zittend achter het stuur door haar werd besprongen.’
De Cock moest lachen.
‘Misschien is het bij anderen een succesvolle tactiek. We moeten nog maar eens met Van Maathuizen praten… vragen hoe zijn romance met Mathilde de Graaf tot stand is gekomen.’ Vledder gromde.
‘Haar tactiek, zoals jij dat noemt, werkt in elk geval niet bij mij. Het maakte op mij geen enkele indruk, integendeel zelfs. Bovendien… ik heb Adelheid en daar kan geen andere vrouw tegenop.’
De Cock kuchte even een beetje overdreven.
Toen ze in de Warmoesstraat de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Rozenbrand hen vanachter de balie met een kromme vinger.
De Cock liep op hem toe en stak zijn kin naar voren.
‘Klachten?’ vroeg hij op een gespeeld barse toon.
‘Geen klachten!’ antwoordde de wachtcommandant. ‘Nee, De Cock, Bram van Wielingen heeft vanaf het hoofdbureau geprobeerd jullie te bereiken. Hij vraagt of jullie contact met hem willen opnemen.’
‘Dat doen we. Verder nog iets, wachtcommandant?’ Jan Rozenbrand wees grinnikend omhoog.
‘De commissaris wil je dringend spreken. Als De Cock het bureau binnenkomt, zei hij, stuur hem direct naar mij toe.’
‘Oei,’ schamperde De Cock en trok snel zijn hoofd tussen zijn schouders.
Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wuifde met een slanke hand.
‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Denkt hij nou nog steeds dat mij dat deftige gedoe imponeert? dacht De Cock. Hij trok zijn wenkbrauwen op alsof hij wilde zeggen: kom maar op.
De uitdagende houding van de oude rechercheur ontging Buitendam niet. Hij kwam achter zijn bureau vandaan en wenkte uitnodigend naar een comfortabel zitje bij het raam, waar hij gewoonlijk slechts prominente gasten ontving.
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi, nors en ontoegankelijk. De toenadering van zijn chef wees hij meestal hooghartig van de hand. Sinds jaren leefde hij op gespannen voet met de commissaris. Al wisten ze van elkaar dat dat voor een deel maar een houding was, toch hield De Cock het graag zo, beducht voor inmenging in zijn wijze van rechercheren.
‘Als het u hetzelfde is… ik blijf liever staan.’
Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos.
‘Zoals je wilt,’ sprak hij afgemeten. Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats.
‘Hoe lang werk jij al met Vledder samen?’
Nu zullen we het hebben, schoot het door De Cock heen. Hij deed of hij diep nadacht.
‘Vanaf het moment dat hij op dit bureau werd geplaatst. U hebt hem toen aan mij toegevoegd. Wij vormen samen — dat mag toch wel gezegd worden — sindsdien een uiterst succesvol koppel.’
Commissaris Buitendam knikte vaag.
‘Dat wil ik niet ontkennen. Heb je wel eens problemen met hem?’
‘Met wie?’
‘Met Vledder?’
De Cock keek hem argwanend aan.
‘In welk opzicht?’ Hoe durfde de commissaris.
Buitendam gebaarde wat onzeker.
‘In… eh, in zijn relatie met vrouwelijke arrestanten, vrouwelijke getuigen… vrouwen in het algemeen?’
De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen sloop. Inderdaad, de commissaris durfde Vledder af te vallen. Toch door die Mathilde, begreep De Cock.
‘Vledder benadert vrouwen,’ reageerde hij fel, ‘van welke leeftijdsgroep ook… altijd uiterst respectvol.’
Buitendam trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik ben vanmorgen gebeld door de chef van de zedenpolitie aan het hoofdbureau. Er is tegen Vledder een klacht ingediend ter zake ongewenste intimiteiten.’
Al voelde De Cock welke kant Buitendam op wilde, toch vroeg hij:
‘Door wie?’
De commissaris blikte op een notitie voor zich op zijn bureau.
‘Door een mejuffrouw Mathilde de Graaf.’ Met een vragende blik keek hij De Cock aan.
‘Dat is de secretaresse van die vermoorde directeur van het modehuis Verbruggen.’
‘Ja.’
De Cock veinsde onbegrip.
‘Wanneer moeten die… eh, die ongewenste intimiteiten dan wel hebben plaatsgevonden? Vledder is tijdens diensttijd vrijwel voortdurend in mijn gezelschap.’
Commissaris Buitendam tikte met zijn wijsvinger op de notitie.
‘In jullie eigen dienstwagen, toen Vledder haar zo rond middernacht op jouw verzoek naar de Vierwindenstraat bracht.’ De Cock schudde zijn hoofd.
‘Commissaris,’ sprak hij beslist, ‘dat kan niet. Onmogelijk. Daar was absoluut geen ruimte voor. Vledder was in luttele minuten weer bij mij op de plaats delict.’
Buitendam grijnsde.
‘Een hand is snel op een vrouwenknie gelegd en naar boven geschoven.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. Hij had al veel aantijgingen van de commissaris op zijn werk gehoord in de loop van de jaren, maar een collega een douw laten geven, dat pikte hij niet.
‘Beweert zij dat?’ vroeg hij, en het leek of hij de woorden bijna in het gezicht van zijn meerdere spuugde.
Commissaris Buitendam deinsde achteruit en knikte.
‘Mejuffrouw Mathilde de Graaf heeft ook kritiek geuit over jouw optreden gisteravond.’
De Cock snoof. Het moest nu niet gekker worden.
‘Mijn optreden?’ en hij sloeg met de vlakke hand tegen zijn borst.
Buitendam knikte opnieuw.
‘Jij had volgens haar kunnen voorkomen dat zij met een slachtoffer van een moord werd geconfronteerd. Dat heeft haar diep geschokt. Zij heeft zich vanmorgen bij haar werkgever ziek moeten melden.’
De Cock grinnikte droog.
‘Dat is een pertinente leugen. Die confrontatie met het slachtoffer gebeurde op haar eigen uitdrukkelijke verzoek. Ik heb geprobeerd haar ervan te weerhouden. Ik heb haar erop gewezen dat de aanblik niet prettig was, maar ze wilde per se haar dode directeur nog een keer van nabij zien.’
Commissaris Buitendam zuchtte diep.
‘Mejuffrouw De Graaf heeft via de chef van de zedenpolitie aan mij, commissaris van het bureau Warmoesstraat, het verzoek gericht om haar noch door jou noch door Vledder inzake het onderzoek naar de moord op de heer Verbruggen te laten benaderen.’
‘Wat?’ Het kostte De Cock moeite zich in te houden. ‘Ze wil dat jullie haar verder met rust laten.’
‘En?’
‘Ik heb de neiging om aan haar verzoek te voldoen.’ De mond van De Cock viel halfopen en hij maakte aanstalten om in de richting van de deur te lopen. ‘Dat kan niet,’ sprak hij daarbij hoofdschuddend. ‘Dat kan absoluut niet. Mathilde de Graaf is een belangrijke getuige in deze zaak. We zullen haar verklaringen verder moeten aanvullen.’
‘Dat moet dan later maar bij de rechter-commissaris gebeuren.’ De Cock ging weer recht voor het bureau van de commissaris staan. ‘Onzin!’ zei hij.
Commissaris Buitendam keek hem bestraffend aan.
‘Dat is een onbehoorlijke opmerking.’
De oude rechercheur grijnsde breed; hij wist welk argument hij nu zou gebruiken.
‘Mejuffrouw Mathilde de Graaf,’ betoogde hij met nadruk op elk woord, ‘speelt het handig. Vermoedelijk is zij tot haar nekharen bij deze moord betrokken. Door Vledder en mij uit haar buurt te houden, kan zij ons onderzoek traineren… zelfs onmogelijk maken.’
De Cock zuchtte diep terwijl hij Buitendam meewarig aankeek.
‘Dat een commissaris van politie die truc niet doorziet, is naar mijn gevoel een duidelijk bewijs van onbekwaamheid en onvermogen.’ Hij wist dat hij ver gegaan was… te ver.
Commissaris Buitendam kwam woedend achter zijn bureau vandaan. Er flikkerde vuur in zijn ogen en zijn neusvleugels trilden. Hij strekte zijn rechterhand bevend naar de deur van zijn kamer.
‘Eruit.’
Toen De Cock in de grote recherchekamer terugkwam en zich in zijn stoel achter zijn bureau liet zakken, straalde de woede van hem af. Zwaar zuchtend staarde hij voor zich uit. Vledder hem onderzoekend aan.
‘Was het weer zover?’
De Cock knikte met een verbeten gezicht.
‘Hij joeg mij weer eens zijn kamer af.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Hij leert het nooit.’
‘Ik had zo’n incompetente ondergeschikte allang naar een ander bureau laten overplaatsen.’
Vledder grinnikte.
‘Dan bleef hij met onopgeloste moorden zitten.’
‘En daar is meneer de commissaris te benauwd voor!’ Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Vertel, De Cock. Wat wilde Buitendam eigenlijk van je? Zo woedend als nu heb ik je niet vaak meegemaakt.’
De Cock krabde zich achter in zijn nek en overdacht hoe hij moest beginnen. Meteen maar daar waar zijn woede lag, besloot hij.
‘Mathilde de Graaf heeft bij de zedenpolitie aangifte tegen jou gedaan…’
‘Wat? Echt waar?’
‘Ja.’
‘Ter zake verkrachting?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ongewenste intimiteiten. Ze heeft een formele aangifte ter zake verkrachting of poging daartoe blijkbaar niet aangedurfd. Bang dat zij bij een listig verhoor door de mand zou vallen.’ Vledder keek geschrokken. ‘Jij was er al bang voor, De Cock. Welke intimiteit zou ik dan ongewenst met haar hebben uitgevoerd?’
De Cock grijnsde.
‘Jij zou jouw hand op haar knie hebben gelegd en die hand over haar dijbeen naar boven geschoven hebben. Je weet wat daarmee wordt bedoeld…’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Hoe verzint ze het. Ik heb haar met geen vinger aangeraakt. In de realiteit heb ik meer gegronde redenen om aangifte tegen háár te doen, dan zíj tegen míj.’ Hij was achter zijn bureau gaan staan. ‘Laat het maar zo,’ sprak De Cock sussend. ‘Het is geen misdrijf als een man over de knie van een vrouw strijkt.’
‘Krijg ik daar disciplinair geen last mee?’ Vledder zakte weer terug op zijn stoel en sloeg zijn handen tegen zijn wangen. ‘Niet direct, Dick, daar zal toch een onderzoek aan vooraf moeten gaan.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Wat ik veel ernstiger vind, is dat Mathilde de Graaf via die aangifte of kennisgeving bij de zedenpolitie probeert Buitendam te bewegen om ons te verbieden haar in deze zaak verder te benaderen.’
Vledder keek hem verbijsterd aan.
‘Hij is toch niet gek geworden of zo?’
De Cock kreeg weer een twinkeling in zijn ogen.
‘Laten we een onderlinge discussie over zijn geestelijke gesteldheid maar achterwege laten. Heb je Bram van Wielingen nog gebeld?’ vroeg hij belangstellend.
‘Ja.’
‘Had hij nog wat?’
‘Van Wielingen heeft het receptenbriefje grondig laten onderzoeken.’
‘En?’
‘Geen vingerafdrukken gevonden.’
‘Jammer.’
‘Van Wielingen heeft, naar zijn zeggen, prachtige vergrotingen van het bewuste briefje naar twee grafologen gestuurd.’ De Cock snoof.
‘Het kan wel even duren voor wij van die handschriftkundigen horen.’
Vledder trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit een notitie.
‘Op de achterzijde van het receptenbriefje stond nog een tekst, die wij gisteravond niet hebben waargenomen omdat wij de achterkant niet hebben bekeken.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Wat voor een tekst?’
Vledder las hardop voor.
‘Jouw medicijn, puntkomma, een wurgkoord om je nek.’ De Cock lachte. ‘Dat hebben we wel kunnen waarnemen. Het mankeerde er nog maar aan dat op de voorkant z.o.z. stond, zie ommezijde.’
‘Dat staat er ook.’
De Cock reageerde niet, hij keek zijn jonge collega peilend aan.
‘Zou jij een daderprofiel van de moordenaar van de heer Verbruggen durven maken?’
Vledder grinnikte.
‘Dan moet ik een beetje koffiedik kijken of diep in een glazen bol turen.’
‘Nou? Probeer het eens.’
Vledder maakte met zijn handen een gebaar of hij een bol omvatte.
‘Ik zie, ik zie… een door woede en haat verteerde man.’
‘Meer niet?’
Vledder wapperde met zijn handen en maakte weer een bol.
‘We weten niet waardoor die woede en haat in die man zijn gevoed,’ sprak hij bezwerend, ‘hoe die zijn ontstaan. Wanneer wij dat weten, zo vermoed ik, ligt de dader binnen handbereik.’ Hij ging achterover zitten en klapte in zijn handen.
De Cock schoof zijn onderlip iets naar voren.
‘Een mooi perspectief,’ sprak hij hoopvol. ‘Zoals altijd, in bijna elke zaak, blijft de vraag: wat is het motief?’
Vledder knikte.
‘En daarover heb ik nog geen flauw idee, rechercheur De Cock.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Wellicht speelt Mathilde de Graaf daarin een rol… kent zij de achtergronden van de moord op Verbruggen.’
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
‘Doe gewoon, Dick. Wat denk je, weet Mathilde de Graaf, of vermoedt ze, wie de moord pleegde?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Daar zijn geen aanwijzingen voor. Ze gaf gisteravond de dode Verbruggen een mep. Dat was een uiting van haat. De oorzaak van die haat en het waarom van die klap wil ze niet kwijt. Wellicht is dat juist de reden waarom ze wil dat wij uit haar buurt blijven.’
‘Terugkomend op het daderprofiel… kan de dader volgens jou geen vrouw zijn?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat dacht ik niet. Deze man, deze dader, is bezeten door woede en haat tijdelijk geestelijk gestoord. Hij genoot al van zijn moord toen hij het recept uitschreef.’