10

Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik kon vanmorgen echt niet langer wachten. Ik kwam al bijna te laat op Westgaarde. Hoe liep het af?’

‘Wat?’

‘Jouw onderhoud met Buitendam?’

De Cock grinnikte vreugdeloos.

‘Het was zoals altijd.’

‘Hij stuurde je de kamer af?’

De Cock knikte.

‘Buitendam kan het gewoon niet laten. Die man is direct aangebrand.’

Vledder gniffelde.

‘En jou treft geen enkele blaam?’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘De commissaris was blijkbaar opgejut door de chef van de narcoticabrigade. Die vond dat wij al te lang in de zaak Van Ravenstein hadden gerommeld. Tegen dat begrip rommelen maakte ik bezwaren.’ De oude rechercheur zuchte: ‘Ik begrijp het wel. Die luitjes van de narcoticabrigade hebben in meer dan een jaar vrijwel niets bereikt en nu beven ze van ellende, dat wij de zaak mogelijk, buiten hen om, tot een oplossing brengen.’

Vledder keek ondeugend.

‘Ik zou het best leuk vinden.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘De chef van de narcoticabrigade,’ sprak hij ernstig, ‘wilde ook de moord op Arnold van Beuningen van ons overnemen.’

Vledder keek hem met grote ogen aan.

‘Dat heb je toch geweigerd… hoop ik?’

‘Ik heb gezegd. na een jaar. als wij er dan nog niet uit zijn. dan mogen ze bij Narcotica aan de zaak Van Beuningen gaan rommelen.’

Vledder lachte.

‘Dat rommelen zit je knap dwars, geloof ik.’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Ik heb mijn werk als rechercheur altijd positief benaderd. Rommelen heeft naar mijn gevoel een negatieve klank.’ De grijze speurder liet het onderwerp rusten, en ging over tot de orde van de dag. ‘Hoe was de sectie?’

Vledder glimlachte.

‘Zelfs de oude dokter Rusteloos was verbaasd. De patholoog-anatoom had in zijn lange leven nog nooit een sectie verricht op een lijk met zo’n enorme vetlaag. Ongelooflijk.’

‘Was Ben Kreuger er nog?’

Vledder knikte.

‘Hij heeft vingers van het lijk genomen. Volgens de dactyloscoop kwam Arnold van Beuningen wel voor in het bestand: een oplichting, zeven jaar geleden. Een zaak waarvoor hij overigens niet is vervolgd. Ben Kreuger zei dat hij voor alle zekerheid de beide prentjes toch even met elkaar zou vergelijken. Er wordt de laatste tijd nogal met identiteiten geknoeid.’

‘Kogels?’

Vledder frommelde met zijn vingers in het borstzakje van zijn colbert, viste daaruit een propje vloeipapier en gaf dat aan De Cock.

‘Onbeschadigd, goed geconserveerd, in het vet blijven steken. een kogel 7.6 mm.’

De oude rechercheur pulkte het propje vloeipapier open en bekeek het projectiel.

‘Prachtig. nu het pistool nog.’

Vledder blikte naar hem op.

‘Een oude Sauer?’

De Cock glimlachte. ‘Hendrik-Pieter Donkersloot is dood. Maar ik neem niet aan dat mevrouw Donkersloot zijn pistool bij hem in de kist heeft gelegd.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Je bedoelt dat hetzelfde wapen nu door een ander kan zijn gehanteerd?’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Het is een voor de hand liggende conclusie. De moorden op Van Ravenstein en Van Beuningen lijken op elkaar qua modus operandi. eenzelfde wijze van uitvoering. betrekkelijk stille ontmoetingsplekken. water in de directe omgeving.’ Hij zweeg even en krabde zich achter in zijn nek. ‘En weet je waar ik gisteravond voor het naar bed gaan aan dacht?’

‘Nou?’

‘Waar is de oude Sauer 7.6 mm van de vermoorde Frederik van Ravenstein gebleven?’

De mond van Vledder viel half open.

‘Annelies Breitenbach?’ Zijn stem trilde een beetje. ‘Zou. eh, zou zij…’

De Cock zuchtte.

‘Het is haar niet vreemd. Ze kan met een wapen omgaan. Bovendien behoeft de relatie, die zij met haar Friedrich had, echt niet zo lief en zonnig te zijn geweest als zij ons wil doen geloven.’ Hij stak gebarend de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog. ‘En ze kende fatman Arnold van Beuningen.’

‘Het tweede slachtoffer.’

‘Precies.’

Vledder knikte traag voor zich uit.

‘Annelies Breitenbach,’ sprak hij bedachtzaam. ‘Het was nog niet eerder bij mij opgekomen. Aan haar had ik, eerlijk gezegd, in het geheel niet gedacht. Maar ze kan door haar verhouding met Frederik van Ravenstein best volledig op de hoogte zijn geweest van de misdadige activiteiten van het syndicaat.’

De Cock grijnsde.

‘En ze is in haar eentje een soort chantagetocht langs de leden van het syndicaat begonnen?’

‘Onmogelijk?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zeker niet.’

Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Zaten bij Frederik van Ravenstein de kogelwonden ook zo mooi dicht op een kluitje?’

De Cock knikte traag.

‘Ik dacht destijds ook direct aan een ervaren schutter. iemand die weet hoe hij een pistool moet hanteren. In de regel vindt men de kogelwonden op grotere afstand van elkaar en zijn er missers.’ De grijze speurder leunde in zijn stoel achterover en kauwde peinzend op zijn onderlip. ‘Toch zitten mij een paar dingen dwars,’ ging hij verder. ‘Dingen, die ik niet begrijp. Zowel Van Ravenstein als Van Beuningen waren opgegroeid in het kwaad. mensen met ervaring in de misdaad. die daarin een toppositie bekleedden.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘Welke macht had de moordenaar om hen beiden ongewapend naar afgelegen ontmoetingsplaatsen te dirigeren?’

Vledder glimlachte.

‘Onze Annelies Breitenbach,’ sprak hij gnuivend, ‘is een mooie aantrekkelijke jonge vrouw. En voor een geheim rendez-vous met zo’n begeerlijk schepsel neem je geen pistool mee.’

De Cock keek hem bewonderend aan.

‘Dat is een juiste analyse,’ sprak hij prijzend. ‘Liefde maakt blind en minder waakzaam.’ Hij streek met zijn vingers door zijn grijze haren. ‘Maar we hebben ook nog steeds een bekentenis van ene Hendrik-Pieter Donkersloot en die geeft als motief voor zijn daad een chantage gepleegd door Van Ravenstein.’

Vledder trok achteloos zijn schouders op.

‘Je zei het zelf al. de mooie Annelies Breitenbach kan best als een soort femme fatale door de groep zijn getrokken. Wie weet welke relatie zij met de overleden Hendrik-Pieter Donkersloot had. Misschien lag in zo’n verhouding wel de chantagemogelijkheid, die door Van Ravenstein werd uitgebuit.’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Je bent goed op dreef,’ sprak hij bewonderend. ‘Een relatie,’ ging hij voorzichtig formulerend verder, ‘waarin Annelies Breitenbach haar vriend of geliefde Hendrik-Pieter Donkersloot kon bewegen om een bekentenis te schrijven voor de moord op Frederik van Ravenstein. een moord, die zij zelf had begaan.’

Vledder keek hem glunderend aan.

‘Met de oude Sauer 7.6 mm, die ze hem van tevoren had ontfutseld.’

Er viel een diepe stilte. Beide rechercheurs worstelden met hun gedachten. Ze laveerden van de ene mogelijkheid naar de andere.

Het was Vledder die de stilte verbrak.

‘Annelies Breitenbach is een ideale verdachte,’ sprak hij. ‘En we hebben mogelijkheden. We moesten maar eens met een bevel tot huiszoeking op zak naar Blaricum.’ Hij wees naar de kogel op het bureau van De Cock. ‘Als we die oude Sauer 7.6 mm bij haar vinden en bij schietproeven komen dezelfde krassporen tevoorschijn, dan. ’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af.

‘…hebben we de zaak rond,’ vulde De Cock aan. Het klonk niet erg overtuigend.

Vledder keek hem, onderzoekend aan. ‘Niet. eh, niet tevreden?’ vroeg hij weifelend.

De Cock antwoordde niet direct. Hij boog zich weer naar voren.

‘Ik zou voor jouw theorie voelen,’ sprak hij voorzichtig, ‘als we de bekentenis van Hendrik-Pieter Donkersloot bij Annelies Breitenbach hadden gevonden. als zij werkelijk in het bezit van die bekentenis was geweest. Maar die bekentenis lag in een oud geschiedenisboek. onbereikbaar voor Annelies Breitenbach voor het geval ze hem onverhoopt eens nodig mocht hebben. Begrijp je, Dick, dat dempt mijn enthousiasme.’

Vledder liet zijn hoofd zakken.

‘Ik had even het gevoel dat we op de goede weg waren,’ sprak hij wat timide. ‘En ik wil het idee toch nog niet loslaten. Misschien weet de neef van Hendrik-Pieter Donkersloot of zijn oom een of andere buitenechtelijke liefdesaffaire had.’

De Cock wees voor zich uit.

‘Maar wel met onze bevallige Annelies Breitenbach,’ sprak hij streng. ‘Elke andere relatie met een vrouw past niet in het schema.’ Hij keek de jonge rechercheur strak aan. ‘En houd in je denkwereldje altijd rekening met de stelling een chanteur moordt niet. Dat is dom. Een chanteur heeft er juist belang bij, dat zijn slachtoffer in leven blijft. Als zijn slachtoffer dood is, kan hij of zij niet meer betalen. Als er toch wordt gemoord, dan is de dader nooit de chanteur.’ Hij zweeg even; ging wat geprikkeld verder. ‘Ik weet het niet, ik weet niet of in de zaak waar wij mee bezig zijn chantage wel het motief is. Een chanteur heeft iets. kent iets. beschikt over een wetenschap die een ander graag geheim wil houden. en bereid is om voor die geheimhouding te betalen. Als bij beide moorden, zowel op Van Ravenstein als op Van Beuningen, sprake was van chantage, dan rijst onmiddellijk de vraag: wat wist het slachtoffer en wat wilde de moordenaar geheim houden? Korter gezegd: wie chanteerde wie en waarmee?’

Vledder knikte begrijpend.

‘Kom daar eens achter.’

De grijze speurder hield zijn wijsvinger voor zijn neus.

‘Buiten Annelies Breitenbach, is er mischien nog maar een die ons dat kan vertellen.’

‘Teijsterling?’

De Cock knikte.

‘Adelbert Teijsterling.’

Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en vrijwel onmiddellijk daarna ging de deur open. De oude rechercheur keek verrast toe. In de deuropening stond Gert-Jan van Brunschoten. Hij wuifde joviaal en liep met grote stappen naar het bureau van De Cock.

‘Dag, hier ben ik weer.’

‘Dat zie ik.’

Gert-Jan van Brunschoten liet zich op de stoel naast het bureau zakken.

‘Ik heb een trein gemist,’ sprak hij hijgend. ‘Anders was ik er nog een halfuurtje eerder geweest.’

De Cock glimlachte.

‘Had je zo’n haast?’

Gert-Jan van Brunschoten knikte.

‘Nogal. Vader wil dat ik op tijd voor het eten terug ben.’

‘En wanneer eten jullie?’

‘Na het sluiten van de winkel. Vader vindt dat in ieder geval bij de avondmaaltijd het gezin compleet bij elkaar aan tafel moet zijn. Daar is hij erg op gesteld.’ Hij grinnikte even. ‘En vader is daar ook erg streng in. Ik heb eens een keer. ’

De Cock onderbrak hem.

‘Je bent toch destijds met je vader meegeweest naar de Molenlaan?’

Gert-Jan van Brunschoten keek hem vragend aan.

‘Om die boekenverzameling op te halen?’

De Cock knikte.

‘Precies. Herinner je je nog dat oude huis?’

‘Zeker.’

‘En mevrouw Donkersloot?’

Gert-Jan van Brunschoten knikte.

‘Ik vond haar wel een aardige vrouw. Ik heb nog een tientje van haar gekregen omdat ik zo met die boeken had gesjouwd.’

‘Ze is verdwenen.’

Gert-Jan van Brunschoten keek hem verbaasd aan.

‘Nee toch?’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Niemand weet waar ze is gebleven. Dat huis aan de Molenlaan staat leeg.’

‘Gut.’

De Cock lachte om de reactie en liet het onderwerp verder rusten.

‘Moest je weer zo nodig naar Amsterdam?’ vroeg hij vriendelijk.

Gert-Jan van Brunschoten lachte geheimzinnig. ‘Ik heb weer wat gevonden.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘In die boekenverzameling?’

Gert-Jan van Brunschoten knikte.

‘Ik heb een paar dagen geen tijd gehad om er in te snuffelen. Een winkelmeisje was ziek geworden. Ik moest helpen in de zaak. Maar vanmiddag heb ik weer eens een uurtje zitten bladeren.’

‘En?’

Gert-Jan van Brunschoten knoopte zijn overhemd los.

‘In een geschiedenisboek. weer zo’n menukaart van de Poort van Eden in Amsterdam.’

De Cock keek hem gespannen aan.

‘Met een bekentenis van een moord?’

Gert-Jan van Brunschoten reikte de kaart over en knikte.

‘Een moord op Arnold van Beuningen.’

Vledder boog zich voorover en griste de menukaart uit de handen van De Cock.

‘Dat kan niet,’ schreeuwde hij. ‘Dat kan niet. dat kan niet. dat…’

Загрузка...