De Cock deed de deur van zijn woning open. Voor hem, op de stoep, stond Vledder. De jonge rechercheur lachte wat verlegen. In zijn linkerhand bungelde een bos fraaie rode rozen. ‘Voor jouw vrouw. Hoe langer ik jou ken. hoe meer ik haar ga bewonderen.’
De Cock kon het grapje wel waarderen. Lachend deed hij een stap opzij.
‘Kom erin.’
‘Zijn de anderen er al?’
De Cock knikte. ‘Appie Keizer en Fred Prins zitten bij mijn vrouw en hebben de grootste verhalen.’
‘Hoe is het met hen gegaan gisteravond?’
‘Ze hebben weinig moeite gehad. Pieter Valenkamp bood nauwelijks weerstand. Hij gedroeg zich als een lammetje. Zonder enig protest gaf hij vrijwel direct het pistool uit handen. Ze hebben het in beslag genomen. Annelies Breitenbach bezat geen machtiging voor het hebben van een vuurwapen.’
‘Was zij ook in de Poort van Eden?’
‘Ja.’
Ze stapten gezamenlijk de woonkamer in. Mevrouw De Cock kwam onmiddellijk overeind en schudde Vledder ter begroeting de hand. Met een gebaartje van verrukking nam ze de rozen in ontvangst. Ze wuifde uitnodigend naar een diepe leren fauteuil.
‘Ga zitten,’ riep ze hartelijk. ‘Mijn man vroeg zich al af waar je bleef.’
Het gezicht van de jonge rechercheur versomberde.
‘Evert-Hendrik Waterman is dood,’ sprak hij triest. ‘Ik was vanmiddag nog even aan de Warmoesstraat. Toen vertelde Jan Kusters het mij. Ze hebben het in het AMC nog wel geprobeerd, maar hij was niet meer te redden. De verwondingen, die hij door de kogels in zijn buik had opgelopen, waren te ernstig.’
De Cock knikte.
‘Ik weet het. Ik was nog bij hem.’
‘Wanneer?’
‘Vannacht. Ik werd van bed gehaald. Hij had naar mij gevraagd.’
‘Heb je hem gesproken?’
‘Ja.’
‘Lang?’
De Cock maakte een vaag gebaar.
‘Lang genoeg.’
Vledder keek hem gespannen aan.
‘Was je bij hem toen.?’
De oude speurder draaide zijn hoofd iets weg.
‘Ik was bij hem,’ antwoordde hij zacht. ‘Het ging heel kalm, heel vredig. veel vrediger dan ik had verwacht.’ Hij zweeg even, wreef met de rug van zijn hand langs zijn ogen. ‘Het moment deed mij denken aan Marianne van Buuren.[2] Ook zij stierf toen ik aan haar bed zat. Maar bij haar dood was ik toch meer betrokken… voelde ik hartenpijn.’
‘Nu niet?’
‘Minder.’
Er viel een diepe stilte. Ook Appie Keizer en Fred Prins zwegen. Het was alsof de geest van Evert-Hendrik Waterman plotseling even in hun midden was. Duidelijk. Indringend. Manifest.
Het was mevrouw De Cock, die de stilte verbrak.
‘Gaan jullie toch zitten,’ riep ze wat geprikkeld. ‘Het is geen staande receptie.’
Ze namen plaats en De Cock pakte de fles fijne cognac Napoleon, die hij speciaal voor dergelijke gelegenheden in voorraad hield. Hij vulde ruim de bodem van de diepbolle, voorverwarmde glazen en reikte die zijn vrienden aan. Daarna hield hij zijn glas omhoog.
‘Op het einde van het syndicaat.’
Fred Prins nam de toast niet over.
‘Welk syndicaat?’ vroeg hij.
De Cock glimlachte.
‘Het syndicaat dat huisde in hotel-restaurant de Poort van Eden, waar jullie gisteravond waren. Jij en Appie Keizer kennen de voorgeschiedenis niet. Maar er was eens. bepaald geen sprookje. een syndicaat dat zich bezig hield met de financiering van de handel in drugs. De vier heren van het syndicaat kwamen regelmatig in Amsterdam in dat hotel-restaurant bijeen. De leiding was in handen van ene Frederik van Ravenstein, een man van Duitse afkomst, en het financieel beheer werd gevoerd door een erkend expert op dat gebied, Hendrik-Pieter Donkersloot, van oorsprong een Rotterdamse volksjongen.’
De Cock bracht zijn glas weer omhoog.
‘Ik toast ook op hem. ik heb hem nooit gekend. nooit ontmoet. maar zijn weduwe hield voor zijn leven. voor zijn bizar gedrag zo’n schitterend pleidooi, dat er iets van haar liefde. haar bewondering voor hem op mij overvonkte.’
De Cock nam een slok van zijn cognac en zette het glas naast zich op een tafeltje.
‘Hendrik-Pieter Donkersloot had een passie voor het verdienen van geld. Het kon hem weinig schelen op welke wijze hij rijkdommen verzamelde. desnoods met de handel in drugs. Voor drugsgebruikers. voor verslaafden. had hij geen enkel erbarmen. Het was volgens zijn zienswijze. hun eigen vrije keuze. hun eigen verantwoordelijkheid. Men behoeft het met die zienswijze uiteraard niet eens te zijn. maar ook dat is een keuze. Twee jaar geleden werd hij door het syndicaat naar ZuidAmerika gestuurd om nieuwe contacten te leggen. Tijdens zijn bezoek aan dat werelddeel zag hij de enorme verschillen tussen de rijkdom van de drugsbaronnen en de armoede en ellende van de bevolking. Het oude hart van de volksjongen kwam er door in beroering en hij besloot iets aan die armoede en ellende van de mensen te doen. Hij stichtte scholen, winkels en werkplaatsen en spendeerde daaraan vrijwel zijn gehele privévermogen.
Om niet in moeilijkheden te geraken, hield hij zijn welzijnsactiviteiten voor de andere leden van het syndicaat verborgen. Zelfs toen hij zich wilde terugtrekken om zich volledig op zijn activiteiten in Zuid-Amerika te concentreren, gaf hij daarvoor geen reden op. Maar de andere leden van het genootschap stonden niet toe dat hij uit het syndicaat verdween. Zij konden zijn financiële adviezen niet missen en Donkersloot zette zijn werkzaamheden voor het syndicaat gewoon door.’
De Cock stak gebarend zijn wijsvinger omhoog.
‘Donkersloot had een neef. Evert-Hendrik Waterman. die hij min of meer als zijn zoon beschouwde. Die neef was onderwijzer in Rotterdam, maar was daarnaast begaan met het lot van de thuis-en daklozen in zijn stad. Hij was lid van een commissie, die de belangen voor die vaak vergeten volksgroep behartigde. Op een dag, nu ruim een jaar geleden, kon de commissie min of meer bij toeval beslag leggen op een kapitaal pand, dat als opvangcentrum voor thuis-en daklozen zou kunnen dienen.
Er waren wel wat fondsen, maar men kwam ruim een ton. honderdduizend gulden. tekort. Neef Waterman dacht daar wel een oplossing voor te weten. Hij toog naar zijn rijke oom en vroeg hem of hij die ton wilde opbrengen. Donkersloot zei dat het hem speet, maar dat hij geen geld meer had en repte toen voor het eerst van zijn activiteiten in Zuid-Amerika. Hij raadde zijn neef aan om contact op te nemen met Frederik van Ravenstein, een man die ook veel geld aan de drugshandel verdiende en best in staat zou zijn om die ton voor een goed doel te besteden.’
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Neef Waterman legdehet verkeerd aan. Toen Van Ravenstein weigerde hem het geld te geven, zinspeelde neef Waterman op de schatten die Van Ravenstein met zijn handel in drugs had verdiend. Dat was een dure fout. Van Ravenstein voelde zich bedreigd en kreeg vermoedelijk het idee dat Waterman hem wilde chanteren. Van Ravenstein was een sluwe man, gehard in de misdaad. Hij zei dat hij van gedachten was veranderd en dat hij bereid was om het geld op een stille plek, zonder getuigen, aan Waterman te overhandigen en maakte met hem een afspraak in Amsterdam op de Westermarkt achter de Westertoren. Niets vermoedend ging Waterman naar de ontmoetingsplek. Toen hij oog in oog met Van Ravenstein stond, trok die plotseling een pistool en zei dat hij op chantage maar één antwoord kende: de dood van de chanteur. Waterman raakte in paniek. Hij greep naar het pistool. Er volgde een worsteling, waarin Waterman kans zag om Van Ravenstein het pistool af te nemen. Van Ravenstein was daar niet door geschokt. Hij zei dat Waterman toch spoedig zijn dood tegemoet kon zien. er waren huurmoordenaars genoeg.
Toen schoot Evert-Hendrik Waterman. Driemaal haalde hij de trekker van de oude Sauer 7.6 mm over. Frederik van Ravenstein stierf ter plekke door kogels uit zijn eigen pistool. Evert-Hendrik Waterman sleepte het lijk moeizaam naar de Prinsengracht en liet het daar in het water zakken.’
De Cock zweeg even en nam nog een slok van zijn cognac.
‘Dat was de prelude. de opening van hetgeen later gebeurde.’
Vledder boog zich naar voren.
‘Dus Evert-Hendrik Waterman vermoordde Frederik van Ravenstein. Waarom schreef Donkersloot dan een bekentenis, waarin hij zichzelf als de moordenaar presenteerde?’ De Cock zette zijn glas weer neer.
‘Dat zal ik je vertellen. Neef Waterman stapte naar zijn oom en biechtte hem de moord op Van Ravenstein op. Toen ging de oude Donkersloot denken en kwam met een plan. een plan dat neef Waterman zijn ton zou opleveren en voor hemzelf genoeg geld om zijn activiteiten in Zuid-Amerika voort te zetten en mogelijk uit te breiden. Hij spiegelde de leden van het syndicaat een geweldige winstgevende transactie voor. een grootse transactie, waarmee miljoenen te verdienen zouden zijn. en hij adviseerde hen om daarvoor al de financiële middelen waarover zij konden beschikken, aan hem ter hand te stellen. Ik zei al: Hendrik-Pieter Donkersloot stond bekend als een financieel genie en genoot alle vertrouwen. Zonder bedenkingen werden er enorme bedragen op zijn rekening gestort. Donkersloot gaf neef Waterman zijn ton en sluisde de rest van het geld door naar zijn hulpacties in Zuid-Amerika. Donkersloot begreep dat zijn bedrog eens zou uitkomen en dat hem dan slechts een ding wachtte: een kille liquidatie. Daarom had hij in zijn plan een paar veiligheden ingebouwd. Om een liquidatie in de toekomst te voorkomen besloot hij, dat de nog overgebleven leden van het syndicaat — Arnold van Beuningen en Adelbert Teijsterling — na de overdracht van hun vermogen, moesten sterven voordat zijn bedrog werd ontdekt. En als uitvoerder koos hij zijn neef Evert-Hendrik Waterman.
In ruil voor de beide moorden beloofde hij zijn neef nog meer geld voor de thuis-en daklozen en. bekentenissen. een bekentenis voor de moord op Frederik van Ravenstein, die neef al begaan had, en bekentenissen voor de moorden die de neef nog moest plegen.
Donkersloot zou zelf, na een kleine ingreep van een plastisch chirurg, met een nieuwe identiteit voorgoed naar Zuid-Amerika vertrekken en mocht neef Waterman door de moorden in moeilijkheden komen, dan kon hij de bekentenissen van zijn oom tonen om zijn eigen onschuld te bewijzen.’
Vledder slikte.
‘Die Donkersloot had toch een geraffineerd misdadig brein.’
De Cock knikte.
‘Maar de dood kwam onverwacht. Plotseling maakte een hartaanval een einde aan het leven van de geniale Hendrik-Pieter Donkersloot. een man met een dualistische ziel. misdadig. maar ook barmhartig voor mensen, die buiten hun schuld in armoede en ellende leefden.’
De Cock zweeg. Hij leunde in zijn fauteuil achterover. Het betoog, de uiteenzetting, had hem wat vermoeid. Hij dronk zijn glas leeg.
Vledder keek hem vol onbegrip aan.
‘Maar waarom ging Waterman door? Na de dood van zijn oom had hij toch geen verplichtingen meer. hoefde hij de moorden toch niet meer uit te voeren?’
De Cock zuchtte.
‘Neef Waterman dacht daar anders over. Hij meende dat de nagedachtenis aan zijn oom hem verplichtte om de moorden alsnog te plegen. Bovendien zag hij een mogelijkheid om aan nog meer geld te komen. Waterman ging ervan uit dat de overgebleven leden van het syndicaat het bedrog van zijn oom inmiddels hadden ontdekt. Hij nam contact op met Arnold van Beuningen en zei hem dat hij wist waar Donkersloot het geld van het syndicaat had gelaten en dat hij tegen een bepaalde vergoeding bereid was om dat geheim aan hem te openbaren.’
Vledder grijnsde.
‘Daarom ging Arnold van Beuningen niets vermoedend naar de De Ruijterkade, steiger zevenentwintig.’
Het gezicht van De Cock stond somber.
‘Ik had Arnold van Beuningen niet kunnen waarschuwen, daarvoor kreeg ik de bekentenis van Gert-Jan te laat in handen, maar Adelbert Teijsterling was een gewaarschuwd man. Hij besloot om niet hetzelfde lot te ondergaan als Van Ravenstein en Van Beuningen. Hij schoot voordat neef Waterman de oude Sauer 7.6 mm op hem kon richten. Pas toen Teijsterling wegliep, krabbelde Waterman overeind en vuurde hem in zijn rug.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Ik ken iemand die zijn dood zal toejuichen.’
De Cock beaamde dat:
‘Annelies Breitenbach.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Dan moet in de boekenverzameling van Donkersloot ook nog een bekentenis schuilen voor de moord op Adelbert Teijsterling?’
De Cock knikte.
‘En we moeten nog een keer naar Reestoord aan de Zuiderlaan in Meppel. Ik heb voor de oude mevrouw Donkersloot toch nog wel een paar vragen. ’
‘Ik ook!’ zei Vledder. ‘Waarom zij de boekenverzameling van haar man niet aan haar neef gunde bijvoorbeeld!’
‘Ik denk dat zij de bekentenis van haar man liever door een neutraal persoon wilde laten vinden. Als neef Waterman ermee was komen aanzetten bij de politie, had hij meteen de aandacht op zichzelf gevestigd. Dat wou ze voorkomen.’
‘En wist zij dat er meer dan één bekentenis was?’
De Cock schudde nadenkend zijn hoofd.
‘Ik neem aan van niet. Als zij het wel had geweten, had ze die waarschijnlijk achtergehouden. Ze kon niet vermoeden dat haar neef na de dood van haar man met moorden door zou gaan.’
Vledder lachte.
‘Je hebt het allemaal alweer op een rijtje. Ik snap niet wat je haar nog moet vragen.’
‘Vragen of mijn vermoedens juist zijn. Ik heb graag zekerheid.’
‘Nou, voor mij hoeft het niet. Die zekerheid heb ik nu wel. Maar ik rij je graag naar Meppel. Zeg, iets anders: moeten we de narcoticabrigade nog inlichten?’
De Cock grijnsde.
‘Zij onthielden ons hun dossier, wij sturen ze het onze.’
De grijze speurder schonk nog eens in. Het gesprek werd algemener en het verdwenen syndicaat zakte wat op de achtergrond.
Mevrouw De Cock kwam uit de keuken met schalen vol met lekkernijen en liep presenterend rond. De oude rechercheur placht op strikt vertrouwelijke momenten wel eens te onthullen dat hij zijn lang en gelukkig huwelijksleven louter dankte aan de culinaire gaven van zijn vrouw.
Het was al vrij laat toen de laatste gasten vertrokken. De Cock liet zich in zijn fauteuil onderuitzakken en schonk zich nog eens in. Zijn vrouw schoof een poef bij en kwam bij hem zitten.
‘Ik wist het allang.’
‘Wat?’
‘Dat het die neef was.’
De Cock keek haar verrast aan.
‘Dat wist jij al?’ vroeg hij ongelovig.
‘Ja.’
‘Waarom heb je mij dat nooit gezegd?’
Mevrouw De Cock lachte fijntjes.
‘Och, ik dacht, daar komt hij zelf wel achter.’