De Cock keek naar de binnenkomende Vledder op.
‘Heb je Gert-Jan naar de trein gebracht?’
De jonge rechercheur ging puffend in de stoel achter zijn bureau zitten, trok een zakdoek uit zijn broekzak en wiste het zweet van zijn voorhoofd.
‘Het is warm buiten en druk. Het lijkt alsof de hele wereld naar Amsterdam is getrokken om over het Damrak te flaneren.’
‘Zit die jongen op de trein?’
‘Maak je geen zorgen,’ antwoordde hij. ‘Gert-Jan is op tijd terug in Rotterdam voor de gezamenlijke avondmaaltijd ten huize van de familie Van Brunschoten.’ Het klonk spottend.
De Cock trok zijn gelaat in een ernstige plooi. De spottende toon was de oude speurder niet ontgaan.
‘Ik vind het Centraal Station bij ons in Amsterdam nu eenmaal geen veilige omgeving,’ sprak hij zichtbaar gepikeerd. ‘Vooral niet midden in de zomer. Dan huist daar zoveel ongeregeld spul. de grote hal van het station is vaak een broeinest van allerlei min of meer misdadige randfiguren. Ik voel mij voor de veiligheid van die Gert-Jan van Brunschoten verantwoordelijk. En in wezen zijn wij dat ook. Die jongen komt helemaal uit Rotterdam om ons ter wille te zijn.’ Zijn gezicht versomberde. ‘Zoveel supporters heeft de politie niet. niet meer.’
Vledder negeerde de opmerking.
‘Wordt het langzamerhand geen tijd om die hele boekenverzameling van wijlen Hendrik-Pieter Donkersloot in beslag te nemen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Formeel hebben wij daar het recht niet toe. Wij zouden daarvoor de officier van justitie of de rechter-commissaris moeten inschakelen.’ Hij trok achteloos zijn schouders op. ‘Maar ik vind het niet nodig. Toen jij die jongen naar de trein bracht, heb ik vader Van Brunschoten in Rotterdam gebeld en heb hem gevraagd om de boekenverzamelingnvan Donkersloot voorlopig geheel intact te houden en er niets van te verkopen. Dat heeft hij mij beloofd.’ Hij grinnikte. ‘En onze Gert-Jan zal wel blijven neuzen, denk ik.’
Vledder wees met een gebaar van wanhoop naar de menukaart op het bureau van De Cock.
‘Ik herhaal het maar weer eens. dat kan toch niet. Dat is totaal onmogelijk. Arnold van Beuningen werd gisteravond vermoord en de man die zegt voor die moord verantwoordelijk te zijn, Hendrik-Pieter Donkersloot, is al maanden dood.’
De Cock nam de menukaart op en bekeek hem nog eens van beide kanten.
‘Hotel-restaurant de Poort van Eden, Keizersgracht, Amsterdam. Menu à la carte.’ Hij draaide de kaart om. ‘Hetzelfde priegelige handschrift,’ constateerde hij zuchtend. ‘Ik, Hendrik-Pieter Donkersloot,’ ging hij op plechtige toon verder, ‘leg hierbij een volledige bekentenis af. Ik heb een moord begaan. Met mijn pistool, een oude Sauer 7.6 mm, schoot ik bewust en bij mijn volle verstand driemaal op Arnold van Beuningen. Hij keek naar mij alsof ik een geest was, zakte in elkaar en was vrijwel op slag dood. Ik had een afspraak met hem achter het Centraal Station in Amsterdam, op de De Ruijterkade, aan het uiteinde van steiger zevenentwintig. Het is daar vrij stil. Ik zou hem op die plek vijftigduizend gulden in bankbiljetten van honderd gulden overhandigen. Dat had hij van mij verlangd. Omdat ik mij er van bewust was dat een chanteur doorgaat tot zijn slachtoffer totaal bankroet is, besloot ik om hem te doden. Ik was eerst van plan om hem op het uiteinde van die steiger te laten liggen, maar om de ontdekking van mijn daad iets te vertragen, liet ik zijn lichaam in het water van het IJ zakken. Ik voel geen wroeging, maar nu mijn einde nadert, doe ik deze bekentenis omdat ik niet wil dat mogelijk een onschuldige voor mijn daad wordt gestraft.’
De oude rechercheur wierp de menukaart voor zich neer en vouwde zijn handen.
‘Wat valt je op?’
Vledder maakte een schouderbeweging.
‘Dezelfde tekst als bij de bekentenis van de moord op Frederik van Ravenstein.’ Hij zweeg even. ‘En hetzelfde motief: chantage.’
De Cock glimlachte fijntjes.
‘Inderdaad, hetzelfde motief. Maar de tekst is beslist niet gelijk aan de bekentenis van de moord op Van Ravenstein. Wat mij direct trof was dat het tijdstip ontbrak. Er staat in deze bekentenis niet wanneer de moord werd gepleegd. In de bekentenis van de moord op Frederik van Ravenstein wordt dat tijdstip exact aangegeven.’ Hij drukte zijn wijsvinger tegen het puntje van zijn neus. ‘En dan nog iets. in deze bekentenis staat dat hij het lichaam van Arnold van Beuningen in het water van het IJ had laten zakken. Dat is niet gebeurd. vermoedelijk omdat de dikke Van Beuningen te zwaar bleek om te worden versleept.’ Hij keek vragend naar Vledder.
‘Conclusie?’
De jonge rechercheur aarzelde.
‘De bekentenis werd geschreven voordat de moord werd gepleegd.’
De Cock lachte.
‘Ik vind dat niet zo’n bijster intelligente opmerking,’ sprak hij licht vernederend. ‘Natuurlijk werd deze bekentenis geschreven voordat de moord op Arnold van Beuningen werd gepleegd.’ Hij wees naar de menukaart voor zich op zijn bureau. ‘De schrijver van dit fraaie epistel is allang dood en begraven.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Er is een andere conclusie, die naar mijn gevoel veel belangrijker is.’
‘En?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Voor de moord op Arnold van Beuningen,’ sprak hij gedecideerd, ‘bestonden reeds lang van tevoren gedetailleerde plannen.’
Vledder knikte.
‘Je hebt gelijk,’ sprak hij ernstig. ‘Dat ligt in deze bekentenis opgesloten. Alleen het tijdstip van de moord stond nog niet vast. Over de plaats, steiger zevenentwintig achter het Centraal Station, en de wijze van uitvoering, drie schoten met een Sauer 7.6 mm, was men het al eens.’
De Cock strekte zijn hand naar hem uit.
‘Wie?’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wat bedoel je?’
De Cock boog zich met een ruk naar voren.
‘Wie is men. wie zijn de mensen, die tot de liquidatie van. ergo de moord op Arnold van Beuningen besloten? Met andere woorden: wie vormden met wie een dodelijk complot?’
Vledder spreidde zijn armen in wanhoop.
‘Een van hen was beslist onze Hendrik-Pieter Donkersloot. Hij wist wat er zou gaan gebeuren. Hij moet bij het ontwerpen van die gedetailleerde plannen tot moord zeer nauw betrokken zijn geweest.’ Het gezicht van de jonge rechercheur verhelderde plotseling. ‘En misschien heeft hij die plannen wel helemaal zelf uitgedacht.’ Vledder zweeg even voor het effect. ‘…en alleen, zonder hulp van anderen uitgevoerd. Is er helemaal geen sprake van een complot. Waren de moorden op Van Ravenstein en Van Beuningen pure eenmansacties.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar.
‘Hendrik-Pieter Donkersloot is dood en begraven.’
Vledder keek hem vragend aan.
‘Weet je dat nu wel zeker?’
De Cock spreidde zijn beide handen.
‘Ik heb telefonisch navraag gedaan bij het bevolkingsregister in Rotterdam. Omdat telefoongesprekken altijd risico’s van vergissingen inhouden, heb ik ook de Rotterdamse recherche ingeschakeld. Ze hebben de gegevens van het bevolkingsregister voor mij nagetrokken en het klopte.’ Hij klapte zijn handen tegen elkaar. ‘Het enige wat wij nog kunnen doen, is nagaan welke arts de verklaring van overlijden heeft uitgeschreven en eens met die man gaan praten.’ De oude rechercheur glimlachte. ‘Ik ben overtuigd van zijn dood, maar als het voor jouw gemoedsrust beter is.’ Hij maakte zijn zin niet af en kwam uit zijn stoel overeind. In zijn zo typische slenterpas beende hij naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
‘Naar Bussum.’
‘Wat wil je daar doen?’
De Cock zette zijn oude hoedje op.
‘Adelbert Teijsterling vertellen dat hij op het punt staat om te worden vermoord.’
De mond van Vledder viel half open.
‘Wat?’
De Cock draaide zich half om.
‘Spreek ik soms Russisch?’
Het duurde ruim drie kwartier voordat Vledder zijn nieuwe Golf door het drukke stadsverkeer had geloodsd en de A1 op reed. De jonge rechercheur slaakte een zucht van verlichting en leunde iets achterover.
‘Nog even,’ schertste hij, ‘en onze Amsterdamse stedenmaagd krijgt een hartinfarct. Haar aderen zijn al dichtgeslibd.’
De Cock glimlachte.
‘Laat onze hoogste politiechef van het verkeer het niet horen. Die meent dat de Amsterdamse situatie nog best acceptabel is.’
Vledder snoof.
‘Is die man dan blind?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij blijft graag in functie.’
Vledder grinnikte en blikte opzij.
‘Ben je echt van mening dat Adelbert Teijsterling op het punt staat om te worden vermoord?’
De Cock krabde zich achter in zijn nek.
‘Hoewel ik omtrent de motieven nog volkomen in het duister tast, ben ik bang dat Adelbert Teijsterling het volgende slachtoffer zal zijn. Hij is de laatste van het illustere viertal, die nog in leven is.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Jij denkt dat iemand heel opgewekt bezig is de gehele financiële top van de Nederlandse drugshandel uit te roeien?’
De Cock grinnikte.
‘Of dat nu heel opgewekt gebeurt, weet ik niet. Maar het lijkt er wel op. Ik beschouw dat als een reële mogelijkheid. Bovendien voel ik mij moreel verplicht om Teijsterling te waarschuwen.’
Vledder trok zijn neus iets op.
‘Moreel verplicht?’ vroeg hij ongelovig. ‘Van welke moraal ga je dan uit?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij wreef met zijn vlakke hand over zijn brede gezicht.
‘Ik had in het begin meer alert moeten zijn,’ begon hij aarzelend. ‘Waakzamer. Toen Gert-Jan van Brunschoten die eerste bekentenis vond, had ik onmiddellijk aan de Rotterdamse recherche het verzoek moeten doen om de gehele boekenverzameling van de overleden Hendrik-Pieter Donkersloot door te bladeren. Ik heb dat nagelaten. verzuimd, omdat ik dacht met een enkel geval van doen te hebben.’
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Die oude moord op Frederik van Ravenstein.’
De Cock knikte.
‘Een moord, die al meer dan een jaar geleden is gepleegd en waardoor het onderzoek door de narcoticabrigade vermoedelijk is vastgelopen. Ik hoopte aan de hand van die vreemde bekentenis tot een sluitende bewijsvoering te komen. Meer niet. Ik heb aan de mogelijkheid van verdere moordacties in die zaak niet gedacht. Ik was werkelijk verrast en diep geschokt toen Gert-Jan van Brunschoten met die tweede bekentenis kwam.’
‘Je bedoelt de bekentenis voor de moord op Arnold van Beuningen. Waarom?’
‘Wat bedoel je?’
‘Waarom was je diep geschokt?’
De Cock draaide zich half naar de jonge rechercheur toe.
‘Als dat winkelmeisje in Rotterdam niet ziek was geworden. als Gert-Jan van Brunschoten zijn vader niet in de zaak had hoeven helpen. en hij die tweede bekentenis in de boekenverzameling van Donkersloot een dag eerder had gevonden. dan hadden we Arnold van Beuningen op tijd kunnen waarschuwen om niet naar die afspraak te gaan. Begrijp je, dan had hij nu nog geleefd.’
Vledder trok achteloos zijn schouders op.
‘Rouw jij om zijn dood?’ Hij snoof verachtelijk. ‘Hoeveel jonge mensen zou hij door zijn handel in drugs de dood hebben ingejaagd? Hoeveel levens zal hij hebben verwoest? Hoeveel jonge mannen in de criminaliteit gedreven, hoeveel meisjes en jonge vrouwen gedegradeerd tot hoer?’ Hij snoof opnieuw. ‘Rouw jij om zijn dood?’
De Cock keek zijn jonge collega verwonderd aan. De felle toon, de emotionaliteit, die in zijn woorden trilde, had hem verrast. De oude rechercheur plukte aan zijn onderlip en knikte traag voor zich uit.
‘Ik rouw om zijn dood,’ sprak hij bijna statig, ‘omdat ik die mogelijk had kunnen voorkomen. omdat vermoedelijk door mijn persoonlijke nalatigheid een medemens het leven verloor.’
Vledder protesteerde heftig.
‘Noem je zo’n dikke vieze patser nog een medemens. een man, die fortuinen heeft verdiend aan het leed van anderen?’
De Cock zuchtte diep.
‘Ik ben er niet voor om over andere mensen te oordelen,’ sprak hij zacht. ‘Dat is mijn werk niet. gelukkig niet. Daarvoor hebben we rechters en uiteindelijk Onze Lieve Heer. Ik heb alleen een eigen geweten, een geweten waarnaar ik bereid ben om te luisteren en. een eigen verantwoordelijkheid.’
Vledder keek hem ongelovig aan.
‘Als jij die bekentenis een dag eerder in handen had gekregen, had jij dan die Arnold van Beuningen gewaarschuwd?’
‘Absoluut.’
Vledder blikte voor zich uit op de weg.
‘Ik denk,’ verzuchtte hij, ‘dat ik daar nog eens een nachtje over had geslapen.’
De Cock keek hem secondenlang aan en tikte hem toen op zijn arm.
‘Bussum. hier rechtsaf.’