14

Toen De Cock de volgende morgen na een lange verkwikkende nachtrust — hij lag om tien uur al in bed — de grote recherchekamer binnenstoof, trof hij Vledder tot zijn verbazing niet op zijn vertrouwde stek achter zijn computer.

Op het blad van zijn eigen bureau trof hij een briefje met de tekst:

Beste Jurrian,

Ik ben met Ben Kreuger van de dactyloscopische dienst naar de Brouwersgracht naar de woning van Marianne van Hoogwoud. Hij had mij nodig voor de sleutel. Kijk intussen de processen-verbaal na, die ik tot nu over de affaire van de callgirls heb opgemaakt. Als het kan ontwijk Buitendam. Hij liep vanmorgen rond met een gezicht van zeven dagen storm. En dat belooft niet veel goeds.

Dick

Op het moment dat commissaris Buitendam met een rood hoofd briesend op de grote recherchekamer verscheen, frommelde De Cock snel het briefje tot een prop en wierp het in de prullenbak.

De commissaris wenkte autoritair.

‘Kom mee,’gebood hij kortaf.

De Cock liep gedwee achter de commissaris aan naar zijn kamer. Buitendam nam daar achter zijn immens grote bureau plaats. Hij keek De Cock met een strak gezicht aan.

‘Jij blijft staan?’vroeg hij nors.

De Cock knikte traag.

‘Inderdaad, ik blijf staan. Als ik naar de uitdrukking op uw gezicht kijk, lijkt mij dat het beste.’

Buitendam negeerde de opmerking. Hij tikte met een kromme vinger op het mutatierapport voor zich op zijn bureau.

‘Alweer een moord op een jonge vrouw!’riep hij kwaad. ‘Dat is al de derde binnen enkele dagen. Hoeveel moorden moeten er nog volgen voordat jij in actie komt?’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Tot actie komt?’herhaalde hij niet-begrijpend.

Buitendam snoof.

‘Voor jij wat doet.’

De Cock reageerde onbewogen.

‘Geldt dit als een verwijt?’vroeg hij gelaten.

Buitendam knikte nadrukkelijk.

‘Meester Medhuizen, onze officier van justitie, heeft mij vanmorgen vragen gesteld… kritische vragen over de stand van het onderzoek.’

De Cock grijnsde.

‘Uiteraard,’sprak hij spottend, ‘hebt u toen geantwoord dat u de beste rechercheur van Amsterdam, Azië en omstreken, de zaak in behandeling had gegeven en dat daarmee de heer officier van justitie was verzekerd van de garantie dat de zaak snel zal worden geklaard.’

Buitendam snoof opnieuw.

‘Jij behoeft mij niet te zeggen,’brulde hij, ‘hoe ik een officier van justitie te woord dien te staan.’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Het was maar een suggestie… een vriendelijke aanwijzing hoe het zou kunnen. Ik heb vaak het idee dat tijdens uw onderhoud met leden van de justitie het venijn in uw teksten ver is te zoeken.’Commissaris Buitendam kwam uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag rood en zijn neusvleugels trilden. Hij strekte zijn arm naar de deur.

‘Eruit.’

De Cock ging.


Toen de grijze speurder in de grote recherchekamer terugkwam, zat Vledder alweer achter zijn computer. De jonge rechercheur monsterde het gezicht van De Cock.

‘Was het weer zover?’

De oude rechercheur knikte lachend.

‘Het was kort maar hevig.’

‘Ik heb je nog zo gewaarschuwd.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat moet je nooit meer doen met zo’n briefje. Als Buitendam het had gevonden…’Hij maakte zijn zin niet af.

‘Heb je vanmorgen nog contact gehad met de mensen van het Remmerdenplein?’

Vledder knikte.

‘De rechercheurs daar hebben naar mijn mening goed werk gedaan. Toen werd getipt dat Robert van Eijsden in Amsterdam was, hebben ze niet direct ingegrepen, maar hem eerst een tijdje gevolgd.’

‘Netjes,’zei De Cock met een glimlach. ‘Eerst toen ze de plek hadden ontdekt waar hij zich schuil hield, hebben ze hem gearresteerd. Op zijn schuilplaats hebben ze een heel arsenaal aan vuurwapens gevonden. Veelal revolvers van Amerikaanse makelij. De technische dienst is bezig te onderzoeken of een of meerdere van die wapens bij recente liquidatiemoorden is of zijn gebruikt. Men denkt daarbij onder meer ook aan de moord op Leonidas ter Abbestede.’

De Cock knikte.

‘De poging tot liquidatie, die wij aanvankelijk in onderzoek hadden.’

‘Precies.’

‘Wanneer mogen wij Robert van Eijsden verhoren?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Wanneer wij maar willen.’

De Cock glimlachte.

‘Hoe coulant.’

Vledder knikte.

‘Dat waren ze.

De Cock leunde in zijn stoel achterover.

‘Leverde het onderzoek van Ben Kreuger aan de Brouwersgracht nog iets op?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat was niet de schuld van Ben Kreuger. Marianne van Hoogwoud was geen proper meisje. En dan druk ik mij nog vriendelijk uit. Alles bij haar in huis was vies en vettig. De dactyloscoop kwastte met zijn aluminiumpoeder alleen maar grote grijze vlekken.’

‘Geen vingerafdrukken?’

‘Nee.’

‘Jammer.’

Vledder trok een ernstig gezicht.

‘En dan nog iets. Ik heb in haar papieren gesnuffeld. Ook haar secretaire was een grote bende. Er viel geen lijn in te ontdekken.’De jonge rechercheur tastte in een binnenzak van zijn colbert, nam daaruit een stapeltje bescheiden en zwaaide die in de richting van De Cock. De papieren dwarrelden voor hem op zijn bureau.

‘Wat zijn dat?’

‘Loten… loten van de staatsloterij. Marianne van Hoogwoud bewaarde ze allemaal. Ik heb ze per data op volgorde gelegd. Daarna heb ik mij in verbinding gesteld met een kantoor van de staatsloterij.’

De Cock glunderde. ‘Heel goed.’

‘Ik heb de trekkingslijsten van de afgelopen jaren opgevraagd en die vergeleken met de loten die ik in haar secretaire had gevonden.’

De Cock keek hem gespannen aan. ‘En?’

‘Op de loten van Marianne van Hoogwoud is nooit een prijs van enige omvang gevallen.’


‘Heb jij vanmiddag weer een sectie?’

Vledder schonk De Cock een droevige grijns.

‘Op het lijk van Marianne van Hoogwoud,’antwoordde hij somber. Ik hoop dat dokter Rusteloos vanmiddag weer in zijn oude doen is.’

‘Je bedoelt dat hij weer snel en efficiënt werkt?’

Vledder knikte.

‘Ik val anders in slaap bij zo’n routineklus.’

De Cock glimlachte.

‘Breng mij voor je naar Westgaarde gaat even naar het bureau Remmerdenplein, dan verhoor ik daar intussen Robert van Eijsden.’

De oude rechercheur zweeg even.

‘Of ben jij daar liever bij?

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Jij kan het alleen wel af. Bovendien verwacht ik van dat verhoor niet veel.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Waarom niet? Robert van Eijsden is kort voor de moord op Jacqueline van het toneel verdwenen. Wij hebben hem van die moord verdacht. Eerst toen die twee andere moorden volgden en Robert van Eijsden onvindbaar bleef, verflauwde onze belangstelling voor hem.’

‘Terecht. Iemand die met vreugde een revolver trekt, pleegt in de regel geen wurgmoord.’

De Cock lachte.

‘Ik geloof, Dick,’sprak hij opgewekt, ‘dat je er zo langzamerhand iets van begint te begrijpen.’


De Cock keek de man voor zich onderzoekend aan. Hij begreep waarom Geertruida de Groot vond dat hij een smerig ponem had. Het uiterlijk van Robert van Eijsden straalde inderdaad weinig sympathie uit. Zijn neus was te smal en zijn ogen gingen bijna schuil onder hoog oplopende jukbeenderen. Het was onbegrijpelijk dat de knappe Jacqueline Verpoorten kritiekloos aan zijn hand had gelopen.

De Cock toverde een glimlach op zijn gezicht.

‘Hoe sta je ervoor?’vroeg hij vriendelijk.

Robert van Eijsden schudde zijn hoofd.

‘Slecht, gewoon slecht. Ik heb een paar beginnersfouten gemaakt. In mijn vak moet je het wapen dat je bij een opdracht hebt gebruikt, onmiddellijk laten verdwijnen.’

De Cock keek de man verwonderd aan.

‘Dat heb je niet gedaan?’

Robert grijnsde.

‘Ik ben gek op revolvers. Dat had ik al toen ik als jochie in de bioscoop mijn eerste cowboyfilms zag. Ik kan het gewoon niet over mijn hart verkrijgen om zo’n mooi wapen zomaar weg te gooien.’’Dat breekt je nu op?’

Robert knikte traag.

‘Dat lijkt erop.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

‘Jacqueline is dood,’sprak hij met een trieste klank in zijn stem. Robert van Eijsden knikte.

‘Ik vond haar toen ik thuiskwam… een roze sjaal om haar nek.’

‘En toen?’

‘Met mijn reputatie moet je niet bij een vermoorde griet blijven zitten wachten op de komst van de politie. Dat is vragen om moeilijkheden. Ik ben weggegaan en heb anoniem de Warmoesstraat gebeld.’

‘Waarom?’

Van Eijsden trok zijn schouders op.

‘Ik wilde niet dat zij daar dagen dood zou blijven liggen terwijl er niemand naar haar omkeek. Ze was een goeie meid… nooit te beroerd om iets voor je te doen.’

‘Jullie pleegden samen berovingen.’

Robert knikte. ‘Jacqueline gaf mij de adressen waar ze als callgirl haar werk had gedaan. Dan ging ik kijken of ik er brood in zag.’

De Cock knikte begrijpend.

‘En als je er brood in zag, dan gingen jullie er samen heen.’

Robert glimlachte.

‘Voor haar gingen alle deuren open.’

‘Heb je die adressen nog?’

‘Wat bedoel je?’

‘De adressen die Jacqueline jou gaf… adressen waar zij als callgirl had geopereerd.’

Robert knikte.

‘Die heb ik.’

‘Ook de adressen waar jij niet direct brood in zag?’

‘Ook die.’

‘Kan ik ze van je hebben?’

‘Waarvoor?’

‘Om de moordenaar van Jacqueline te ontmaskeren.’

Robert van Eijsden keek hem aan. Plotseling ontdekte De Cock in zijn gezicht een milde expressie, een verborgen warmte, die even straalde.

‘De Cock,’sprak hij gevoelig, ‘als jij haar moordenaar vindt, heb je mijn zegen. De adressen van Jacqueline staan in mijn notitieboekje. Dat ligt bij mijn fouillering.’[10]


De koele, stipte wachtcommandant van het politiebureau aan het Remmerdenplein bleek niet bereid om het notitieboekje aan De Cock mee te geven. Na het verhaal van de oude rechercheur te hebben aangehoord, ging hij naar de cel waar Robert van Eijsden was ingesloten, en vroeg om opheldering. Toen hij van het cellenhuis terugkwam, overhandigde hij De Cock het beduimelde boekje.

‘U mag het inzien, sprak hij streng. ‘Als er iets van belang voor u instaat, dan kunt u boven bij de administratie afdrukken maken van de betreffende pagina’s. Het boekje komt echter het bureau niet uit. Als u met uw onderzoek klaar bent, gaat het terug in zijn fouillering. Als zo’n belangrijk bewijsstuk verdwijnt, krijg ik het op mijn boterham.’

De Cock lachte.

‘Je hebt gelijk.’

De oude rechercheur nam het boekje mee naar een leeg bureau, ging zitten en nam het aandachtig door. Hij las namen van bekende politici en artiesten. Hij ging er achteloos aan voorbij. Dat interesseerde hem niet.

Ineens steeg het bloed hem naar het hoofd. In stuntelig schoolschrift las hij de naam en het adres van een man die hij in zijn onderzoek was tegengekomen.

Het verbaasde en intrigeerde hem. In een soort wilde galop rende hij naar de administratie en maakte een paar afdrukken van de betreffende pagina. Daarna ging hij terug naar de wachtcommandant. De man keek hem vanachter de balie vragend aan.

‘En? Wat gevonden?’

De Cock drukte provisorisch een kus op het boekje en gaf het aan de wachtcommandant terug.

‘Een geschenk van de hemel!’

Загрузка...