6

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Spoorloos?’

Vledder knikte.

‘Volgens Evert-Hendrik Waterman. Hij was vanmorgen naar zijn tante gegaan om nog eens over die boekencollectie van zijn oom te praten. Toen hij aan de Molenlaan kwam, vond hij het huis verlaten en volledig ontruimd. En van tante Donkersloot geen spoor.’

De Cock deed zijn natte regenjas uit, hing hem aan de kapstok en sjokte naar zijn bureau.

‘Bel straks eens even met het Bevolkingsregister in Rotterdam. Misschien heeft ze daar een adreswijziging doorgegeven.’

Vledder keek naar hem op.

‘Verwacht je dat?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het heeft er veel van weg dat tante Donkersloot neef Evert — Hendrik niet alleen de boekencollectie van haar man misgunt, maar ook verder geen enkel contact meer met hem wil.’ Hij dacht even na, en vervolgde: ‘Ik had toch nog eens graag een onderhoud met haar.’

‘Over haar valse aangifte?’

De Cock knikte.

‘Ook dat. Maar verder over haar geheel veranderde houding ten opzichte van neef Evert-Hendrik Waterman. Sinds de dood van haar echtgenoot schijnen de betrekkingen danig bekoeld. Ik vraag mij af wat daarvan de reden kan zijn.’ Hij zweeg even en ging achter zijn bureau zitten. ‘En dan nog iets.. ik had vannacht een akelige droom. ik droomde van een moordende oude dame, die mij honend en schaterlachend na wees. Die dame was lang en mager, droeg een effen zwarte japon en had zilvergrijs haar in een wrong.’

Vledder knikte:

‘Weduwe Donkersloot.’

‘Mijn nachtmerrie.’

Vledder gniffelde.

‘Heeft ze verteld waarom ze jou honend en schaterlachend na wees?’

De Cock lachte.

‘Nee, jammer genoeg, niet. Voor ik het haar kon vragen, werd ik wakker.’

Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep:

‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een forsgebouwde man. Hij droeg een donkerblauwe plastic jas, waar de regen vanaf drupte. Met een witte zakdoek wreef hij het water van zijn gezicht en zijn kalend voorhoofd. Aarzelend liep hij op De Cock toe.

De grijze speurder herkende de man onmiddellijk als de bedrijfsleider van de Poort van Eden. Met een trek van verbazing op zijn gezicht kwam hij van zijn stoel overeind en wenkte uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau.

‘Een complete verrassing. moet ik zeggen. Heeft de directeur u gestuurd?’

De man nam hoofdschuddend plaats, knoopte met nerveuze bewegingen zijn regenjas los en keek naar De Cock omhoog.

‘Ik… eh, ik kom uit mijzelf. Ik ben er gewoon even tussenuit geglipt. Ik… eh, ik wil eens met u praten.’ Hij blikte wat schichtig in de richting van de jonge rechercheur. ‘Vertrouwelijk.’

De Cock ging weer zitten en gebaarde voor zich uit. ‘Dat is mijn collega Vledder,’ sprak hij vriendelijk, ‘mijn assistent. en hoogst betrouwbaar. Voor hem heb ik geen geheimen.’

De man verschoof iets op zijn stoel.

‘Ik heb u wel begroet, maar mij nog niet aan u voorgesteld. En dat is heel onbehoorlijk. Mijn naam is Valenkamp. Pieter Valenkamp. Maar ik heb liever dat u die naam zo snel mogelijk weer vergeet.’

De Cock keek hem vragend aan.

‘Hetgeen betekent?’

Pieter Valenkamp maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik zei het u al. mijn mededelingen zijn van vertrouwelijke aard.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Zo vertrouwelijk dat ik ze niet in een openbare procesgang kan gebruiken?’

Pieter Valenkamp knikte.

‘Precies. Dat bedoel ik. Ik voel er weinig voor om over een tijdje met een paar kogels in mijn lijf uit een of andere gracht te worden gevist.’

De Cock frunnikte aan het puntje van zijn neus.

‘Zoals wijlen de heer Van Ravenstein.’

Pieter Valenkamp knikte opnieuw. Traag en nadenkend.

‘Zoals,’ herhaalde hij langzaam, ‘wijlen de heer Van Ravenstein.’

De bedrijfsleider nam een kleine pauze en veranderde van toon.

‘Ik werkte al in de Poort van Eden toen de oude heer Boerstange nog directeur was. Hij heeft mij ook tot zijn bedrijfsleider gemaakt.’ Er gleed een glimlach van vertedering over zijn gezicht. ‘Een fijne man, die oude Boerstange. Toen was de Poort van Eden ook nog een fijn hotel.. een hotel voor aardige mensen.’

‘En dat is het niet meer?’

Pieter Valenkamp schudde zijn hoofd.

‘De heren die nu het hotel bevolken, zijn mijn vrienden niet. Ik kom hier niet om te roddelen. zo moet u dat niet zien.’ Hij bracht zijn vlakke rechterhand onder zijn kin. ‘Maar dat gedoe zit mij tot hier. Ik was allang van plan om er eens met iemand over te praten. het kwam er alleen niet van. Maar toen ik vanmorgen u weer eens voor mij zag. ’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Die Arnold van Beuningen deugt niet,’ ging hij verder, ‘voor geen cent. Direct nadat u weg was, heeft hij als een gek zitten telefoneren. Wel een uur lang. Ik kwam even bij hem om iets te bespreken over het menu van morgen. woedend en met een rood hoofd joeg hij mij zijn kamer af.’

‘U weet niet met wie hij sprak. naar welke stad hij belde?’

‘Nee. Hij heeft een eigen toestel. een eigen nummer. Zijn gesprekken worden niet door de hotelcentrale geregistreerd.’

De Cock keek hem schattend aan.

‘Uw… eh, uw ongenoegen,’ vroeg hij voorzichtig, ‘betreft uitsluitend uw huidige directeur, de nieuwe opzet van het hotel?’

Pieter Valenkamp schudde zijn hoofd.

‘Het is die kliek. mensen die schatten verdienen aan de drugs. aan de ellende van anderen. Van dat geld is de Poort van Eden overgenomen. zijn de verbouwingen gefinancierd. Het hotel is zo’n beetje het hoofdkwartier van de internationale drugshandel geworden.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘En tot die mensen, die kliek, behoort Arnold van Beuningen?’

Pieter Valenkamp knikte nadrukkelijk.

‘Na de moord vorig jaar op Van Ravenstein heeft hij de leiding overgenomen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Van Ravenstein was de aanvankelijke leider?’

Pieter Valenkamp klemde zijn lippen op elkaar, en zei bijna onhoorbaar:

‘Inderdaad. En het zou mij niets verbazen als Van Beuningen de man is die de moord op Van Ravenstein heeft beraamd.’

‘En door een ander heeft laten uitvoeren?’

Pieter Valenkamp grijnsde.

‘Wat kan je verwachten. die vette patser maakt zelf zijn handen niet vuil.’

De Cock gebaarde in zijn richting.

‘Bestonden er tegenstellingen, conflicten. spanningen?’

Pieter Valenkamp trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Er gingen vorig jaar in het voorjaar al geruchten over een op handen zijnde afrekening. Ze kwamen nog wel regelmatig in het hotel bijeen, maar het boterde al geruime tijd niet tussen Arnold van Beuningen, Van Ravenstein, Teijsterling en Donkersloot.’

De Cock kwam met een ruk naar voren.

‘Donkersloot, zegt u?’

Pieter Valenkamp knikte.

‘Donkersloot. hij was een van hen.’

Het duurde enige seconden voor De Cock de mededeling had verwerkt. Het was uiteraard een redelijke verklaring voor de vele bezoeken die Hendrik-Pieter Donkersloot aan Amsterdam en de Poort van Eden bracht. Toch schokte hem de gedachte, dat Donkersloot een vooraanstaand lid was van een misdaadsyndicaat. Die indruk had hij niet en dat gevoel was nooit bij hem opgekomen. zelfs niet nadat Smalle Lowietje hem had verteld welke reputatie de Poort van Eden genoot. ‘Is die Donkersloot dood?’ vroeg hij verward en totaal overbodig.

Pieter Valenkamp knikte.

‘Een acute hartstilstand. heb ik gehoord.’ De bedrijfsleider gebaarde beschaamd. ‘Het klinkt uit mijn mond misschien wat vreemd, maar zijn plotselinge dood deed mij toch een beetje verdriet. Van dat gore stelletje was die Donkersloot verreweg de aardigste man. altijd vriendelijk, belangstellend. had voor eenieder een goed woord. Ik heb nooit begrepen waarom zo’n man zich met die smerige handel inliet.’ Er gleed een glimlach over het gezicht van Pieter Valenkamp. ‘Wilt u geloven dat ik eens op het punt heb gestaan om hem dat te vragen?’

‘Het intrigeerde u?’

‘Precies, dat is het goede woord. Het paste gewoon niet bij die man.’

De Cock boog zich iets naar voren.

‘Hebt u enig idee, waardoor de tegenstellingen in de groep zijn ontstaan?’

Pieter Valenkamp maakte een schouderbeweging.

‘De besprekingen, die de heren met elkaar voerden, waren uiteraard geheim. Daar werd ik niet bij toegelaten. Maar als de heren moesten worden bediend, dan deed ik dat. En dan ik ving wel eens wat op.’

‘Zoals?’

‘Dat Donkersloot het plan had om zich uit de groep terug te trekken.’

‘En dat stonden de anderen niet toe?’

Op het gezicht van Pieter Valenkamp kwam een pijnlijke trek.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde hij. ‘Dat is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Maar er slopen zekere spanningen in de groep. Vooral Van Ravenstein en Teijsterling hadden het nogal eens met elkaar aan de stok. met Donkersloot als een sussende vredestichter. Het leek alsof men elkaar niet meer vertrouwde. of er sprake was van onderling bedrog. Voor mij was de moord op Van Ravenstein dan ook geen verrassing.’

De Cock knikte instemmend.

‘Ik begrijp het. U had een dergelijke uitbarsting verwacht.’

Pieter Valenkamp beaamde het vreugdeloos.

‘Het moest er een keer van komen. Arnold van Beuningen zal wel weer een van zijn befaamde menu’s hebben samengesteld.’

De Cock keek hem vol onbegrip aan.

‘Menu’s?’

Pieter Valenkamp knikte.

‘Normaal stelt onze kok de menu’s samen, meestal in overleg met mij en met Van Beuningen. Maar soms doet Arnold van Beuningen dat alleen. Dan komen er uitgebreide menu’s op de kaart, ingewikkelde menu’s met vele gangen.’

De Cock keek de bedrijfsleider hoofdschuddend aan.

‘Ik. eh,’ sprak hij onzeker. ‘Ik begrijp het, eerlijk gezegd, nog niet.’

Pieter Valenkamp glimlachte.

‘Ik weet niet precies hoe het gaat,’ sprak hij weifelend. ‘Het is mij nooit verteld. Ik ken ook de code niet. Ik weet alleen dat geen enkel lid van de groep financiers ooit een persoonlijk contact had met de werkelijke handelaren in drugs. met de koeriers. met de mensen die werkelijk risico’s lopen. Ik neem zelfs aan dat de dames en heren elkaar niet eens kennen. Volgens mij worden de opdrachten doorgegeven via de menukaart van het restaurant.’

De Cock keek de bedrijfsleider met open mond aan.

‘Via de menukaart. open en bloot?’

Pieter Valenkamp knikte.

‘Als men de code kent. weet welke boodschap het ingewikkelde menu verbergt.’

De Cock ademde diep.

‘En eenieder die de code kent,’ formuleerde hij bedachtzaam, ‘kan van zo’n menukaart lezen wat hem te doen staat. wat de financieel krachtige heren van hem verlangen?’

‘Zo is het.’

De Cock wreef peinzend over zijn brede kin. Daarna strekte hij zijn hand naar de bedrijfsleider uit.

‘En u denkt,’ vroeg hij gespannen, ‘dat Arnold van Beuningen zijn opdracht tot de moord op Frederik van Ravenstein via zo’n gecodeerde menukaart heeft overgebracht?’

Pieter Valenkamp trok zijn gezicht strak.

‘Dat denk ik, ja.’

De Cock sloot even zijn ogen van verbijstering.

‘Moord,’ sprak hij zacht en zijn stem trilde een beetje. ‘Moord à la carte.’

Загрузка...