Vledder kwam met afhangende schouders de grote recherchekamer binnen, slofte naar zijn bureau en liet zich zuchtend in zijn stoel zakken.
De Cock lachte.
‘Je ziet er niet bepaald opgewekt uit.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dokter Rusteloos talmde verschrikkelijk. In de regel werkt hij snel en geconcentreerd. Maar vandaag had hij er helemaal geen zin in.’
‘Dat kan toch? De man is hoogbejaard.’
Vledder knikte.
‘Hij zou zijn assortiment ontleedmessen aan de wilgen moeten hangen.’
‘Dan zijn wij ook al zijn bekwaamheden en kennis kwijt.’
‘Hij moet er toch eens mee ophouden,’reageerde Vledder snibbig.
‘Had hij nog opmerkingen?’
De jonge rechercheur grinnikte.
‘Hij zei dat hij aan zijn rapporten over de sectie niet veel behoefde te veranderen… alleen de naam.’
Vledder keek op.
‘Ik ben nog langs de Brouwersgracht gereden, maar je was al weg.’
De Cock maakte een berustend gebaar. ‘Er behoefde niet veel te gebeuren. Er was geen enkele verrassing of afwijking. We kunnen ook bij onze processen-verbaal alleen de naam veranderen.’
‘Heeft Ben Kreuger nog wat gevonden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het dactyloscopisch onderzoek doen wij morgen. Ik moet nog een afspraak met hem maken. Hij zat vandaag vast bij een andere zaak.’’Ze mogen de dactyloscopische dienst wel uitbreiden. De man is overbelast.’
‘Dat zal ook wel gebeuren.’
De oude rechercheur zweeg even en schudde een paar keer met zijn hoofd.
‘Ik heb op de Brouwersgracht,’ging hij peinzend verder, ‘ook nog niet in haar papieren gesnuffeld. Dat moet jij morgen maar doen.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Wat heb je met Everdine de Bruijn gedaan?’
‘Meegenomen naar de kit en hier uitgebreid verhoord.’
‘Wat kwam ze bij Marianne van Hoogwoud doen?’
De Cock gebaarde.
‘Everdine de Bruijn beschouwde Marianne min of meer als haar eigen dochter. De ontdekking van haar dood heeft Everdine sterk aangegrepen. Volgens Jan Peekel was haar verdriet oprecht.’
Vledder toonde zich prikkelbaar.
‘Wat kwam ze doen?’herhaalde hij dwingend.
‘Afscheid nemen.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Afscheid nemen… van wie, van wat?’
‘Van Marianne van Hoogwoud. De callgirl had haar dienstverlening bij Lovable beëindigd. Ze zou naar Amerika gaan om daar haar studie bedrijfskunde voort te zetten.’
Vledder maakte een schuivende beweging met zijn duim en kromme wijsvinger.
‘Wie zou dat betalen?’
De Cock glimlachte.
‘Dat vroeg ik mij ook af.’
‘En?’
‘Volgens Everdine de Bruijn had Marianne van Hoogwoud, die al jaren in de staatsloterij speelde, recent een forse prijs van vierhonderdduizend gulden gewonnen.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Daarmee zou zij haar reis naar Amerika en haar studiekosten financieren?’
De Cock knikte.
‘Volgens Everdine de Bruijn.’’Geloof jij dat?’
De Cock trok gelaten zijn schouders op.
‘De staatsloterij,’reageerde hij mat, ‘keert bij elke trekking grote geldbedragen uit. Er zijn altijd mensen die een fikse prijs in de wacht slepen. Waarom zou Marianne niet tot de gelukkigen behoren?’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik krijg er zo’n vreems gevoel over.’
‘Gefundeerd?’
Vledder glimlachte.
‘Niet echt.’
‘Zou dat vele geld verband houden met de moord?’bepeinsde de jonge rechercheur.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Daar geloof ik niet in. Jacqueline Verpoorten en Henriëtte Vermeer waren straatarm. Volgens mij speelt geld bij deze moorden geen enkele rol.’
‘Wat dan?’
‘Wrok, wraak.’
Vledder stak zijn kin iets omhoog.
‘Karel van Montfoort.’
De Cock had moeie voeten. Hij voelde ze. Het begin van de pijn meldde zich al midden in zijn discussie met Vledder over een al of niet gelukkige Marianne van Hoogwoud in de staatsloterij.
Hij leunde verder achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend scherpe spelden in zijn kuiten prikten.
De Cock kende de pijn die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoogtrok en zich vastzette in zijn kuiten. De oude speurder wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht liepen, als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten en geen enkele voortgang meer te boeken, gaven die helse duiveltjes acte de présence.
Vledder keek hem bezorgd aan.
‘Zijn ze er weer?’
De grijze speurder knikte en sloot zijn ogen. Minutenlang bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden stevig in zijn onderlip.
‘Het trekt al weer weg,’sprak hij mat.
Vledder trok een droevig gezicht.
‘Is het werkelijk zo erg?’
‘Wat?’
De jonge rechercheur wees naar De Cocks pijnlijke onderdanen. ‘Die… eh, die duiveltjes… dat je er geen gat meer in ziet?’
De Cock nam zijn benen van het bureau, trok de pijpen van zijn pantalon iets op en begon langs zijn kuiten te wrijven.
‘Die pijn verdwijnt wel weer,’sprak hij zuchtend. ‘Die duurt hoogstens een paar minuten. Wat blijft is een angstig voorgevoel.’
Vledder keek hem vragend aan.
‘Wat voor een voorgevoel?’
De Cock liet zijn broekspijpen zakken.
‘Na drie moorden en dagen van intensief speuren zijn wij in deze zaak in feite nog geen stap verder gekomen.’De oude rechercheur schudde met een bedroefd gezicht zijn hoofd. ‘Dat maakt mij bezorgd.’
Vledder grijnsde hoofdschuddend.
‘Er is geen enkele reden voor bezorgdheid,’sprak hij ferm. ‘Die laatste moord op Marianne van Hoogwoud is voor ons nog maar enkele uren oud. Wij zijn nog lang niet tot op de bodem van ons onderzoek.’
Het gezicht van De Cock betrok.
‘Dat voorgevoel…’
Vledder keek zijn oudere collega met een blik vol ongeloof aan. ‘Jij denkt,’onderbrak hij De Cock geschrokken, ‘dat… eh, dat we er niet uitkomen… dat wij de moordenaar nooit zullen vatten?’’Dat is toch mogelijk. Hoeveel moorden blijven er in ons land niet onopgelost?’
Vledder schudde resoluut zijn hoofd.
‘Niet bij ons, ik bedoel, niet bij jou. Zolang wij samen zijn… ik kan mij niet herinneren dat wij ooit een zaak hebben laten zakken.’
Op het gezicht van De Cock brak een glimlach door.
‘Misschien is het bijgeloof.’
‘Wat?’
‘Dat mijn moeie voeten iets met de stand van ons onderzoek te maken hebben.’
Vledder lachte bevrijd.
‘Vast! Jij bent toch een Urker?’
De Cock knikte.
‘Vanaf mijn geboorte.’
Vledder grinnikte.
‘Ik heb mij laten vertellen dat alle oude Urkers, hoewel de meesten uiterst vroom, toch vaak een tikkeltje bijgelovig zijn.’De Cock reageerde niet. Hij kwam moeizaam uit zijn stoel overeind. Met een van pijn vertrokken gezicht, zo nu en dan aan zijn kuiten voelend, begon hij door de grote recherchekamer te stappen. In de cadans van zijn tred lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. Er moest toch, zo bepeinsde hij, een doorbraakmogelijkheid zijn, een middel om uit de impasse te geraken?
Terwijl het raderwerk van zijn denken net op volle toeren begon te draaien, werd de oude rechercheur gestoord. Een forsgebouwde man stapte, zonder vooraf te kloppen, dreunend de grote recherchekamer binnen. De Cock herkende Karel van Montfoort.
Pal voor de grijze speurder bleef de man staan. Zijn gezicht zag felrood en zijn ogen flikkerden.
‘Ze hebben nu ook Marianne van Hoogwoud te pakken gehad,’snauwde hij bitter.
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik was bij haar aan de deur.’
‘Hoe laat?’
‘Een halfuur geleden. Toen ze niet opendeed, heb ik bij de buren geïnformeerd. Een vrouw vertelde mij dat ze u op de Brouwersgracht hadden gezien met een ambulancewagen en een koppeltje uniformmensen.’
‘Toen wist u genoeg?’
Karel van Montfoort liet zijn hoofd iets zakken.
‘Ik kon het raden.’
‘U was van plan haar te bezoeken?’
Van Montfoort knikte traag. Het felle rood was langzaam uit zijn gezicht gezakt.
‘Ik wilde horen wat precies haar plannen waren… ik wilde ook afscheid van haar nemen. Ik meende dat ik dat moest doen… dat ik daar recht op had. Ik heb toch een tijdje met haar samen geleefd.’
De Cock draaide zich om en liep naar zijn bureau. Hij beduidde Karel dat hij naast hem moest gaan zitten. Geduldig keek hij toe hoe de man plaatsnam.
‘Wat voor plannen had Marianne?’vroeg hij overbodig.
‘Ze zou voorgoed naar Amerika gaan om daar verder te studeren.’
‘Wie vertelde u dat?’
Karel van Montfoort zwaaide met een machtige arm.
‘Ik heb het van verschillende kanten gehoord. Ik kreeg het idee dat Marianne het zelf flink had rondgebazuind. Het wereldje van die meiden is maar klein. Ik hoorde ook dat ze bij Lovable had opgezegd.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Ken jij Everdine de Bruijn?’
‘Ja.’
‘Met haar een relatie gehad?’
‘Nee.’
‘Niet aantrekkelijk genoeg?’
Karel schudde zijn hoofd.
‘Ik pap nooit aan met getrouwde vrouwen. Everdine is getrouwd. Zij en haar man runnen Lovable.’
De Cock veranderde van onderwerp.
‘Speelde Marianne in de staatsloterij?’Karel knikte nadrukkelijk.
‘Ze kreeg altijd zeven loten opgestuurd. Zeven bracht volgens haar geluk. Ze had meer van die trekjes. Als iets door zeven deelbaar was, bracht het voorspoed.’
De Cock nam een lange pauze. Hij staarde enkele minuten zwijgend voor zich uit en wees toen naar Vledder.
‘Mijn jonge collega is ervan overtuigd,’sprak hij bewogen, ‘dat u persoonlijk verantwoordelijk bent voor de gepleegde moorden.’
‘Ik?’
De Cock knikte.
‘U hebt omgang gehad met zowel Jacqueline Verpoorten, als met Henriëtte Vermeer en Marianne van Hoogwoud. Alledrie hebben ze u bedrogen en verlaten. Dat is volgens mijn jonge collega het motief van uw daden.’
Karel van Montfoort draaide zich om naar Vledder. Het felle rood kwam op zijn gezicht terug.
‘Uw collega is gek,’siste hij.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Mijn jonge collega is niet gek,’sprak hij uiterst rustig. ‘In tegendeel, hij is bijzonder intelligent. En ik moet u eerlijk bekennen, dat ik bereid ben om zijn inzichten te delen.’
Karel van Montfoort keek hem wild aan.
‘Welke inzichten?’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘U hebt het ons zelf geopenbaard… u bent met heel veel vrouwen een intieme relatie aangegaan. Dat duidt op ijdelheid en hoogmoed.’
De oude rechercheur spreidde zijn armen.
‘IJdele en hoogmoedige mannen,’sprak hij zalvend, ‘worden niet graag vernederd. Dat kunnen ze geestelijk slecht verwerken. Die vernedering tast hun gevoel van eigenwaarde aan. Daar kunnen ze niet mee leven. Hun reactie is wrok, rancune… moord.’
Karel van Montfoort keek hem verbijsterd aan.
‘Dat meent u?’
De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Absoluut.’
Karel Van Montfoort schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Ik heb die vrouwen niet vermoord,’schreeuwde hij.’Ik heb van ze gehouden. De tijden dat ik met hen omging was ik zielsgelukkig.’
De Cock keek hem doordringend aan.
‘Achteraf,’sprak hij scherp, ‘hebben die drie vrouwen u getoond dat zij uw liefde niet waard waren. Er zijn maar weinig mannen die dat kunnen verkroppen.’
De oude rechercheur strekte zijn hand naar hem uit.
‘U kon dat niet.’
Karel van Montfoort snoof.
‘Ik kon dat wel.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Waarom dan die moorden?’
Van Montfoort greep met geklauwde handen naar zijn voorhoofd.
‘Je maakt me gek,’gilde hij. ‘Krankzinnig. Je praat mij dingen aan die ik niet heb gedaan. Ik heb die vrouwen niet vermoord. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Ik ben de verkeerde. Je moet die idiote Robert van Eijsden hebben, met wie Jacqueline het laatst knoeide.’
‘Die is voortvluchtig… zit vermoedelijk in Frankrijk.’
Karel grijnsde breed.
‘Jullie zoeken slecht. Ik zag hem van de week schuifelen op het Damrak in Amsterdam.’
Vledder zuchtte diep.
‘Hij sloeg niet door.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij sloeg niet door,’herhaalde hij gelaten. ‘Ik heb hem maar weer laten gaan. Ik zag geen andere mogelijkheid.’
Hij keek naar Vledder op.
‘Ik hoop dat je het dit keer met mij eens bent. Ik heb beslist mijn uiterste best gedaan om hem tot een bekentenis te brengen.’
‘Je was geweldig goed,’sprak Vledder bewonderend. ‘Echt waar. Ik heb met spanning geluisterd. Je bracht argumenten naar voren waaraan ik geen moment heb gedacht… ijdelheid en hoogmoed. Hoe kom je erop?’
De Cock schonk hem een matte glimlach.
‘Het is mij niet aan komen waaien. Ik heb in mijn lange loopbaan bij de recherche een paar moorden behandeld waarbij ijdelheid, hoogmoed en gekrenkte trots een grote rol speelden.’
‘Vandaar.’
De Cock knikte.
‘Je moet in dit vak,’sprak hij grinnikend, ‘oud worden om het goed te kunnen doen.’
Vledder boog zich iets naar voren.
‘Schrappen we Karel van Montfoort als mogelijke dader?’
De Cock schudde langzaam zijn hoofd.
‘Hij heeft mijn aanval goed doorstaan. Dat kan betekenen dat hij inderdaad onschuldig is, maar het kan ook betekenen dat hij gemener en doortrapter is dan wij vermoeden.’
Vledder maakte een droevige grimas.
‘Hij… eh, Karel van Montfoort,’sprak hij haperend, ‘is zo’n ideale dader… een man met een aardig begrijpelijk motief. Waarom roept die man niet gewoon: ja, ik was het. Dan waren we overal vanaf geweest.’
De Cock kon een glimlach niet onderdrukken.
‘In penozekringen kent men al sinds jaar en dag een oud gezegde: bekennen is hangen. Ik denk dat Karel van Montfoort niet wil hangen.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Hij strekte zijn hand naar de hoorn uit, maar Vledder was hem voor.
De oude rechercheur lette op het gezicht van zijn jonge collega. Er was alleen een licht spoor van verbazing. Toen Vledder de hoorn op het toestel teruglegde, keek De Cock hem vragend aan.
‘Wie was het?’
‘Een rechercheur van het bureau Remmerdenplein.’
‘En?’
‘Ze hebben Robert van Eijsden gearresteerd.’