6

De Cock steunde met zijn ellebogen op zijn bureau en legde zijn kin in het kommetje van zijn handen. In die berustende houding keek hij toe hoe de man vanaf de deur van de grote recherchekamer naar zijn bureau stapte.

Karel van Montfoort, zo constateerde hij, was inderdaad een boom van een vent. Zijn brede schouders leken uit zijn colbert te barsten.

Van een knap smoel kon de oude rechercheur niet veel ontdekken. De brede kin van de man stond iets scheef en de rug van zijn neus liep te ver door. Het flinterdunne vlashaar op zijn hoofd toonde diepe inhammen. De Cock ontdekte bij zichzelf dat het beoordelen van manlijk schoon niet tot zijn favoriete bezigheden behoorde.

Eerst toen de man naast zijn bureau stilhield, nam hij zijn ellebogen van zijn bureau en keek op.

‘Goedemiddag,’opende hij vriendelijk.

De man blikte op hem neer.

‘Bent u rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’Hij gebaarde voor zich uit. ‘En dat is mijn jeugdige collega Vledder. Wij hebben geen geheimen voor elkaar. U kunt vrijuit praten.’

De man aarzelde even. Daarna nam hij, zonder daartoe te zijn uitgenodigd, naast het bureau van De Cock plaats. De houten stoel kraakte onder zijn gewicht.

‘Ik ben Karel,’sprak hij met een bromtoon. ‘Karel van Montfoort. Ik heb begrepen dat u belangstelling voor mij hebt.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘Wat brengt u op die gedachte?’

Karel van Montfoort antwoordde niet direct. Hij keek van De Cock naar Vledder en terug.

‘Ze is toch hier geweest?’

‘Wie?’

‘Henriëtte… Henriëtte Vermeer.’

‘Wie heeft u dat verteld?’

De grote man zwaaide met zijn machtige rechterarm.

‘Zij, Henriëtte. Zij belde mij en zei dat ik uw komst kon verwachten.’

‘Inzake wat?’

Karel blikte wat nerveus om zich heen.

‘Jacqueline Verpoorten.’

De Cock vuurde zijn vragen in een snel tempo af.

‘Wat is er met Jacqueline Verpoorten?’

‘Henriëtte vertelde mij dat Jacqueline in haar woning op de Blauwburgwal was vermoord en dat u die zaak in onderzoek had.’

De Cock keek de man strak aan.

‘Wat heeft u met die moord te maken?’

Het gezicht van Karel kleurde.

‘Niets,’riep hij fel. ‘Helemaal niets.’

‘U had een relatie met haar.’

‘Ik heb met vele vrouwen een relatie gehad,’reageerde Karel verbeten. ‘Jacqueline was daar een van. Het is of de duivel ermee speelt… op een of andere manier kom ik steeds weer in contact met vrouwen die aan de zelfkant van het leven opereren.’

‘Uw eigen vrije keuze.’

‘Dat weet ik,’beaamde Karel. ‘Maar juist die vrouwen zijn zo wispelturig, zo onberekenbaar. Een tijdlang ben je alles voor hen, prijzen ze je de hemel in, is er geen betere vent op aarde. En plotseling laten ze je vallen als een baksteen.’

De Cock gniffelde.

‘Hun gedrag is u niet welgevallig?’

Karel haalde zijn schouders op.

‘Laten die vrouwen gewoon tegen je zeggen dat ze je niet meer willen. Oké, dan is het over. Maar ze pappen achter je rug om eerst een tijdje met een ander aan. Dat is voor een man, vind ik, heel vernederend.’

Hij grinnikte.

‘Vroeger kon ik dat niet verdragen. Ik heb ze wel eens een paar optaters verkocht. Daar ben ik ook een paar maal voor veroordeeld.’

Hij keek naar De Cock op.

‘Dat zult u inmiddels wel weten, neem ik aan.’

De oude rechercheur knikte.

‘Henriëtte Vermeer,’sprak hij ernstig, ‘is ervan overtuigd dat u Jacqueline Verpoorten heeft vermoord… gewurgd met een sjaal.’

‘Onzin… klinkklare onzin,’zei Karel hoofdschuddend. ‘Henriëtte Vermeer is een van de vrouwen die mij in het verleden hebben belazerd. Terwijl ik een relatie met haar had, legde ze het aan met een lullig bleek kereltje… een kind nog. Na een knallende ruzie zijn we uit elkaar gegaan. Sindsdien vertelt zij aan eenieder die het maar horen wil, dat ik zou hebben geprobeerd haar te wurgen.’

De Cock knikte bevestigend.

‘Dat heeft ze ons ook verteld. En haar verhaal klonk heel geloofwaardig.’

Karel produceerde een meelijwekkend lachje.

‘Ik had toch gedacht,’sprak hij schamper, ‘dat u als rechercheur een beter inzicht had. Henriëtte Vermeer is een fantaste. Ze leeft in een schijnwereldje. Niets is echt bij haar. Toen ze hoorde dat Jacqueline was vermoord, is haar fantasie weer eens op hol geslagen.’

‘En daarin kreeg u de rol van dader toebedeeld?’

‘Tijdens het telefoongesprek dat ik vanmiddag met haar voerde,’sprak Karel kalm, ‘beschuldigde Henriëtte mij van de moord op Jacqueline Verpoorten. Ik begreep dat zij die beschuldiging ook tegen u had uitgesproken. Daarom heb ik onmiddellijk een taxi gebeld en heb mij naar de Warmoesstraat laten rijden.’

‘Om de zaak recht te zetten?’

Karel van Montfoort schudde zijn hoofd.

‘Om u de waarheid te vertellen.’

Hij boog zich iets naar De Cock toe.

‘Zegt u het maar. Wilt u dat ik blijf?’

De Cock antwoordde niet direct. Na een paar seconden gleed er een glimlach om zijn lippen.

‘Ik beken u eerlijk, dat ik in mijn lange carrière als rechercheur nog nooit een verdachte heb ontmoet die mij deze vraag stelde.’Karel keek hem gespannen aan.

‘En uw antwoord?’

De Cock ontweek de vraag.

‘Hebt u,’vroeg hij uiterst vriendelijk, ‘enig idee in welke richting ik de moordenaar van Jacqueline Verpoorten zou moeten zoeken?’

Karel staarde enige tijd voor zich uit.

‘Jacqueline was nymfomaan… manziek. Ik had dat eerst niet door. Op het moment dat ik haar nymfomanie besefte, was ik niet kwaad meer om het feit dat zij mij voortdurend met anderen bedroog. Ik heb toen wel mijn relatie met haar verbroken.’

De Cock plukte aan zijn neus.

‘Ik zoek haar moordenaar dus niet bij u?’

‘Niet bij mij,’antwoordde Karel rustig, waarbij hij zijn hoofd langzaam schudde. ‘Ik heb haar niet vermoord. Diep in mijn hart houd ik nog van haar. Tegen beter weten in. Ik ben bang dat geen man ooit gelukkig met haar zal worden.’

‘Ook Robert van Eijsden niet?’

‘Dat is die kwal van een vent met wie zij de laatste keer omging,’zei Karel glimlachend.

‘Precies.’

Karel trok zijn brede schouders iets op.

‘Ik denk dat hij haar ziekte accepteert en daarvan profiteert.’

‘Mogelijk.’

Karel bracht zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Zal ik u eens een aanwijzing geven?’

‘Graag.’

Karel haalde diep adem.

‘In Drenthe, in het dorp waar Jacqueline vandaan komt, was ze geruime tijd verloofd met een zoon van een rijke boer. Ze heeft die jongen zo vaak en zo openlijk bedrogen, dat hij door iedereen voor dorpsgek werd uitgekreten. Omdat die jongen en ook zijn broers haar met de dood bedreigden, is ze naar Amsterdam gevlucht.’

‘Gevlucht?’

Karel knikte.

‘Ik ben nooit bij Jacqueline ingetrokken. Ik woonde en woon niet ver van Jacqueline vandaan in de Korsjespoortsteeg.’

Hij zweeg even.

‘Vorige week stond ze gillend bij mij thuis voor de deur. In paniek. Ze had die verloofde van haar uit Drenthe op de Blauwburgwal zien lopen.’


‘Je liet hem gaan. Je liet hem gewoon gaan.’

De Cock keek zijn jonge collega verwonderd aan.

‘Wat had ik dan moeten doen… hem een straatverbod opleggen, zodat mooie Karel niet meer in de omgeving van gevaarlijke callgirls en prostituees kan komen?’

Vledder gebaarde heftig.

‘Je weet best wat ik bedoel,’riep hij kwaad. ‘Karel van Montfoort is tot wurgen in staat. Dat bewijst het verhaal van Henriëtte Vermeer.’

‘Een fantaste.’

‘Dat zegt Karel.’

De Cock zuchtte.

‘Het is zijn opinie en hij kent Henriëtte Vermeer beter dan wij.’

Vledder snoof.

‘Karel van Montfoort probeert alleen haar verhaal te ontkrachten. En als ik jouw reactie peil, dan is dat hem aardig gelukt. Voor dat verhaal van hem over die Drentse boerenzoon geef ik ook geen stuiver.’

‘Dat is na te gaan,’sprak De Cock schouderophalend. ‘Een man die in zijn omgeving voor dorpsgek werd versleten, moet te achterhalen zijn.’

‘Geloof jij iets van dat verhaal?’

‘Ik wil eerst weten of ook Henriëtte Vermeer dat verhaal over die Drentse boerenzoon kent. Zij is kort nadat Jacqueline Verpoorten in Amsterdam arriveerde enige tijd vertrouwelijk met haar omgegaan. Wellicht heeft Jacqueline haar verteld waarom ze Drenthe was ontvlucht.’

‘En als Henriëtte Vermeer dat verhaal bevestigt?’

De Cock glimlachte.

‘Dan hebben we er nog een verdachte bij.’

De oude rechercheur stond op en slenterde naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

‘Waar ga je heen?’

De Cock trok een grijns.

‘Smalle Lowietje… mijn droge keel snakt naar het fluweel van een cognackie.’


De Cock en Vledder slenterden zij aan zij vanuit het politiebureau door de Warmoesstraat naar de Lange Niezel. Het was warm en drukkend. Na een reeks regenachtige dagen was in de middag plotseling de zon door de wolken geschoten. Fel en vurig, in volle glorie. Het was alsof ze in enkele uren haar achterstand van maanden wilde goedmaken.

De Cock bromde.

‘De zomer valt dit jaar op donderdag.’Vledder lachte.

‘En volgend jaar?’

De oude rechercheur antwoordde niet. Hij blikte verwonderd om zich heen. Het was ongewoon stil op de Wallen. Aanlokkelijk uitgedoste hoertjes zaten verveeld in hun zachtroze etalages. De al wat belegen prostituees hadden een breiwerkje op schoot en namen niet eens de moeite om de aandacht op zich te vestigen. Sommigen lazen een romannetje. De vraag was gering en het aanbod groot.

‘Het zal toch niet waar zijn,’riep De Cock vrolijk grinnikend. ‘Malaise in de prostitutie?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Het is nog te vroeg. De stroom behoeftigen moet nog op gang komen.’

De Cock liet het onderwerp rusten. Beleefd lichtte hij zijn hoedje voor bekende hoertjes, die vanachter hun ramen vrolijk naar hem wuifden.

Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg schoven de rechercheurs het etablissement van Smalle Lowietje binnen. Het was er intiem, schemerig en aangenaam koel.

Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in penozekringen steevast Smalle Lowietje genoemd, veegde zijn handjes langs zijn morsig vest en begroette de rechercheurs hartelijk. Zijn vriendelijk muizensmoeltje glom van pure genegenheid.

‘Een tijd niet gezien,’kirde hij. ‘Konden jullie de weg naar mijn etablissement nog vinden?’

De Cock knikte.

‘Met een blinddoek voor.’

Smalle Lowietje lachte.

‘Druk aan de kit?’

De Cock hees zich moeizaam op een kruk.

‘Misdaad,’sprak hij somber, ‘is in tijden niet zo lucratief, zo rendabel geweest als nu. Ergo kunnen wij het werk niet aan.’

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Zullen we samen van stiel veranderen en een misdadig lijntje opzetten? Met onze kennis van het metier kunnen wij het ver schoppen.’

Smalle Lowietje glimlachte.

‘Jullie hebben je gezicht niet mee.’Hij strekte zijn wijsvinger naar De Cock uit.

‘Hetzelfde recept?’

Zonder op antwoord te wachten dook hij aalglad onder de tapkast en kwam tevoorschijn met een fles verrukkelijke Franse cognac Napoleon, die hij met een gebaar van intense voldaanheid voor zich op de bar zette. Zijn vingertjes streelden de hals. ‘Ik zal voor jou vechten om ze in voorraad te houden.’

Zijn stem trilde van toewijding.

De Cock keek naar hem op.

‘Lowie,’sprak hij plechtig, ‘mijn hart trilt van ontroering.’

Met een reeks routinegebaren zette de caféhouder drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in.

De Cock keek ernaar en genoot. Hij vertoefde graag in het café van Smalle Lowietje, een man die hij om zijn deugden, maar misschien nog meer om zijn ondeugden, als zijn vriend beschouwde.

Toen de caféhouder zijn ceremonie had voltooid, nam de grijze speurder het bolle glas op en warmde de cognac schommelend in de kom van zijn hand. Met gesloten ogen snoof hij de prikkelende geur op en liet het gouden vocht met een expressie van opperste verrukking op zijn grof gezicht door zijn keel glijden. ‘Zoals ik het zie,’sprak hij vol pathos, ‘beleef ik als drager van het gezag bij jou, Lowie, de mooiste momenten van de dag.’

Lowietje glunderde.

‘De Warmoesstraat,’jubelde hij blij, ‘de Warmoesstraat heeft in jou een tweede Joost van den Vondel.’

De Cock lachte.

‘Joost had in de Warmoesstraat een kousenwinkel. Daar kun je mijn business niet mee vergelijken.’

‘Maar je dicht even statig.’

De Cock wuifde alle malligheid weg. Hij zette zijn glas neer en boog zich iets naar voren.

‘Ken jij Karel van Montfoort?’

Smalle Lowietje keek even om zich heen. De tengere caféhouder stond niet graag als verklikker te boek.

‘Mooie Karel.’

‘Noemt men hem zo?’

Smalle Lowietje maakte een grimas.

‘Ik weet niet wat vrouwen in hem zien, maar de meiden van de Wallen zijn mesjokke van hem. Als hij wil heeft hij er tien aan elke vinger.’

‘Zo erg?’

Smalle Lowietje knikte.

‘Ik weet niet hoeveel hij er al versleten heeft. Voor hem spookt het bij die meiden op de vliering. Ik heb ze hier aan de bar zien zwijmelen.’

‘Hoe staat hij bekend. Ik bedoel buiten zijn overdosis aan sex- appeal?’

Smalle Lowietje tuitte zijn lippen.

‘Niet slecht.’

‘Gewelddadig?’

Lowietje grijnsde.

‘Hij heeft wel eens een van die meiden een hengst verkocht, maar dan had ze het er ook wel naar gemaakt.’De tengere caféhouder keek naar hem op. ‘Zoek… eh, zoek je hem ergens voor?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Zijn naam wordt genoemd inzake een moord.’

‘Op een hoertje?’

‘Een callgirl.’

Smalle Lowietje trok een bedenkelijk gezicht.

‘Als ze hem flink hebben getreiterd…’Hij maakte zijn zin niet af. ‘Karel van Montfoort is zo sterk als een beer.’

De Cock wees naar zijn glas.

‘Schenk nog eens in, Lowie. En… eh, gooi hier en daar eens een visje voor me uit. Ik heb geen concrete bewijzen tegen Karel van Montfoort. Een vroegere vlam van hem tipt hem als dader.’

‘Henriëtte Vermeer?’

‘Hoe weet jij dat?’vroeg De Cock verrast.

Smalle Lowietje snoof.

‘Ik zou er niet te serieus op ingaan. Die meid heeft soms de kolder in haar kop.’

Smalle Lowietje nam de fles Napoleon opnieuw ter hand.

‘Ik zal eens kijken wat ik voor je kan doen.’

De Cock nam zijn glas op.

‘Wel eens gehoord van ene Robert van Eijsden?’

‘Een goor mannetje… is overal voor in,’sprak Lowietje met een vies gezicht.

‘Zoals?’

Smalle Lowietje antwoordde niet direct.

‘Er wordt gefluisterd,’sprak hij zacht, ‘dat je bij hem alles kunt bestellen.’

‘Alles?’

Smalle Lowietje knikte.

‘Voor een paar rooie ruggen…[5] zelfs een moord.’

De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.

‘Die hij zelf uitvoert?’

‘Ja.’

‘Huurmoordenaar?’

Smalle Lowietje knikte traag.

‘Robert van Eijsden, zo wordt gezegd, levert moord op bestelling.’

Загрузка...