14

De Cock raapte het breekijzer op en gaf Vledder een teken dat hij Erik van Ravenstein uit zijn houdgreep kon loslaten. Hij keek naar de handen van de jongeman en liet daarna zijn blik weer omhoog glijden. Op zijn breed gezicht lag een grijns.

‘Hebt u nooit van dactyloscopie gehoord?’ vroeg hij met enig sarcasme. ‘Nooit gehoord, dat men bij het plegen van een inbraak handschoenen moet dragen omdat men anders het risico loopt om op de plaats van het misdrijf vingerafdrukken achter te laten?’

Erik van Ravenstein liet zijn hoofd zakken.

‘Ik ben geen inbreker,’ sprak hij nukkig. ‘En ik pleeg geen misdrijf.’

De Cock veinsde verbazing. Hij stak het breekijzer omhoog.

‘Hoe moet ik uw aanwezigheid hier met dit brok ijzer in uw hand dan verklaren?’

Erik van Ravenstein maakte een vaag gebaar.

‘Ik… eh, ik…’

Verder kwam hij niet.

De Cock duimde over zijn schouder.

‘Welke voorwerpen hebt u daarbinnen met uw vingers beroerd?’

Erik van Ravenstein schudde zijn hoofd.

‘Geen enkel voorwerp. niets nog. Die griet heeft de indeling van de kamers totaal veranderd.’

Hij wees voor zich uit.

‘Vroeger stond daar in die kamer vaders bureau met rechtsonder een grote metalen geldkist, waarin hij zijn belangrijkste papieren bewaarde. Nu is het een slaapkamer.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Griet?’ vroeg hij met quasi onbegrip. ‘Over welke griet sprak u?’

Erik van Ravenstein maakte een hoofdbeweging.

‘Die griet, met wie vader huisde.’

‘Je bedoelt Annelies Breitenbach?’

Erik van Ravenstein knikte.

‘Zo heet ze, ja. Annelies Breitenbach. Ik ga al een flink poosje zoveel mogelijk haar gangen na. Op donderdag, zo weet ik, is ze altijd in Amsterdam in de Poort van Eden. Ze heeft daar iets met een man die daar werkt.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘En het is nu donderdag.’

Er gleed een glimlach over het gezicht van de jongeman.

‘Daarom ben ik vanavond gegaan. Ik had uiteraard niet op u gerekend.’ Hij blikte om zich heen. ‘Is er ergens een alarm afgegaan?’

De Cock antwoordde niet. Hij keek Erik van Ravenstein nog eens scherp onderzoekend aan. De jongeman maakte op hem geen onsympathieke indruk. Integendeel. Zijn ongekunstelde openheid trof hem.

‘Hoe bent u binnengekomen?’

‘Met een sleutel van het huis.’

‘Had u die?’

Erik van Ravenstein knikte nadrukkelijk.

‘Nog van vroeger. We hebben hier gewoond.. mijn moeder, mijn jongere broer en ik. toen. eh, toen vader nog normaal was.’

‘Wanneer. eh,’ vroeg De Cock aarzelend, ‘wanneer werd hij abnormaal?’

Erik van Ravenstein maakte een schouderbeweging.

‘Opeens. opeens nam hij jonge meiden mee naar huis. steeds anderen. die bleven dan hier logeren. En vader sliep bij ze. Als mijn moeder daar iets van zei, dan lachte hij haar uit. Het was een onhoudbare situatie. Op het laatst heeft moeder hem een ultimatum gesteld: of die meiden eruit. of wij.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Jullie dus,’ stelde hij zuchtend vast. De oude rechercheur stak zijn geopende rechterhand naar voren. ‘De sleutel.. van het huis.’

Erik van Ravenstein tastte in zijn broekzak en gaf de sleutel aan De Cock. De grijze speurder bekeek de sleutelbaard. ‘Heb je er nog meer. thuis?’

‘Nee. Deze had moeder nog bewaard.’

‘Weet je moeder dat je hier bent?’

Erik van Ravenstein schudde zijn hoofd.

‘Het is een eigen initiatief. Moeder zou het nooit hebben goedgekeurd.’

De Cock knikte begrijpend en wuifde naar de deur.

‘We gaan eruit.’ Toen ze allen de villa hadden verlaten, nam de oude rechercheur de sleutel van Erik van Ravenstein en sloot daarmee de toegangsdeur zorgvuldig af. Daarna stak hij de sleutel in zijn broekzak.

Met de jongeman in hun midden liepen ze over de stille Schapendrift terug naar de plek, waar Vledder de Golf had geparkeerd.

Het bleke maanlicht tekende van hen langgerekte silhouetten op het asfalt.

De Cock liet Erik van Ravenstein op de achterbank plaatsnemen. Daarna stapte hij in en beduidde Vledder om weg te rijden.

De jongeman boog zich iets naar voren.

‘Wat gaan jullie met mij doen?’ In zijn stem trilde onzekerheid en angst.

De Cock draaide zich half om.

‘Daar moet ik nog eens over nadenken.’ Hij zweeg even. ‘Je zei,’ ging hij verder, ‘dat je naar geld van je vader zocht?’

Erik van Ravenstein knikte.

‘Toen vader nog leefde stuurde hij moeder elke maand een toelage. Het was genoeg, we konden er ruim van komen. Nadat hij was vermoord, hebben wij geen rooie cent meer ontvangen. En dat is nu al meer dan een jaar. Moeder had nog wel wat geld achter de hand, niet veel, maar genoeg om dat jaar door te komen. We teren wel in. Ik heb weliswaar een redelijke baan, verdien echt niet slecht, maar mijn jongere broer studeert nog. En dat kost veel geld.’

De Cock toonde verbazing.

‘Hebben jullie in dat hele jaar dan geen enkele actie ondernomen om het geld van je vader te achterhalen?’

Erik van Ravenstein knikte.

‘Zeker. Na de dood van vader is moeder een paar maal hier in Blaricum geweest en heeft met die griet gesproken. Die griet zegt dat er geen geld meer is. dat zij financieel niet in staat is om onze gebruikelijke toelage op te brengen. We hebben een advocaat in de arm genomen. Het bleek dat vader geen enkel testament had laten opmaken. Maar op een of andere slinkse manier staat die villa op naam van die griet en vader heeft, volgens de bevindingen van onze advocaat, in Nederland nergens meer een banktegoed.’ De jongeman zwaaide heftig. ‘En dat kan niet. Vader was een vermogend man.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘Is het gehele vermogen van jouw vader naar de bankrekening van die. eh, die griet gesluisd?’

Hij pauzeerde even en kneep een diepe denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Zullen we haar in het vervolg gewoon Annelies Breitenbach noemen?’ stelde hij vriendelijk voor. ‘Dat woord griet heeft zo’n nare klank, vind je niet?’

Erik van Ravenstein berustte in het voorstel:

‘Oké, Annelies Breitenbach. Thuis hebben we het altijd over die griet van vader… vandaar.’

De Cock glimlachte.

‘Ik begrijp het.’ Hij blikte vriendelijk naar hem op. ‘Ik heb je een vraag gesteld.’

Erik van Ravenstein knikte.

‘Ik weet het. of het gehele vermogen van mijn vader naar de bankrekening van die griet is gesluisd?’

‘Precies.’

Erik van Ravenstein maakte een hulpeloos gebaar. ‘Die, eh, ik bedoel Annelies Breitenbach heeft destijds aan mijn moeder laten zien welke bedragen aan geld zij van vader in de loop der tijd als geschenk of toelage heeft gekregen. Dat was alles bijeen een aardig kapitaaltje, dat ze blijkbaar goed had beheerd, maar gezien in het licht van mijn vaders gehele vermogen, hoogstens een paar procenten. Het is natuurlijk mogelijk, dat die Annelies Breitenbach geld van mijn vader op buitenlandse banken heeft staan. in landen met een bankgeheim. Dat is moeilijk te achterhalen. Volgens onze advocaat komen wij daar normaal nooit achter.’

De Cock snoof.

‘Toen dacht jij: ik ga eens in die villa snuffelen om te zien of er ergens bescheiden zijn, waaruit blijkt dat Annelies Breitenbach zo’n geheime buitenlandse bankrekening heeft.’

Erik van Ravenstein knikte heftig:

‘Met zo’n bewijs in handen zouden moeder en ik haar, geholpen door onze advocaat, danig onder druk hebben kunnen zetten. Het geld van vader moet toch ergens zijn gebleven? Dat kan hij nooit in zijn geheel hebben opgemaakt. zelfs niet aan de zijde van zo’n. eh, zo’n dure juffrouw als Annelies Breitenbach.’ De jongeman liet zich even terugzakken op de achterbank van de Golf, maar kwam vrijwel direct weer met een ruk naar voren. ‘Hebt u er al over nagedacht, wat u met mij gaat doen?’

De Cock haalde zijn schouders op.

‘Wat doet de politie met mensen die in de woning van een ander snuffelen?’

‘Die gaan de cel in?’

De Cock grinnikte.

‘Als er ruimte is. Dat geeft tegenwoordig nog wel eens problemen.’ De oude rechercheur ademde diep.

‘Maar dat is voor mij nu van geen overweging. Je woont nog thuis bij je moeder?’

‘Ja.’

‘Waar?’

‘In Amsterdam in de Churchilllaan.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar de jongeman uit.

‘We brengen je thuis.’

Erik van Ravenstein keek hem argwanend aan.

‘En verder?’

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Verder niets. Jij en ik vergeten dat wij elkaar vanavond hebben ontmoet.’

Om de mond van Erik van Ravenstein gleed een verlegen glimlach.

‘Kan dat?’

De Cock knikte vaag.

‘Het kan,’ sprak hij achteloos. Hij gebaarde opzij. ‘Ook mijn collega kan zwijgen als het graf. Dat hoort zo’n beetje bij ons beroep.’ De oude rechercheur plukte nadenkend aan het puntje van zijn neus. ‘Ben je van plan ermee door te gaan?’

‘Waarmee?’

‘Zoveel als mogelijk de gangen van die Annelies Breitenbach na te gaan?’

Erik van Ravenstein knikte.

‘Het is volgens mij de enige manier om ooit nog eens achter het geld van vader te komen.’

‘Aan wie. eh, aan wie rapporteer jij je bevindingen? Ik bedoel, aan wie vertel je wat je van die Annelies ziet of hoort?’

‘Aan niemand.’

De Cock keek naar hem op.

‘Als je dat nu eens aan mij deed. of aan mijn collega. Je kunt ons vinden in het politiebureau aan de Warmoesstraat.’

Erik van Ravenstein fronste zijn wenkbrauwen.

‘U bent geïnteresseerd?’

De Cock schonk hem een zoete grijns.

‘Hooglijk.’


Nadat ze Erik van Ravenstein in de nabijheid van zijn woning hadden afgezet, reden ze van de Churchilllaan naar de Apollolaan.

Vledder blikte opzij.

‘Vond je het wel verstandig om met die jongeman zo’n afspraak te maken?’

De Cock haalde zijn schouders op.

‘Wat bleef mij anders over? Ik kon Erik van Ravenstein moeilijk voor inbraak of een poging daartoe arresteren en aan de politie in Blaricum overdragen. Dan kwam onze eigen positie in gedrang. Hoe zouden wij onze aanwezigheid in de villa van Annelies Breitenbach moeten verklaren. we kwamen toevallig langs en zagen toevallig een deur openstaan?’

Vledder grinnikte.

‘Dat is toevallig te veel.’

De Cock liet zich wat onderuitzakken.

‘Bovendien is Erik van Ravenstein geen inbreker. Hij komt alleen op voor zijn eigen erfdeel en dat van zijn moeder en zijn broer.’

‘Van geld dat zijn vader door misdrijf heeft verkregen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Daar heeft die jongeman geen schuld aan. Het is zelfs de vraag of Erik en de andere leden van zijn familie weten op welke wijze vader Van Ravenstein zijn vermogen heeft verkregen.’

Vledder klapte ongedurig op het stuurwiel van zijn Golf.

‘Het is toch vreemd dat al dat geld is verdwenen. dat er voor Erik en zijn familie niets meer over is?’

De Cock knikte.

‘We moeten eens nagaan of Arnold van Beuningen een vermogen heeft nagelaten. of dat ook hij bij zijn dood vrijwel bankroet was.’

Vledder toonde zich verrast.

‘Daarin zou best eens het motief voor de beide moorden kunnen schuilen,’ riep hij enthousiast.

De Cock reageerde niet. Hij blikte om zich heen naar het voorbij glijdend straatbeeld.

‘Waar ga je heen?’

‘Ik breng jou naar huis.’

De Cock schudde resoluut zijn hoofd.

‘We gaan eerst even terug naar de Kit. We zijn een aardig poosje weg geweest. Misschien zijn er nieuwe ontwikkelingen.’

Vledder trok een beteuterd gezicht. ‘Het is al elf uur. Ik wil wel eens op tijd naar bed.’

‘Morgen.’

De jonge rechercheur sputterde nog wat tegen, maar sloeg toch een andere weg in. Het was nog druk in de oude binnenstad. Op het Damrak zaten de terrasjes overvol. Het zwoele zachte weer lokte de mensen uit hun huizen. Vledder parkeerde de nieuwe Golf op de steiger. De beide rechercheurs stapten uit en slenterden via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. De deuren van de cafés in de straat stonden open en flarden muziek drongen naar buiten.Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie. De Cock liep naar hem toe.

‘Heb je wat?’

De wachtcommandant wees omhoog.

‘Boven zit al meer dan een uur een jonge vrouw op je te wachten. Ik was eerst van plan om haar weg te sturen, maar ik heb je vrouw gebeld en die zei dat je nog niet thuis was.’

De Cock glimlachte.

‘Toen dacht jij: die komt nog wel even langs de Kit.’

Jan Kusters grinnikte.

‘Ik ken je toch.’

‘Heeft ze een naam genoemd?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

‘Ik heb ook niet naar haar naam gevraagd. Ze was erg nerveus. Ik heb geprobeerd om haar af te schepen. morgen terug te laten komen, maar ze wilde van geen wijken weten.’

De Cock liep van de balie weg en besteeg de trappen naar de tweede etage. Vledder volgde. Op de bank voor de ingang van de grote recherchekamer zat een jonge blonde vrouw.

Toen ze De Cock in het oog kreeg, stormde ze op hem af, wild, ongeremd, met een betraand gezicht.

‘U moet hem stoppen,’ riep ze wanhopig. ‘U moet hem tegenhouden voor het te laat is.’

De Cock keek haar verward aan. Hij herkende haar als de jonge blonde vrouw, die hij diezelfde avond in een villa in Bussum had ontmoet, gekleed in een strakke zwarte japon met een kort koket wit schortje, waarvan de rand was geplisseerd.

‘Wie. wie moet ik tegenhouden?’ sprak hij niet-begrijpend.

Ze greep hem aan de kraag van zijn regenjas vast.

‘Adelbert. Adelbert Teijsterling. Hij is weg. weg om vermoord te worden.’

Загрузка...