3

Kort voor middernacht verlieten de rechercheurs het huis van Eugène van Kralingen. Het was stil op de Prinsengracht. Het regende nog steeds. Miezerig. De fijne motregen dempte het rumoer van de binnenstad. Het geluid van trams leek ver weg.

Ze slenterden naar hun Golf, die Vledder aan de walkant tussen de bomen had geparkeerd. Er scharrelde een enkele rat. Ze stapten zwijgend in en reden weg.

De Cock besloot de magie van de zwiepende ruitenwissers ditmaal te trotseren. Hij zat rechtop naast Vledder en schoof zijn oude hoedje ver naar achteren.

Trek jij morgen het alibi van Eugène van Kralingen na. De vriend die hij zegt te hebben bezocht, zal dat mogelijk kunnen bevestigen.’

‘Ik zal die man vragen of hij morgen bij ons aan de Warmoesstraat wil komen voor het afleggen van een korte verklaring. We moeten weten hoe laat Eugène bij hem kwam en zo exact mogelijk het tijdstip waarop hij vertrok.’

‘Precies.’

Vledder keek strak voor zich uit.

‘De dood van Leonidas ter Abbestede heeft hem diep geschokt. Eugène was er beslist kapot van. Ik vond zijn uitingen van verdriet oprecht. Het was in mijn ogen geen theater.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘We hebben hem even bijgestaan in zijn verdriet,’sprak hij gelaten. ‘En zo goed mogelijk gepoogd om hem te troosten. Veel meer kan men toch niet van ons verwachten. We kunnen moeilijk de hele nacht bij hem blijven om zijn handje vast te houden. Eugène van Kralingen moet maar iemand uit zijn kennissenkring benaderen.’

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Is die Ter Abbestede toch aan de gevolgen van zijn schotwonden overleden? Ik had het idee dat hij er redelijk goed vanaf was gekomen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Leonidas ter Abbestede stierf niet aan zijn verwondingen. Hij werd vermoord.’

De mededeling schokte Vledder zo intens, dat hij bijna de macht over het stuur verloor.

‘Vermoord?’riep hij geschrokken.

De Cock knikte traag.

‘Iemand vuurde van dichtbij een aantal dodelijke schoten op hem af. Er werd vermoedelijk gebruikgemaakt van een pistool met geluiddemper.’

‘In het amc?’

De Cock knikte opnieuw.

‘In de intensive care. De opgewonden en wat nerveuze arts die ik aan de telefoon had, vermoedde dat de dader heel onopvallend als een echte verpleger was gekleed en zo de intensive care kon binnenstappen. Voorzover de arts kon nagaan heeft geen enkel lid van zijn staf van de daad iets gemerkt… niemand heeft iets gezien… niemand heeft schoten gehoord. Men vond zijn lijk toen een nieuwe hartpatiënt op de intensive care werd binnengebracht.’

‘Hoe is het mogelijk,’riep Vledder verbijsterd. ‘In een ziekenhuis denk je toch veilig te zijn.’

De Cock staarde somber voor zich uit.

‘Ik was er al bang voor. Een of andere machtige groepering heeft het gevaar van de verbeterde stirlingmotor ingezien en adequaat gereageerd.’

‘Men is er verrekt snel achter gekomen,’verzuchtte Vledder, ‘dat de eerste aanslag mislukte en dat Ter Abbestede in het amc was opgenomen.’

De jonge rechercheur blikte opzij.

‘Gaan we erheen?’

‘Naar het amc?’

‘Ja.’

‘Om wat te doen?’

‘Een onderzoek instellen… het lijk in beslag nemen voor een gerechtelijke sectie.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Daar begin ik niet aan… op eigen houtje. We gaan naar de kit en bellen commissaris Buitendam uit zijn bed.’

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Waarom?’

‘De aanslag gebeurde weliswaar in ons district, maar de feitelijke moord werd in het amc gepleegd. En het amc ligt ver buiten onze grenzen. Dat behoort bij Zuidoost, bureau Remmerdenplein.’

‘Dat klopt.’

‘Buitendam moet maar beslissen wie de moord op Leonidas ter Abbestede gaat behandelen, wij of onze collega’s van bureau Remmerdenplein.’

Vledder grinnikte.

‘Laten we hopen dat Buitendam ditmaal een verstandig besluit neemt.’

De Cock blikte opzij.

‘En ons de zaak uit handen neemt?’

Vledder bromde wat, maar reageerde verder niet. De jonge rechercheur parkeerde de Golf op de gladde houten steiger achter het politiebureau. Ze stapten uit en sloften via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat.

Toen ze de hal van het politiebureau binnenkwamen wuifde Jan Kusters ter begroeting, maar bleef rustig achter de balie zitten.

De Cock liep op hem toe.

‘Heb je geen alarmerende berichten voor ons?’vroeg hij met verwondering in zijn stem. ‘Meestal sta je direct met een lijk te zwaaien.’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

‘Het is vrij kalm vanavond.’

De Cock liep om de balie heen.

‘Geef mij het telefoonnummer van Buitendam.’

Jan Kusters keek hem verwonderd aan.

‘Wil je hem nu bellen… op dit uur?’

De Cock knikte.

‘De man die een aanslag aan de Prinsengracht overleefde, is vanavond in het amc op de intensive care doodgeschoten.’

‘Allemachtig.’

De Cock wees naar de telefoon.

‘Commissaris Buitendam moet nu maar beslissen wie de zaak behandelt. Ik kan er niet mee wachten tot morgenochtend. Dan gaan kostbare uren verloren.’

De wachtcommandant schoof hem een molentje met telefoonnummers toe.

De Cock zocht even en draaide het nummer. Het duurde vrij lang voor hij een slaperige en knorrige commissaris Buitendam aan de lijn had. De oude rechercheur wachtte geduldig tot de man niet meer mopperde en gaf toen een gedetailleerde uiteenzetting van zijn probleem. Na luttele minuten legde hij de hoorn op het toestel terug.

Vledder keek hem vragend aan.

‘En?’

De Cock plukte aan zijn neus en grinnikte.

‘De behandeling van de moord gaat naar het district waarin het amc ligt. Dat vond hij een juiste gang van zaken. We moeten wel al onze bevindingen inzake de aanslag op Leonidas ter Abbestede in een proces-verbaal verwerken.’

‘Een pak van mijn hart,’verzuchtte Vledder. ‘Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik zag echt geen gat in die moord en het daaraan verbonden eeuwenoude drama van jouw stirlingmotor.’

‘Stirling is mijn motor niet,’gniffelde De Cock. ‘Ik vind de perikelen rond die motor gewoon interessant.’

De oude rechercheur trok een ernstig gezicht.

‘Ik ben ook blij dat wij van die zaak verlost zijn. Onze middelen en bevoegdheden zijn te gering om zo’n affaire te behandelen. Het is overigens meer een zaak voor de bvd.[1] Die hebben meer mogelijkheden.’

‘Wanneer wil je dat proces-verbaal van bevindingen maken?’

De Cock wees omhoog.

‘Boven, nu direct. Dan brengen we het vannacht nog naar het Remmerdenplein.’Hij maakte een grimas. ‘Voordat iemand zich bedenkt en de beslissing van Buitendam terugdraait.’

In de grote recherchekamer werkten ze samen een paar uur gestaag door. De rappe vingers van Vledder dansten over het toetsenbord van zijn computer. De Cock bekeek de prints en gaf aan waar hij nog een kleine uitbreiding in de tekst wilde. De oude rechercheur probeerde zich ook zo exact mogelijk te herinneren wat Leonidas ter Abbestede hem tijdens het korte verhoor in het amc had gezegd. Het was, zo besefte hij pijnlijk, te weinig voor een aanwijzing in de richting van de dader.

Vledder keek naar hem op.

‘Wat denk je? Trek ik morgen nog dat alibi van Eugène van Kralingen na?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Nu wij van die ellendige zaak zijn verlost, hoeft dat niet meer. Wij hebben alles wat Eugène van Kralingen als zijn alibi aanvoert in ons proces-verbaal opgenomen. Onze collega’s moeten maar beslissen wat ze ermee willen. Ik neem morgen wel even contact met hen op.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich ver over zijn computer, nam de hoorn op en luisterde.

De Cock zag hoe het gezicht van zijn jonge collega verbleekte.

Zonder iets te zeggen legde Vledder de hoorn op het toestel terug.

‘Wie was dat?’vroeg De Cock.

‘De wachtcommandant.’

‘Wat had hij?’

Vledder slikte.

‘In haar woning op de tweede etage aan de Blauwburgwal 113 ligt een dode vrouw.’

‘Vermoord?’

Vledder knikte traag.

‘Gewurgd met een sjaal.’


De Cock wierp hun proces-verbaal van bevindingen op het bureau van de wachtcommandant.

‘Laat dat straks even naar het Remmerdenplein brengen. Wij gaan naar de Blauwburgwal.’Hij zweeg even. ‘Van wie kwam de melding van die moord?’’Een man.’’Heb je zijn naam?’

Jan Kusters schudde zijn hoofd.

‘De man zei heel koel: in-haar-woning-op-de-tweede-etage- van-Blauwburgwal-nummer-honderd-dertien-ligt-een-dode- vrouw… Toen brak hij af. Hij gaf mij geen gelegenheid om naar zijn naam te vragen.’

‘Vreemd.’

De wachtcommandant knikte.

‘Ik heb er een surveillancewagen heen gestuurd. De jongens gaven net door dat er in die woning inderdaad een dode vrouw ligt, vermoord, gewurgd met een sjaal. Ze vroegen om de recherche.’


Op de Blauwburgwal bracht Vledder hun Golf pal achter de surveillancewagen met zwaailicht tot stilstand.

Een jonge agent liep op De Cock toe. Hij tikte met zijn wijsvinger tegen de rand van zijn pet.

‘Mijn collega is boven bij het lijk. Ik heb net de meute voor u gewaarschuwd.’

‘Ben jij ook boven geweest?’

‘Ja.’

‘Hoe zijn jullie binnengekomen?’

De jonge agent wees naar de toegangsdeur van perceel Blauwburgwal 113.

‘Die stond helemaal open en ook de deur van de woning op de tweede etage stond open. Het leek net alsof iemand in grote haast uit de woning was gevlucht. We konden zonder haperen naar binnen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Bedankt.’

Hij liep aan de jonge agent voorbij naar de deur. Na een klein portaal hees de oude rechercheur zijn negentig kilo puffend langs de trap omhoog. De houten treden kraakten onder zijn gewicht. Vledder volgde hem met lichte tred.

Boven, op de tweede etage, wachtte hij even tot zijn ademhaling weer wat op peil was en bekeek daarna de open toegangsdeur, die naar de keuken leidde. Er waren geen sporen van braak of verbreking.

Tegen de deurpost leunde een agent. De Cock herkende Jan Peekel, een al wat oudere diender.

‘Waar ligt ze?’

Jan Peekel duimde over zijn schouder.

‘In de woonkamer, op de vloer voor de bank. Het is zo te zien een knap wijfie.’Hij stapte opzij en liet De Cock en Vledder aan hem voorbijgaan.

De oude rechercheur bleef in de deuropening van de woonkamer staan en overzag de situatie. Er was geen wanorde… niets dat op een worsteling wees. Hij draaide zich even om naar Jan Peekel.

‘Brandde het licht toen jullie kwamen?’

De diender knikte.

‘We hebben aan de situatie niets veranderd. Ik heb mijn handen in mijn zakken gehouden om niets aan te raken.’

De Cock glimlachte.

‘Heel braaf.’

Hij stapte de woonkamer binnen. Voor een brede driezitsbank lag op een wit hoogpolig tapijt het lichaam van een jonge vrouw. Haar wijd opengesperde ogen staarden naar de zoldering.

Als een waaier lag om haar hoofd een weelde van zacht golvend kastanjebruin haar. Om haar hals, diep in het vlees gesnoerd, zat een roze sjaal. Haar voeten, in lichtgroene pantoffeltjes, lagen ongeveer een halve meter uit elkaar.

De oude rechercheur knielde bij haar neer en drukte de rug van zijn hand tegen haar wang. Die voelde nog warm aan. Hij bekeek haar regelmatig gevormd gelaat. Jan Peekel had gelijk. Ze was zo te zien een knap wijfie.

De Cock bezag het witzijden nachthemd dat ze droeg. Het reikte tot haar enkels. Hij tilde het hemd aan de zoom omhoog en bekeek haar slipje. Er was niets dat op een zedendelict duidde. Voorzichtig trok hij het nachthemd weer naar beneden. Toen hij overeind kwam kraakten zijn knieën.

Hij keek opzij naar Vledder.

‘Wat zegt jou die sjaal?’

‘Bedoel je die insnoeringen?’

‘Ook.’

Vledder dacht even na.

‘De dader is een krachtig persoon,’concludeerde hij, ‘vermoedelijk een kop groter dan zij. De strangulatie loopt schuin omhoog in de richting van haar oren.’

‘Verder?’

‘Hij of zij heeft haar van achteren benaderd.’

De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.

‘Heel goed. De uiteinden van de sjaal liggen inderdaad onder haar rug.’

Bram van Wielingen kwam de kamer binnen. Hij zette zijn aluminium koffertje op het ronde tafeltje voor de bank en keek De Cock kwaad aan.

‘Ben je weer aan het nachtbraken,’siste hij. ‘Gun je mij niets? Ik lag net te dromen van een zonnige vakantie aan de Méditerranée.’

De Cock lachte.

‘Als je hier je werk hebt gedaan,’reageerde hij rustig, ‘mag je straks weer verder dromen.’Hij zweeg even. ‘Krijg ik vannacht nog een dactyloscoop?’

Bram van Wielingen monteerde een flitser op zijn fraaie Hasselblad en knikte.

‘Ben Kreuger wordt voor je opgehaald.’De Cock draaide zich om. In de deuropening ontdekte hij dokter Den Koninghe. Achter hem stonden twee broeders van de Geneeskundige Dienst met een brancard. Ze torenden hoog boven de kleine lijkschouwer uit.

Terwijl achter hem Bram van Wielingen in een snel tempo flitste, liep De Cock op Den Koninghe toe en schudde hem hartelijk de hand. Hij had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed. Zelfs in de regen verscheen hij in dit tenue. Zonder regenjas.

‘Hoe maakt u het?’vroeg De Cock belangstellend.

Dokter Den Koninghe keek even naar hem op.

‘Mijn oude botten,’sprak hij met een krakende stem, ‘vertellen mij al jaren dat ik aan de vut toe ben, maar mijn werkgever, de Gemeente Amsterdam, wil niet naar het geluid van mijn botten luisteren.’

De Cock lachte.

‘De Amsterdamse stedenmaagd,’stelde hij, ‘is een hardvochtige vrouw.’

Dokter Den Koninghe reageerde niet. Hij hurkte bij het lijk neer. Het kraken van zijn stramme knieën was duidelijk hoorbaar. Hij voelde aan de kaak van de dode vrouw. Daarna schoof hij met duim en wijsvinger haar oogleden toe. Na een korte inspectie van de insnoeringen aan haar hals, kwam hij overeind.

Met precieze gebaren nam hij zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen. Daarna zette hij zijn ziekenhuisbrilletje weer op en duwde zijn pochet terug in het borstzakje. Het was een reeks gewoontegebaren die De Cock berustend gadesloeg.

‘Ze is dood,’sprak de oude lijkschouwer laconiek.

De Cock grinnikte.

‘Die overtuiging had ik al.’

‘De dood trad niet zo lang geleden in. Ik schat iets meer dan een uur.’

Dokter Den Koninghe draaide zich om, wuifde tot afscheid en verliet het kamertje.

Bram van Wielingen borg zijn Hasselblad terug in zijn aluminium koffertje.

‘Morgen heb je de prenten op je bureau.’Hij pakte zijn koffertje op en liep zonder te groeten weg.

‘Doe ze straks de groeten van mij aan de zonnige Méditerranée,’riep De Cock hem spottend na.

Bram van Wielingen reageerde niet. Hij keek niet eens naar Ben Kreuger, die langs hem heen de kamer binnenkwam. De dactyloscoop gaf De Cock een hand.

‘Ik hoop dat ik dit keer iets voor je kan doen. Wat is er gebeurd?’

De Cock gebaarde naar de dode vrouw op de vloer.

‘Gewurgd.’

Ben Kreuger boog zich iets naar voren.

‘Is ze al weer vrij!’riep hij verrast.

De Cock reageerde verward.

‘Wat bedoel je?’

Ben Kreuger wees naar het slachtoffer.

‘Dat is Jacqueline Verpoorten. Een paar dagen geleden heb ik nog vingerafdrukken van haar genomen.’

‘Vingerafdrukken?’

Ben Kreuger knikte.

‘Ze was gearresteerd door de recherche van het bureau Remmerdenplein.’

‘Waarvoor?’

‘Beroving.’

Загрузка...