‘Weet je waar wij moeten zijn?’
De Cock knikte.
‘Als ik goed ben geïnformeerd in het Rembrandtkwartier op nummer 1138 aan de Brediusweg.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Hoe kom je aan die informatie? In het hotelregister van de Poort van Eden stond alleen dat hij in Bussum woonachtig was. geen nader adres.’
‘Ik heb de politie in Bussum gebeld. Ze vertelden mij, dat het huis van Teijsterling is aangesloten op het stil alarm.’
‘En verder?’
‘Wat bedoel je?’
‘Kenden ze hem?’
‘Als crimineel?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Er was bij de politie in Bussum niets ten nadele van hem bekend. Hij staat gewoon te boek als een eerbaar zakenman. Ook in onze eigen politieadministratie komt hij niet voor. Adelbert Teijsterling heeft een blanco strafregister.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘En als wij de knappe Annelies Breitenbach mogen geloven,’ reageerde hij opgewonden, ‘dan is die Adelbert Teijsterling een meedogenloze brute man, die nergens voor terugdeinst. een man, die volgens haar eigen Friedrich von Ravenstein ondanks zijn nog korte leven al heel wat op zijn kerfstok had.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Dat kan toch? Sommige criminelen hebben een soort instinct ontwikkeld om uit handen van politie en justitie te blijven. Ik ken er wel een paar, die al jaar en dag van de misdaad leven zonder ooit met de politie of justitie in aanraking te komen.’
‘Zo’n man is Teijsterling?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Als dat zo is, betekent het alleen dat Adelbert Teijsterling een sluwe man is, die we uiterst omzichtig moeten benaderen.’
Vledder grijnsde.
‘En voor zo’n man voel jij je moreel verplicht om hem te waarschuwen dat hij mogelijk op het punt staat om te worden vermoord?’ Zijn stem trilde van ongeloof en spot.
De Cock hield zijn gezicht strak. Het kostte de oude rechercheur geen moeite om de spot te negeren.
‘Zeker,’ sprak hij traag, ‘die morele plicht voel ik.’
Vledder probeerde het opnieuw:
‘Herinner jij je nog, dat Frederik van Ravenstein eens heeft gezegd: als mij wat overkomt, dan ben ik niet het eerste slachtoffer van Teijsterling?’
De Cock knikte.
‘Dat herinner ik mij,’ antwoordde hij gelaten.
Vledder ging opgewonden door.
‘Wat komen wij dan hier in Bussum doen?’ reageerde hij fel. ‘Als die Adelbert Teijsterling iets overkomt, dan is dat toch niet meer dan. eh, dan gerechtigheid. zijn verdiende loon.’
Met een pijnlijke trek op zijn gezicht keek De Cock zijn jonge collega onderzoekend aan.
‘Wat ben je wild. opstandig?’
Vledder klemde zijn kaken op elkaar.
‘Ik ben niet wild of opstandig,’ reageerde hij geëmotioneerd. ‘Ik maak mij alleen maar kwaad. Waar bemoeien we ons mee? Als die drugsbaronnen elkaar willen afslachten, dan is dat toch prachtig. daar is de gemeenschap toch alleen maar bij gebaat? Moeten wij dat voorkomen. moeten wij zo’n vent waarschuwen dat zijn moordenaar in aantocht is? Dat weet hij vermoedelijk beter dan wij.’
De Cock glimlachte fijntjes.
‘Dat waarschuwen,’ sprak hij geheimzinnig. ‘is ook niet de enige reden dat ik naar Bussum trek om hem te ontmoeten.’ De oude rechercheur blikte even opzij. ‘Wat denk je van het idee, dat Adelbert Teijsterling het plotseling niet zo’n aangename gedachte meer vond om de geweldige winsten uit de drugshandel met anderen te delen?’
De ogen van Vledder werden plotseling groot. Hij slingerde met zijn nieuwe Golf half over de vluchtstrook, maar corrigeerde snel.
‘Dat is het!’ riep hij wild enthousiast. ‘Dat is het. het motief voor de moorden op Van Ravenstein en Van Beuningen. De sluwe Adelbert Teijsterling heeft het gefikst. Hij is klaar. Hij heeft nu zijn doel bereikt. Volledig. De anderen zijn dood. Hij hoeft niet meer te delen. Alle winsten van de drugshandel zijn nu verder voor hem alleen.’ Hij klapte met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd. ‘Stom, dat deze gedachte nog niet eerder bij ons is opgekomen.’
De Cock keek even opzij. Zijn reactie bleef uit.
De Brediusweg bleek een lange statige laan met machtige kastanjebomen en prachtige villa’s, sluimerend in het groen. Bij een oprijlaan, omzoomd door een haag van hoge, in de zwoele zachte zomeravond zoetgeurende paarse rodondendrons, ontdekte Vledder half verscholen in het groen een met graniet afgedekte gemetselde pilaar met 1138 in sierlijk brons.
De jonge rechercheur stopte en wees voor zich uit.
‘Wat dacht je. kunnen we met onze splinternieuwe Golf nu wel voorrijden?’
De Cock lachte.
‘Wij rijden voor,’ antwoordde hij simpel.
Het grove grind van de oprijlaan knarste onder de banden van de Golf. Achter een vuurrode Mitsubishi Starion, die voor de ingang stond, bracht Vledder de politiewagen tot stilstand. Traag stapten de beide rechercheurs uit en slenterden onder een luifel door naar een zware, blank gelakte, eiken toegangsdeur.
De Cock blikte om zich heen.
‘Zie jij ergens een naambord?’
Vledder schudde zijn hoofd en wees links van de deur.
‘Er is wel een bel.’
De Cock drukte en ergens ver weg in het huis klonk wat gedempt een ding-dong. Het duurde enkele minuten. Toen werd de zware deur geopend door een jonge blonde vrouw. De Cock schatte haar op voor in de twintig. Ze droeg een strakke zwarte japon met een kort koket wit schortje, waarvan de rand was geplisseerd. Met een vragende blik in haar ogen keek ze van De Cock naar Vledder en weer terug.
De grijze speurder lichtte beleefd zijn hoedje en maakte een lichte buiging.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk, ‘met… eh, ceeooceekaa.’ Hij wenkte opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie uit Amsterdam en komen voor een onderhoud met de heer Teijsterling.’
Het gezicht van de jonge vrouw betrok.
‘Ik weet niet of de heer Teijsterling u kan of wil ontvangen.’
De Cock knikte haar bemoedigend toe.
‘Probeer het maar,’ drong hij beminnelijk aan. ‘Zeg de heer Teijs terling dat het een zaak is van leven of dood en dat wij niet van plan zijn om op een ander tijdstip terug te komen.’
De jonge vrouw deed de deur verder open, liet de beide politiemannen binnen en leidde hen naar de hal.
‘Blijft u hier wachten,’ gebood ze gedecideerd. ‘Ik zal de heer Teijsterling vragen of hij tijd heeft voor een onderhoud met u.’ Bevallig heupwiegend liep ze van hen weg een lange brede gang in.
De Cock keek haar na en vroeg zich ondeugend af wat in de villa nu precies haar functie was.
Na een paar minuten kwam ze terug en wenkte.
‘Komt u maar mee.’ Ze wiegde voor hen uit de brede gang in.
Ongeveer halverwege bleef ze staan en hield uitnodigend de deur van een kamer open. De Cock en Vledder stapten binnen. Het was een bijna vierkant vertrek met zware balken aan de zoldering. Om een fraaie schouw van een sepiakleurig natuursteen stonden vier diepe lederen fauteuils. In de meest rechtse fauteuil zat een breedgeschouderde man in een glanzende donkerblauwe kamerjas.
Met een brede lach om zijn mond kwam hij overeind en liep met uitgestoken hand op De Cock toe.
‘Wat een eer, wat een eer,’ riep hij met gemaakte vreugde. ‘Een groot speurder in huis. Welkom.’
De grijze speurder keek hem onderzoekend aan. Hij schatte de man op half in de dertig. Hij had een dik, wat pafferig gezicht, en donkere strak naar achteren gekamde haren, glanzend van de pommade. Zijn lichtbruine ogen stonden waakzaam.
Nadat Adelbert Teijsterling de beide rechercheurs opgewekt de hand had geschud, wees hij uitnodigend naar de brede fauteuils.
‘Neem plaats. neem plaats,’ jubelde hij. ‘Willen de heren iets te drinken?’
De Cock keek op zijn horloge en besefte triest dat hij voor vandaag een bezoek aan het café van Smalle Lowietje wel kon vergeten.
‘Een cognac… graag.’
Adelbert Teijsterling glimlachte.
‘Uw favoriete drankje, heb ik eens ergens gelezen.’ Hij keek naar Vledder. ‘Hetzelfde?’
De jonge rechercheur knikte. Adelbert Teijsterling liep naar de deur, schreeuwde commando’s in de gang, kwam weer terug en ging rustig tegenover De Cock zitten.
‘Een zaak van leven en dood?’ vroeg hij met een glimlach.
De oude rechercheur legde zijn hoedje naast zich op het parket en overdacht op welke wijze hij zou antwoorden.
‘Ik zal beginnen,’ opende hij voorzichtig, ‘u te vertellen wat ik weet en ik ben niet zo onnozel om te verwachten dat u mijn verhaal onmiddellijk zult bevestigen.’ Hij zweeg even, stak zijn handen gespreid naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
‘De heren Donkersloot, Van Ravenstein, Van Beuningen en u vormden een groep, die de handel in drugs financierde. Voor zover wij weten, stierf Donkersloot een natuurlijke dood, maar de heren Van Ravenstein en Van Beuningen werden op een bijna identieke wijze vermoord. Ik verwacht dat ook u een dezer dagen het verzoek zult ontvangen voor een ontmoeting op een of andere stille plek. Ik raad u aan om op dat verzoek niet in te gaan, maar in plaats daarvan mij in te lichten waar en op welk tijdstip de ontmoeting is gepland. Ik kan dan mijn maatregelen treffen. Uiteraard ben ik erg benieuwd van welke man of vrouw het initiatief voor de ontmoeting uitgaat.’
Adelbert Teijsterling knikte begrijpend.
‘Dat zou dan de man of vrouw moeten zijn, die ook verantwoordelijk is voor het doden van Van Ravenstein en Van Beuningen.’
De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘U hebt beide heren gekend?’
Er gleed een glimlach om de mond van Teijsterling.
‘Ik heb hen gekend, ja.’
‘En Donkersloot?’
Adelbert Teijsterling knikte.
‘Ook. Een aardige man. zo op het oog.’
De Cock beluisterde de toon.
‘Slechte ervaringen met Donkersloot?’
Teijsterling schudde zijn hoofd.
‘Daar laat ik mij niet over uit. evenmin over de aard van mijn relatie met de heren, die u noemde. U zult dat begrijpen.’
‘En mijn verzoek?’
Adelbert Teijsterling antwoordde niet. De deur van de kamer ging open en de jonge blonde vrouw kwam binnen met een blad, waarop een doffe donkere fles Remy Martin en drie diepbolle glazen. Ze schonk kolkend in, reikte ieder een glas en verdween.
De Cock warmde het glas in zijn hand.
‘Mijn verzoek?’ herhaalde hij.
Teijsterling nam een kleine slok van zijn cognac.
‘Wat zijn voor mij de consequenties?’
De Cock glimlachte.
‘Dat u als een goed burger meewerkt aan het ontmaskeren van de man of de vrouw die het ook op uw leven heeft voorzien.’
Adelbert Teijsterling schudde zijn hoofd.
‘Dat bedoel ik niet. Stel, dat u door mijn bemiddeling de moordenaar of moordenares van Van Ravenstein en Van Beuningen in handen krijgt en hij of zij legt daarna tegenover u enige voor mij zwaar belastende verklaringen af. dan zou u wellicht genoodzaakt zijn om ambtelijk iets tegen mij te gaan ondernemen. Tenzij.’ Hij maakte zijn zin niet af en schonk De Cock een vette glimlach.
‘Tenzij wat?’
Adelbert Teijsterling gebaarde wat vaag in de ruimte.
‘Ik lever u een moordenaar of moordenares. en ik vertrouw op u zwijgzaamheid.’
De Cock gleed met zijn pink over de rug van zijn neus.
‘Bestaat zo’n mogelijkheid?’
‘Welke?’
‘Dat de moordenaar of moordenares ten aanzien van u zwaar belastende verklaringen aflegt?’
Adelbert Teijsterling trok zijn brede schouders op.
‘Als iemand het idee heeft opgevat om mij te vermoorden, dan zal hij of zij. zo neem ik aan. daar gegronde redenen voor hebben. al kan ik mij niet indenken welke.’ Hij zweeg even en leunde in zijn fauteuil achterover. ‘Maar als ervaren speurder bent u volgens mij toch op de verkeerde weg. Mijn leven loopt geen enkel gevaar.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht en bezag de trekken op het vlezige gelaat van de man voor hem.
‘Dat weet u zeker?’
Adelbert Teijsterling knikte overtuigend.
‘De kern van de gepleegde moorden ligt namelijk niet in die door u vermeende drugshandel. of de financiering daarvan. Dat heeft er niets mee te maken.’
De Cock grijnsde.
‘En omdat de drugshandel. of de financiering daarvan. er niets mee te maken heeft, loopt ook uw leven geen gevaar?’
Adelbert Teijsterling schudde zijn hoofd en zuchtte.
‘Ik probeer mij slechts in uw denkwereld te verplaatsen. U gaat uit van een soort syndicaat dat de handel in drugs financiert. Van de leden van dat door u vermeend syndicaat ben ik de laatste nog in leven. Daarom zegt u bang te zijn dat ook ik word vermoord en vraagt u mijn medewerking bij het ontmaskeren van de dader.’
Hij schudde opnieuw zijn hoofd en strekte zijn hand naar De Cock uit.
‘Degene, die Frederik van Ravenstein en Arnold van Beuningen vermoordde, heeft mij als slachtoffer niet nodig. Ze heeft haar doel al bereikt.’
De oude rechercheur boog zich naar voren.
‘Haar doel?’ vroeg hij geschokt.
Adelbert Teijsterling knikte.
‘Annelies Breitenbach. ze heeft al vele jaren een verhouding met Pieter Valenkamp. bedrijfsleider van de Poort van Eden.’