8

De Cock lachte hartelijk.

‘Als elke verliefdheid leidde tot moord, dan was het tekort aan gevangeniscellen in Nederland nog oneindig veel groter.’

Annelies Breitenbach lachte niet. Ze hield haar gezicht in een ernstige plooi en keek de oude rechercheur streng, bestraffend aan.

‘U kent Adelbert Teijsterling niet,’ sprak ze gedragen. ‘U hebt hem vermoedelijk nooit ontmoet. Maar ik verzeker u. hij is een brute man. een man die nergens voor terugdeinst. Friedrich was als de dood voor hem. Hij zei, dat hij uit eigen ervaring wist hoe meedogenloos die man te werk ging. Volgens Friedrich had Adelbert Teijsterling ondanks zijn betrekkelijk jonge leeftijd al heel wat op zijn kerfstok. Als mij wat overkomt, zei Friedrich tegen mij, dan ben ik niet zijn eerste slachtoffer.’

De ernst van Annelies Breitenbach verraste De Cock.

‘Heeft Adelbert Teijsterling Van Ravenstein rechtstreeks met de dood bedreigd?’ vroeg hij verbaasd.

Annelies Breitenbach schudde haar hoofd.

‘Niet rechtstreeks, maar via mij.’

‘Hoe?’

Annelies Breitenbach zuchtte diep.

‘Laat ik het chronologisch vertellen. anders wordt het zo’n chaotisch verhaal.’ Ze verschoof iets op haar stoel. ‘Op een dag, nu ongeveer anderhalf jaar geleden, ging ik met Friedrich mee naar Amsterdam. Hij moest daar zijn in de Poort van Eden voor een of andere bespreking. In de tussentijd zou ik in de binnenstad een paar inkopen doen. Toen ik na een uur of wat terugkwam in de Poort van Eden was daar die Adelbert Teijsterling en Friedrich stelde mij aan hem voor. Vrijwel direct begon hij avances te maken. grof, onbeschaamd. waar Friedrich bij was. Vanaf dat moment had ik geen rust meer. Hij belde mij voortdurend op en stuurde mij bijna elke dag bloemen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe reageerde Van Ravenstein?’

‘Friedrich vond het vervelend, maar had niet de moed om Teijsterling erover aan te spreken. Hij was bang voor hem. “Leg die Teijsterling geen strobreed in de weg,” zei hij, “of je bent er geweest.”’

‘Zo erg?’

‘Ja.’

De Cock keek haar schuins aan.

‘Wilde Van Ravenstein dan,’ vroeg hij ongelovig, ‘dat u op de avances van Adelbert Teijsterling inging?’

Annelies Breitenbach schudde haar hoofd.

‘Absoluut niet.’ In haar stem trilde pure verontwaardiging. ‘Friedrich wilde mij niet kwijt. Voor geen goud. Maar hij raadde mij wel aan om uiterst voorzichtig te zijn.’

‘En dat was u. voorzichtig?’

‘Ja.’

‘Moedigde u hem aan?’

Annelies Breitenbach reageerde furieus.

‘Aanmoedigen?’ riep ze verachtelijk. ‘Ik mocht hem niet. Ik houd niet van die opdringerige jonge mannen. Dat machoachtige gedoe ligt mij niet. En dat zei ik hem ook. Ik maakte hem duidelijk dat ik niet van plan was om bij Friedrich weg te gaan, ook al was hij een stuk ouder dan ik.’ Ze streek met gespreide vingers door haar blonde haren. ‘Op een dag,’ sprak ze op veranderde toon, ‘ontmoette ik Adelbert Teijsterling op de Dam. Bij toeval. puur bij toeval. Ik kwam net uit De Bijenkorf, waar ik had gewinkeld. Hij vatte mij nogal ruw bij mijn arm en dwong mij om met hem in de wintertuin van Krasnapolsky een kop koffie te drinken. Omdat ik op straat geen opschudding wilde, ben ik met hem mee gegaan. Hij deed mij allerlei voorstellen en vroeg mij wat ik in Frederik van Ravenstein zag.

Volgens hem was hij een stijve, oude, uitgebluste man, zonder enige glamour. Toen ik Teijsterling opnieuw duidelijk maakte dat ik beslist niet van plan was om bij Friedrich weg te gaan, werd hij kwaad en zei hij letterlijk:

Dan blijft mij niets anders over, dan die oude vent bij jou weg te halen… voorgoed.’ Ze sloeg haar beide handen voor haar gezicht. ‘De volgende dag was Friedrich verdwenen. Hij kwam niet thuis in Blaricum. Een paar dagen later viste men in Amsterdam zijn lijk uit het water van de Prinsengracht.’

De Cock liet haar even begaan. Toen ze na een poosje haar handen voor haar gezicht wegnam, zag hij tranen in haar ogen. Hij boog zich iets naar haar toe.

‘Dringt die Adelbert Teijsterling zich nog steeds aan u op?’

Annelies Breitenbach knikte.

‘Hij stuurt nog steeds bloemen en belde mij tot voor kort vrij regelmatig. Sinds enkele weken heb ik een geheim nummer, zodat ik van zijn telefonades ben verlost. Bovendien durft hij mij niet meer te benaderen.’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘Waarom niet?’

‘Ik heb hem gezegd dat als hij mij te na komt, ik hem neer zal schieten. waar ook. al is het midden in de stad.’

‘U hebt een wapen?’

Annelies Breitenbach klemde haar lippen op elkaar. Haar kin kwam iets naar voren.

‘Een goede FN 9 mm.’ Ze zweeg even voor het effect. ‘En ik kan ermee omgaan.’ Het klonk dreigend.

‘U bent lid van een schietvereniging?’

Annelies Breitenbach schudde haar hoofd.

‘Friedrich heeft mij leren schieten. Hij was een wapengek. We oefenden samen in het bos of op de hei. En in de winter gingen we vaak naar een stil strand.’ Ze glimlachte vertederd. ‘Friedrich vond mijn Belgische FN niet zo’n best wapen. Hij zwoer bij zijn oude Duitse Sauer 7.6 mm. Volgens hem het beste pistool dat ooit was gemaakt.’

De Cock wreef over zijn brede kin.

‘Hebt u Adelbert Teijsterling wel eens, rechtstreeks, zonder omwegen, van de moord op Frederik van Ravenstein beschuldigd?’

Annelies Breitenbach knikte nadrukkelijk.

‘Diverse malen. vrijwel tijdens elk telefoongesprek dat ik met hem had. Ik heb hem ook gezegd dat ik mijn verdenkingen had doorgesluisd naar de rechercheurs van de narcoticabrigade.’

‘En. wat zei hij?’

‘Laten ze het maar bewijzen. Ik ben gewend om mijn werk grondig te doen.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Teijsterling heeft tegenover u nooit ontkend dat hij verantwoordelijk was voor de moord op Frederik van Ravenstein?’

Annelies Breitenbach schudde haar hoofd.

‘Hij heeft het nooit ontkend en hij heeft het nooit bekend. Wel heeft hij dikwijls laten doorschemeren dat de dood van Friedrich het gevolg was van de liefde die hij, Teijsterling, voor mij koesterde en het feit dat ik die liefde afwees.’ Ze sloot even haar beide ogen en haar onderlip trilde. ‘In feite heb jij hem vermoord, zei hij steeds.’


De Cock liet zich terugvallen in zijn stoel. Annelies Breitenbach was weg, maar de geur van haar parfum hing nog om he heen. Boven zijn hoofd zoemde een defecte tl-balk en buiten, in de Warmoesstraat, galmde een dronken sloeber een droevig lied. Het was, zo bedacht hij peinzend, blijkbaar het noodlot van vrouwen met een erotische uitstraling om voortdurend in moeilijkheden te geraken. Schoonheid was beslist niet altijd een zegen en zeker geen garantie voor puur geluk. De grijze speurder keek naar Vledder, die ijverig doende was om aantekeningen te maken. ‘Wanneer gaan wij samen die Adelbert Teijsterling arresteren?’ lokte hij uit.

De jonge rechercheur keek op.

‘Geloof jij haar?’

De Cock knikte.

‘Ik geloof haar.’

Vledder reageerde verrast.

‘Jij gelooft dat Adelbert Teijsterling Frederik van Ravenstein heeft vermoord?’

De Cock schonk hem een milde glimlach.

‘Ik geloof dat Annelies Breitenbach oprecht de overtuiging heeft, dat Teijsterling haar Friedrich heeft omgebracht en hoopt dat wij dat eens zullen bewijzen. Het is overigens wel opmerkelijk dat Frederik van Ravenstein vrijwel onmiddellijk sterft nadat Teijsterling zijn min of meer bedekte bedreiging heeft uitgesproken.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Jij wilt de mogelijkheid open houden dat Teijsterling werkelijk die moord op zijn geweten heeft?’

De Cock grinnikte.

‘Ik wil voorlopig iedere mogelijkheid open houden.’ In zijn stem trilde een lichte wanhoop. ‘De narcoticabrigade schatte de moord op Frederik van Ravenstein op een gebruikelijke liquidatie in de drugshandel. Pieter Valenkamp tipt Arnold van Beuningen als de moordenaar in verband met een machtsstrijd. Annelies Breitenbach houdt het op Adelbert Teijsterling inzake een liefdesaffaire en een vriendelijke Hendrik-Pieter Donkersloot schrijft een gedetailleerde bekentenis en noemt als motief chantage. Het lijkt wel een tombola. Als jij in die grabbelton van mogelijkheden een oplossing ziet, dan mag je dat zeggen.’

Vledder schoof zijn aantekeningen van zich af.

‘Ik zie geen lijn,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Het motief dat de bedrijfsleider van de Poort van Eden aandroeg, spreekt mij van alle mogelijkheden nog het meeste aan.’

De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip.

‘Machtsstrijd binnen het syndicaat met Arnold van Beuningen als de intellectuele dader?’

Vledder knikte.

‘Dus in zekere zin toch een liquidatiemoord. Al weet ik echt niet hoe dat te rijmen valt met de bekentenis van die dode Donkersloot uit Rotterdam. Die past er gewoon niet in.’ De jonge rechercheur kwam met een wild, wat wrevelig gebaar uit zijn stoel overeind. ‘Ik heb het ellendige gevoel dat wij hier nooit meer uitkomen,’ riep hij geprikkeld. ‘Dat kan ook bijna niet. We lopen een jaar achter. En dat. ’ Hij stokte. De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich voorover, nam de hoorn op en luisterde. Het gezicht van de jonge rechercheur versomberde. ‘Waar?’ vroeg hij toonloos. Vrijwel onmiddellijk daarna legde hij de hoorn op het toestel terug.

De Cock keek naar hem op.

‘Wie was dat?’

‘Beneden. de wachtcommandant.’

‘En?’

‘Er ligt een man achter het Centraal Station aan het uiteinde van steiger zevenentwintig.’

‘Dood?’

Vledder knikte.

‘Vermoord.’


Voor de ingang van de steiger stond een jonge diender. Toen hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, liep hij op hen toe.

‘Ik heb de meute[1] al voor jullie gewaarschuwd,’ riep hij monter.

De Cock keek hem glimlachend aan.

‘Prima.’

De jonge diender wees naar een politiewagen, die iets verderop stond.

‘De man, die het lijk ontdekte, heb ik nog even voor u vastgehouden. Hij zei dat hij aan het einde van de steiger, een beetje uit het zicht, in het IJ stond te plassen toen hij plotseling ontdekte dat naast hem een lijk lag. Hij is toen het Centraal Station ingelopen en heeft iemand van de spoorwegpolitie gewaarschuwd. En die heeft ons weer ingeseind.’

‘Heb je de naam van de man genoteerd?’

De jonge diender knikte.

‘Ik zal straks zijn naam bij de wachtcommandant in het rapport vermelden.’

De Cock blikte om zich heen.

‘Waar is je collega?’

De jonge diender gebaarde achter zich.

‘Aan het eind van de steiger bij het lijk.’ Hij maakte een korte hoofdbeweging en grinnikte. ‘Hij is zeker bang dat hij wegloopt.’

De Cock reageerde niet. Hij kon het grapje niet erg waarderen. Zonder verder iets te zeggen liep hij langs de jonge diender heen de steiger op. Het stonk er naar teer en afgewerkte olie. Links lag een oude roestige schuit. De trossen, waarmee hij lag vastgemeerd, kraakten en het vuile water van het IJ klotste tegen de boeg. Langs een houten beurtvaarthuisje met dichtgetimmerde ramen bereikte hij de achterkant van de steiger. Een jonge diender keek even naar hem op, tikte groetend aan zijn pet en wees zwijgend naar een lijk aan zijn voeten.

De Cock hurkte bij de dode neer en schrok. Ondanks het vale avondlicht, herkende hij de man onmiddellijk.

Vledder boog zich half over hem heen. De hete adem van de jonge rechercheur walmde in zijn nek.

‘Dat… eh, dat is…’ Verder kwam hij niet.

De Cock sloeg het colbert van de dode iets terug en monsterde de verwondingen. Daarna kwam hij traag overeind en knikte.

‘Arnold van Beuningen,’ sprak hij toonloos, ‘met drie kogels in zijn borst.’

Загрузка...