Ze reden in Meppel van Reestoord weg. Vledder staarde strak en nors voor zich uit op de weg. De Cock zat diep onderuitgezakt zonder autogordel om naast hem. De oude rechercheur was bevangen door een vreemd gevoel van onbehagen. Hij was kwaad op zichzelf en wist niet waarom. De haastig gewaarschuwde dokter van het bejaardenoord had de oude mevrouw Donkersloot binnen enkele minuten weer tot bewustzijn gebracht, maar de rechercheurs verboden het verhoor verder voort te zetten. De arts achtte dat, gezien de labiele gezondheidstoestand van de vrouw, niet verantwoord.
Maar De Cock had nog tal van vragen: over de valse aangifte van diefstal van de boekenverzameling van haar man, haar vreemde houding ten opzichte van haar neef, of ze van plan was geweest om met haar man mee te gaan naar Zuid-Amerika, wat ze in feite wist van de moord op Frederik van Ravenstein?
De grijze speurder vroeg zich bezorgd af of hij die namiddag het moment, waarop hij mevrouw Donkersloot de bekentenis liet zien, wel goed had gekozen, en of het wellicht beter was geweest die bekentenis voorlopig in het geheel niet ter sprake te brengen. Al bij het eerste bezoek aan de vrouw in Rotterdam had hij bij zichzelf gevoelsmatig weerstanden bemerkt tegen het tonen van die bekentenis en een reactie van haar zoals nu min of meer verwacht.
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Wat nu?’ In zijn stem klonk wanhoop.
De Cock drukte zich iets omhoog.
‘We zullen op z’n minst een paar dagen moeten wachten voor wij ons opnieuw in Meppel kunnen vertonen. En zoveel tijd hebben we niet. Ik vrees dat de ontwikkelingen in deze zaak daarvoor te snel gaan.’ Hij keek even opzij, met een grijns op zijn gezicht. ‘In ieder geval heb je je zin. Je hebt antwoord gekregen op de vraag die je bezighield.’
Vledder reageerde verward.
‘Ik begrijp je niet.’
De Cock schonk hem een moede glimlach.
‘Je wilde eindelijk wel eens zekerheid of die bekentenissen op de menukaarten inderdaad door Hendrik-Pieter Donkersloot waren geschreven. Ik dacht dat de reactie van mevrouw Donkersloot op die vraag een voldoende antwoord was.’
Vledder knikte traag.
‘Het brengt ons alleen niet veel verder.’ Zijn gezicht versomberde. ‘Waarom moest dat mens juist nu in katzwijm vallen?’ Hij schudde zuchtend zijn hoofd. ‘We hadden haar zelf moeten bijbrengen en die dokter buiten de deur moeten houden.’
De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Ik voel er niets voor om de gezondheid van een oud mens op het spel te zetten. voor wat dan ook. Ik vind haar reactie heel begrijpelijk. Als je plotseling ervaart dat je gestorven man niet alleen een financier was van de handel in drugs, maar ook nog een moordenaar. ’ Hij maakte zijn zin niet af.
‘Zou ze dat niet hebben geweten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat geloof ik niet. In ieder geval wist ze niets van die door haar man geschreven bekentenissen af. Vanaf het prille begin, toen Gert-Jan met die eerste bekentenis bij ons kwam, ben ik van die stelling uitgegaan. En dat om de simpele reden, dat mevrouw Donkersloot ze anders nooit gelijk met de boekenverzameling van haar man in Rotterdam aan Van Brunschoten verkocht. met de grote kans dat de bekentenissen in verkeerde handen terechtkwamen.’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Dat kan toeval zijn geweest. misschien wist zij wel van die bekentenissen af, maar kende ze niet de plek waar haar man die had verborgen.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Als mevrouw Donkersloot van die bekentenissen op de hoogte was geweest, dan had ze na de dood van haar man net zolang naar die bekentenissen gezocht, tot ze die had gevonden. En ze daarna vernietigd. Dat ligt toch voor de hand?’
Vledder knikte vaag.
‘Toch heb ik het gevoel dat mevrouw Donkersloot van alles volkomen op de hoogte is, dat ze precies weet wat er is gebeurd… dat ze ook het geheim van die vreemde bekentenissen kent.’
De Cock reageerde wrevelig.
‘Als je ervan uitgaat dat mevrouw Donkersloot het bestaan van die bekentenissen kende, dan wist ze ook dat haar man het plan had opgevat om op een dag Arnold van Beuningen in Amsterdam aan het uiteinde van steiger zevenentwintig neer te schieten.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘Dan heb ik voor jou een vraag. Voor Hendrik-Pieter Donkersloot zijn voornemen in daden kon omzetten stierf hij aan een hartaanval. Wie voelde zich toen geroepen om de moord op Arnold van Beuningen alsnog volgens plan ten uitvoer te brengen?’
Ze reden Amsterdam binnen. Het verkeer was intens en het regende er nog steeds.
Vledder gebaarde naar de dikke vette druppels op de voorruit.
‘De hele weg is het droog,’ bromde hij, ‘en zo gauw rijd je die gore stad binnen of het plenst.’ Hij wees omhoog. ‘Zou Amsterdam er hierboven niet zo goed voorstaan?’ Hij snoof verachtelijk. ‘Het zou mij waarachtig niets verbazen.’
De Cock reageerde niet. Het raderwerk van zijn denken zat in de hoogste versnelling. Hij voelde dat de zaak onontkoombaar naar een dramatisch einde voerde. dat een explosie van geweld niet lang meer op zich zou laten wachten. Het verlammende was dat hij er niets tegen kon doen. dat hem de middelen ontbraken om dat komende geweld te keren.
Vledder parkeerde de Golf op de steiger en stapte uit. De Cock pakte zijn aktetas met de bekentenissen. Gezien de lange autorit volgde hij Vledder opmerkelijk kwiek. Hij keek om zich heen. Het seksbedrijf kwam langzaam op gang. Een stoet behoeftigen trok schuifelend door de Lange Niezel naar de Wallen. Het werd schemerdonker. De straatverlichting floepte aan. Toen ze in de Warmoesstraat de hal van het politiebureau binnenstapten, riep
Jan Kusters hen naar de balie. De wachtcommandant wuifde in de richting van De Cock.
‘Er zit alweer zo’n bloedmooie meid boven op je te wachten.’ Hij schudde lachend zijn hoofd. ‘Wat zien die kinderen in jou?’
‘Hoe heet ze?’
Jan Kusters raadpleegde een notitie.
‘Annelies Breitenbach.’
De Cock grinnikte.
‘Zo’n kind zal je bij je op schoot hebben.’
De oude rechercheur stapte van de balie weg en liep met twee treden tegelijk de trap op naar de tweede etage.
Op de bank bij de deur naar de grote recherchekamer zat de knappe Annelies Breitenbach. Ze droeg dezelfde purperrode lakjas als tijdens haar vorige bezoek. Toen ze De Cock in het oog kreeg, stond ze op, streek een blonde lok uit haar gezicht en liep op de grijze speurder toe.
Onderwijl blikte ze op haar horloge.
‘Ik zit hier al bijna een uur.’ Het klonk bars, als een beschuldiging. ‘En elke minuut is kostbaar. Ik moet met u spreken.’
De Cock keek haar onderzoekend aan. Annelies Breitenbach, zo vond hij, zag bleek en haar make-up was slecht verzorgd. Rond haar ogen was de mascara verveegd en op haar tanden was een spoor van lipstick. Ook haar lange blonde haren hadden minder glans. Hij liep voor haar uit naar de grote recherchekamer en liet haar op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen.
De Cock schoof een lade open en borg daarin zijn aktetas met de bekentenissen. Daarna, met zijn regenjas nog aan en zijn oude hoedje nonchalant achter op zijn hoofd, ging hij zitten en zwaaide uitnodigend in haar richting.
‘Steek van wal.’
Annelies Breitenbach kneep haar lippen opeen.
‘Teijsterling,’ siste ze.
De Cock spreidde zijn beide handen.
‘Wat is er met Teijsterling?’
‘Hij bazuint overal rond dat ik de oude Friedrich von Ravenstein om zeep heb geholpen en dat ik ook verantwoordelijk ben voor de moord op fatman Arnold van Beuningen.’
De Cock keek haar strak aan.
‘En dat is niet zo?’
Annelies Breitenbach reageerde heftig:
‘Natuurlijk is dat niet zo. Ik heb met die beide moorden niets. maar dan ook niets te maken. Het is laster. pure laster. Nu die Teijsterling zijn zin niet krijgt, probeert hij wraak te nemen. strooit hij praatjes rond. Het is een vent van niks. een plebejer. Pieter is woedend.’
De Cock wreef met zijn pink over de rug van zijn neus. Door zijn gespreide vingers keek hij haar aan.
‘Pieter Valenkamp?’
‘Ja.’
‘Jouw geliefde?’
Annelies Breitenbach knikte.
‘Al een paar jaar.’
‘Ook toen Friedrich nog leefde?’
Annelies Breitenbach liet haar hoofd zakken.
‘Friedrich von Ravenstein was een lieve oude man, van wie ik hield. echt. Een man, die mij graag liefkoosde. streelde.’ Ze trok haar schouders iets op en gebaarde verontschuldigend. ‘Maar daar bleef het bij.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Dat was voor jou te weinig.’
‘Op den duur wel.’
‘Kende Adelbert Teijsterling de parallelverhouding, die jij met beide mannen had?’
Annelies Breitenbach deed haar ogen even dicht.
‘Ja,’ verzuchtte ze, ‘die kende hij. Teijsterling heeft dikwijls op die parallelverhouding gezinspeeld. Hij zei dat ik in feite geen reden had om hem als minnaar af te wijzen, dat voor mij een man meer of minder toch niet telde.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet bepaald elegant,’ grinnikte hij. ‘Weet Pieter Valenkamp op welke wijze Adelbert Teijsterling u steeds benadert?’
Annelies Breitenbach borg haar gezicht in haar beide handen.
‘Pieter maakt hem dood,’ snikte ze. Haar lichaam trilde. ‘Hij heeft mijn pistool bemachtigd en is van plan om Teijsterling neer te knallen.’ Ze nam haar handen voor haar gezicht weg.
Met tranen in haar ogen keek ze De Cock smekend aan.
‘En hij doet. hij doet. ben ik eindelijk dat hele zootje uit de Poort van Eden kwijt.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Zei hij dat?’
Annelies Breitenbach zuchtte diep.
‘U moet met hem praten. u moet hem tegenhouden. Ik wil hem niet ook kwijt. zoals Friedrich. Pieter Valenkamp is geen partij voor Teijsterling. Die vent loopt ook altijd gewapend rond.’
De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip.
‘Dat pistool, dat Pieter Valenkamp heeft bemachtigd. is dat jouw FN 9 mm?’
‘Ja.’
‘Waar is die oude Sauer 7.6 mm van jouw Friedrich von Ravenstein gebleven?’
Annelies Breitenbach keek verrast naar hem op.
‘Die had Friedrich bij zich. altijd.’
De Cock keek haar schuins aan.
‘Ook op de avond dat hij werd vermoord?’
Annelies Breitenbach knikte nadrukkelijk.
‘Ook,’ herhaalde zij, ‘op de avond dat hij werd vermoord.’
Toen Annelies Breitenbach was vertrokken, keek Vledder De Cock vragend aan.
‘Wat gaan we doen? We kunnen moeilijk wachten tot Pieter Valenkamp die Adelbert Teijsterling afslacht. of omgekeerd. Nu we van Annelies Breitenbach weten dat er iets broeit, zullen we moeten optreden. Er blijft ons geen andere keus.’
De oude rechercheur reageerde niet direct. Even leek hij besluiteloos. Onbeweeglijk staarde hij voor zich uit. Toen nam hij zijn oude hoedje van zijn hoofd en smeet het naar een leeg bureau.
‘Probeer of je Fred Prins en Appie Keizer te pakken kunt krijgen.’
Vledder maakte een hulpeloos gebaar.
‘Die twee zullen wel thuis zijn.’
De Cock wuifde geagiteerd.
‘Dan bel je ze thuis. Ze moeten onmiddellijk komen opdraven. Ik wil dat ze naar de Poort van Eden gaan om die Pieter Valenkamp te bewegen om dat pistool aan hen af te geven. desnoods arresteren ze hem wegens verboden wapenbezit.’
Vledder keek hem verbaasd aan.
‘Waarom gaan we zelf niet? Het duurt toch minstens een halfuur voordat Appie Keizer en Fred Prins aan de Warmoesstraat zijn.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Wij blijven hier,’ sprak hij kort.
De oude rechercheur stond op en begon in lange slenterpassen door de grote recherchekamer te stappen. In de lome gang van zijn tred lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. Hij hoorde hoe Vledder de telefoon pakte en zijn verzoek aan Fred Prins en Appie Keizer doorgaf. De Cock had in het verleden al dikwijls een beroep op die twee jonge collega’s van hem gedaan. Hij wist dat hij in spoedeisende gevallen altijd op hen kon rekenen.
Vledder trok zijn elektronische schrijfmachine naar zich toe en draaide er een proces-verbaal in. Plotseling bleef De Cock staan. De telefoon op zijn bureau rinkelde. Het was het moment waarop hij al de hele avond had gewacht.
Hij zag hoe Vledder de hoorn opnam en luisterde. Het duurde slechts enkele seconden. Toen legde de jonge rechercheur de hoorn op het toestel terug.
Hun blikken kruisten.
‘Wie was het?’
‘Agenten van de surveillancedienst.’
‘En?’
‘Ze hebben zojuist de rode Mitsubishi Starion gesignaleerd.’
‘Waar?’
‘In het westelijk Havengebied.’
De Cock keek hem gespannen aan.
‘Hebben ze hem tot stoppen gedwongen?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ze konden hem niet inhalen. In de buurt van de Noordzeeweg zijn ze hem kwijtgeraakt.’
In een flitsende beweging griste De Cock zijn oude hoedje van het lege bureau en rende naar de deur. Zijn voetstappen dreunden. Vledder hield hem enkele seconden in zijn blik gevangen.
De Cock in draf was een koddig gezicht. Toen rende hij hem na.