12

Vledder klapte met de volle vuist van zijn rechterhand op het blad van zijn bureau.

‘Karel van Montfoort,’siste hij verbeten. ‘Ik bezweer het je, het is Karel van Montfoort. Dat is de man achter al die moorden. Marianne van Hoogwoud was zijn derde ex-geliefde. Wie weet tegen hoeveel ex-geliefden die man een wrok heeft. Laten we die vent toch arresteren voor hij nog meer slachtoffers maakt.’

De Cock reageerde niet. De oude rechercheur blikte naar de klok boven de deur van de grote recherchekamer. Het was kwart over één. Hij kwam uit zijn stoel overeind en wendde zich tot Vledder.

‘Hoe laat heb jij vanmiddag die sectie?’

‘Twee uur.’

‘Breng mij met de Golf naar dat adres op de Brouwersgracht. Dan rij jij vandaar door naar Westgaarde. We kunnen dokter Rusteloos niet bij het lijk van Henriëtte Vermeer laten wachten.’

Vledder keek hem vragend aan.

‘En wat doe ik na de sectie?’

‘Dan ga je terug naar de kit. Als ik klaar ben met mijn onderzoek op de Brouwersgracht, loop ik dat stukje wel naar de Warmoesstraat.’

De oude rechercheur sjokte naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

‘Als dokter Rusteloos op Westgaarde niet te lang werk heeft, kom ik liever naar de Brouwersgracht.’

‘Zo je wilt.’

Ze verlieten de recherchekamer en zakten de twee stenen trappen af naar de hal. Jan Kusters achter de balie wenkte hen naderbij.

‘Ik heb een surveillancewagen naar de Brouwersgracht gestuurd,’sprak hij gehaast. ‘Jan Peekel meldde zich zojuist via de mobilofoon. Hij sprak van een derde kopietje en vertelde dat hij bij de dode vrouw ook een levende vrouw had aangetroffen.’

De Cock knikte.

‘Ik begrijp de uitdrukking “derde kopietje”. Hij was ook bij de twee vorige moorden. De levende vrouw is Everdine de Bruijn. Zij gaf de melding aan jou door. Waarschuw alvast de meute voor me.’

‘Dat heeft Jan Peekel al gedaan.’

‘Prachtig.’

De oude rechercheur liep het bureau uit.

Vledder volgde.

Via de Oudebrugsteeg liepen ze door de regen naar de houten steiger achter het politiebureau. Bij het portier van de Golf bleef De Cock even staan en keek omhoog. De regen kletterde op zijn gezicht.

‘Ik hoop niet,’gromde hij, ‘dat Marianne van Hoogwoud in dit onzalige uur werd vermoord.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Onzalige uur?’

De Cock wees omhoog.

‘De hemel zit potdicht. Daar komt geen ziel door.’

Vledder opende het portier en stapte in. Toen De Cock naast hem zat, keek hij opzij en vroeg weifelend: ‘Denk jij dat Marianne van Hoogwoud voor een plek in de hemel in aanmerking komt?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Hoeren en tollenaars,’sprak hij opgewekt, ‘ze waren Onze- Lieve-Heer het dierbaarst.’


Jan Peekel tikte ter begroeting tegen de rand van zijn uniformpet. ‘Ik heb die levende vrouw,’meldde hij, ‘maar zolang in onze surveillancewagen laten plaatsnemen. Ze was helemaal in de war. Ze huilde en jammerde bij het lijk of ze een familielid had verloren. Ik was een moment bang dat ze zich op die dode griet zou storten.’

De Cock grinnikte.

‘Pas op dat ze niet verdwijnt.’

Jan Peekel schudde zijn hoofd.

‘Mijn maat let op haar.’

‘Heeft ze nog iets gezegd?’

Jan Peekel antwoordde niet direct. Hij liep vanuit de keuken voor de oude rechercheur uit naar de woonkamer. Daar wees hij naar een dode vrouw op het marmoleum.

‘Zij heet Marianne van Hoogwoud. Dat was alles wat ik uit haar kon krijgen.’

De Cock knikte.

‘Dat is juist. Zij is Marianne van Hoogwoud. Een paar dagen geleden heb ik nog met haar gesproken.’

‘Een knap grietje.’

De Cock reageerde niet. Hij keek naar het lange blonde haar, dat als een waaier om haar hoofd hing. Haar bruine wijd opengesperde ogen staarden in het niets. Een klein stukje van haar tong hing uit haar mond. Om haar hals, dicht in het vlees gesnoerd, zat een roze sjaal. De helblauwe kamerjas die ze droeg, was kuis om haar lichaam gedrapeerd. Hij vermoedde het werk van de man of vrouw die haar had gewurgd. Er waren ook dit keer geen sporen van een worsteling.

De oude rechercheur hurkte bij de dode vrouw neer en drukte de rug van zijn hand tegen haar wang. Daarna voelde hij even aan haar kin.

‘Ze is al een paar uur dood,’sprak hij opkijkend. ‘Ik denk dat het gisteravond is gebeurd.’

Toen hij overeind kwam, kraakten zijn knieën.

Jan Peekel stootte hem van opzij aan.

‘Waar is uw maat?’

‘Naar de gerechtelijke sectie op het lijk van de vorige.’

‘Die van de Haarlemmer Houttuinen?’

‘Precies.’

Jan Peekel wees naar het lijk.

‘Alles wijst op het werk van een en dezelfde dader… een seriemoordenaar?’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Bij een seriemoordenaar is vaak seks het motief… seks in alle vormen die je maar denken kunt.’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Bij de drie vrouwen die tot nu toe het slachtoffer zijn geworden, is seksueel niets gebeurd.’

Bram van Wielingen kwam de kamer binnen. Hij legde zijn aluminium koffertje in een lege stoel en liep op De Cock toe. ‘Ga je je leven beteren?’

‘Hoezo?’

Van Wielingen zwaaide met zijn armen.

‘Geen gestoei in de nacht met lijken, maar keurig overdag tijdens de normale diensttijd.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik kies de momenten niet zelf uit.’

De fotograaf blikte naar het lijk op de vloer.

‘Verrek… nog een.’

De Cock knikte met een zucht.

‘En ik ben er niet blij mee.’

Van Wielingen grinnikte.

‘Dat snap ik.’

De Cock zag dokter Den Koninghe in de deuropening staan. Achter hem torenden twee levensgrote broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard.

De oude rechercheur wendde zich snel tot de fotograaf.

‘Schiet gauw een paar plaatjes zoals ze daar ligt, voordat de lijkschouwer uit piëteit haar ogen sluit.’

De Cock liep op dokter Den Koninghe toe en schudde hem hartelijk de hand.

‘Ik vrees,’sprak hij somber, ‘dat we weer met dezelfde dader te maken hebben.’

De oude lijkschouwer liep aan hem voorbij. Terwijl Bram van Wielingen nog flitste, hurkte hij bij het lijk neer. Met een devoot gebaar drukte hij met duim en wijsvinger de oogleden toe. Toen hij na zijn onderzoek overeind kwam, keek hij met een trieste blik naar De Cock op.

‘Het vrouwtje was feitelijk te jong en te mooi om nu al te sterven.’

De Cock onderdrukte een grijns.

‘Haar moordenaar dacht daar blijkbaar anders over.’

Dokter Den Koninghe poetste de glazen van zijn ziekenfondsbrilletje.

‘Ze is dood.’

De Cock glimlachte.

‘Dat vermoedde ik al.’

‘Geruime tijd. Ik schat dat haar dood zo’n vijftien à zeventien uur geleden intrad.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Gisteravond,’verzuchtte hij. ‘Onze moordenaar slaat alleen ‘s avonds toe.’

Bram van Wielingen maakte een shot van het meubilair en gniffelde.

‘Overdag,’reageerde hij snuivend, ‘heeft de goede man geen tijd… dan is hij aan het werk.’

De Cock keek de fotograaf een paar seconden peinzend aan. Daarna nam hij afscheid van dokter Den Koninghe en wenkte de broeders met hun brancard naderbij.

Terwijl hij geboeid toekeek hoe de broeders het lijk van Marianne op de brancard legden, een laken over haar heen drapeerden, de canvasflappen toesloegen en de riemen vastsjorden, gonsde het door zijn hoofd: overdag heeft de goede man geen tijd… dan is hij aan het werk. Het leek een hint om te onthouden.

Zachtjes wiegend droegen de broeders het lichaam van Marianne op de brancard de kamer af.

De oudste broeder keek om en vroeg:

‘Westgaarde?’

De Cock knikte traag.

‘Het beproefde recept. Een nieuwe prooi voor dokter Rusteloos.’

De broeder lachte.

De Cock overdacht ineens hoeveel slachtoffers van moord en doodslag hij in zijn lange loopbaan als rechercheur al van de pd had zien wegdragen. De gedachte vervaagde. Het waren er te veel.

Bram van Wielingen liep op hem toe.

‘Ik ben klaar. Morgenochtend heb je de plaatjes op je bureau.

Op Ben Kreuger hoef je vandaag niet te rekenen. De dactyloscoop is bezig bij een roofoverval op een bank waarbij slachtoffers zijn gevallen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Ik maak wel een afspraak met hem voor morgen.’

De fotograaf nam zwaaiend afscheid.

De Cock glimlachte tegen Jan Peekel, die wachtend tegen een muur stond geleund.

‘Ga je terug naar de kit?’

‘Ja.’

‘Mag ik met je mee?’

‘Natuurlijk.’

De Cock sloot de woning af met de sleutel die hij aan de binnenzijde van de toegangsdeur vond. Met Jan Peekel daalde hij de trappen af.

Buiten op de Brouwersgracht opende hij het achterportier van de surveillancewagen, schoof haar rode plastic tasje iets verder naar haar toe en nam naast Everdine de Bruijn plaats.

Ze keek met een betraand gezicht naar hem op.

‘Ik zag hoe de broeders haar op de brancard in de ambulancewagen schoven. Waar gaat ze heen?’

‘Westgaarde.’

‘Wordt ze daar ook begraven?’

‘Vermoedelijk.’

Everdine de Bruijn schudde haar hoofd.

‘Ze was nog zo jong,’sprak ze triest, ‘en ze had nog zoveel plannen.’

De Cock keek haar van terzijde aan.

‘Hebt u er bezwaar tegen,’vroeg hij vriendelijk, ‘dat wij ons gesprek aan de Warmoesstraat voortzetten?’

Zonder haar antwoord af te wachten gaf hij Jan Peekel een teken dat hij kon vertrekken.


Everdine de Bruijn hing haar rode glimmende mantel aan de kapstok. Voordat ze op de stoel naast het bureau van De Cock plaatsnam, deed ze haar zuidwesterhoedje af. Haar lange gitzwarte haren gleden glanzend langs haar gezicht. Ze zette haar rood plastic handtasje op haar schoot en keek De Cock wat uitdagend aan.

‘Én?’

De oude rechercheur negeerde haar blik. Hij monsterde de deplorabele toestand van haar make-up en wees naar haar handtasje.

‘Bekijk uzelf eens in een spiegeltje. Sommige vrouwen voelen zich onzeker wanneer hun make-up niet deugt. Ik wil niet dat u zich onzeker voelt.’

‘Ik voel mij niet onzeker,’reageerde Everdine bits.

De Cock glimlachte.

‘Kijk toch maar even in een spiegeltje.’

Everdine deed haar tasje open en bekeek zichzelf lang en aandachtig. Met een minuscuul zakdoekje wreef ze haar verveegde mascara weg en bracht aan haar make-up nog wat reparaties aan. Voorzichtig deed ze het spiegeltje en het zakdoekje terug in haar tasje en keek glimlachend op.

‘Het was inderdaad een puinhoop.’

De Cock knikte.

‘Dat vond ik ook. Ik kijk het liefst naar goedverzorgde vrouwen.’

Hij zweeg even.

‘Volgens mijn collega heeft de dood van Marianne van Hoogwoud u nogal aangegrepen. Uw verdriet om haar dood leek oprecht. Kende u haar goed?’

Everdine liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik hield van Marianne. U moet dat niet verkeerd opvatten. Er was niets tussen ons… geen gewriemel. Ik beschouwde Marianne gewoon als mijn dochter. Ze was een lieve meid en bijzonder intelligent.’

‘Toch werkte ze als callgirl?’

Everdine maakte een schouderbeweging.

‘Om haar studie te bekostigen.’

‘Bij Lovable?’

‘Ja.’

‘Wie is Lovable?’

Het duurde even voor Everdine antwoordde.

‘Mijn man en ik.’

De Cock keek verrast op.

‘U en uw man?’

Everdine knikte.

‘Wij verzorgen de contacten voor de meisjes. De aanvragen komen bij ons binnen. Uiteraard kunnen en mogen de meisjes ook zelf contacten leggen.’

De Cock dacht na.

‘Houden u en uw man een administratie bij?’

Everdine schudde haar hoofd.

‘Wij proberen de veiligheid van de meisjes zoveel als doenlijk te garanderen, dat wel, maar wij bewaren geen namen en adressen van onze contacten. De bedoeling is dat de privacy van de mannen die gebruikmaken van een callgirl, niet wordt aangetast.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hoe verliep uw ontdekking vanmiddag?’

Everdine de Bruijn zuchtte.

‘Ik kreeg al een angstig voorgevoel toen ik de deur van haar woning open trof. De situatie was vrijwel gelijk als bij mijn bezoek aan Henriëtte Vermeer in de Haarlemmer Houttuinen.

Ook toen stond alles open.’

‘Waarom liep u nu niet weg.’

‘Ik vond dat ik het bij Henriëtte Vermeer niet goed had gedaan,’zei Everdine hoofdschuddend. ‘Dat heb ik u al opgebiecht. Hoewel de schok nu groter was, mijn relatie tot Marianne was veel intiemer, voelde ik mij nu sterker.’

‘Waarom bezocht u Marianne vanmiddag?’

Everdine spreidde haar handen.

‘Om afscheid van haar te nemen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Afscheid?’

Everdine knikte.

‘Marianne had te kennen gegeven dat ze met haar werk als callgirl voor Lovable stopte. Ze was van plan om naar Amerika te gaan om daar haar studie voort te zetten.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Marianne van Hoogwoud,’overpeinsde hij hardop, ‘financierde hier haar studie door als callgirl te werken. Wilde ze zich in Amerika ook als callgirl aandienen?’

Everdine schudde haar hoofd.

‘Marianne speelde al jaren in de staatsloterij. Ze kreeg voor elke trekking altijd zeven loten opgestuurd. Er was nooit wat voor haar bij. Daarover beklaagde zij zich vaak. Maar bij de laatste trekking won ze plotseling een prijs van vierhonderdduizend gulden. Met dat geld zou ze haar studie in Amerika gaan financieren.’

Everdine liet haar hoofd weer zakken. Haar lange zwarte haren gleden als een gordijn voor haar gezicht.

‘Ik was zo blij voor haar,’sprak ze snikkend. ‘Ik heb haar een paar maal gekust en gefeliciteerd. Ik gunde het haar zo.’

De Cock zuchtte.

‘Het was achteraf toch niet zo’n gelukkig lot.’Everdine schudde haar hoofd.

‘Het leven is soms zo gemeen, zo bitter, zo ongelooflijk triest, dat je er alleen maar om kan janken.’

Ze maakte haar handtasje open, nam daaruit een gouden armband en hield die omhoog.

‘Close forever… die kwam ik haar tot afscheid brengen.’

Загрузка...