Hoofdstuk 10

‘Ik wist niet dat jij zo’n innig contact onderhield met die… hoeren.’

Ondanks dat haar stem bijzonder verwijtend klonk, moest Peter van Opperdoes lachen. ‘Hoeren?’

‘Je weet precies wie ik bedoel, Peter van Opperdoes!’

Nu moest hij nog harder lachen. Als zijn vrouw oprecht boos was, sprak ze hem altijd met zijn volledige naam aan.

‘Je bent jaloers,’ constateerde hij vrolijk.

‘Mag ik? Het is niet iedere dag dat je ziet dat je man het aanbod krijgt om even langs te komen bij een dame van lichte zeden.’

Peter van Opperdoes scharrelde heen en weer in de keuken van zijn woning. Hij had water opgezet voor een kop thee en opende de kleine koelkast. Misnoegd keek hij rond en opende de groentelades. ‘Er is niet veel meer in huis…’

‘Je moet eens wat vaker boodschappen doen in plaats van steeds op die Wallen rond te struinen. Waarom was trouwens je collega niet mee?’

‘Omdat ze vrijer praten als je alleen bent… dat snap jij toch ook wel?’

Zijn vrouw zweeg even.

‘Gaat het lukken, met Kanjer?’

‘Ik heb geen idee. Ik weet alleen dat ik in deze zaak wel een beetje geluk kan gebruiken. Of toeval, misschien.’

‘Geluk moet je afdwingen, dat weet je.’

Peter van Opperdoes pakte twee eieren uit de koelkast en een papieren zakje met ham. Hij ontstak het vuur onder een pan, smolt roomboter en legde in de pan vier plakjes ham, die hij bedekte met de eieren.

‘Eet toch gezond… dit is zo slecht.’

‘Maar wel lekker. Ik neem toch vitaminepillen?’ antwoordde hij.

‘Ach ja… misschien moet ik ook niet zo zeuren. Ik heb alleen het idee dat ik nog een beetje op je moet passen.’

Peter van Opperdoes keek naar het plafond. ‘Ik vind het niet erg. Blijf maar lekker op me passen.’

Hij liet de uitsmijter uit de pan glijden op twee verse witte boterhammen en nam het bord mee naar de woonkamer.

‘Zeg… over die twee moorden…’

‘Wat is daarmee?’ antwoordde hij met volle mond.

‘Wordt het niet eens tijd dat je gaat nadenken?’

‘Nadenken? Wat bedoel je?’

‘Precies wat ik zeg. Nadenken. Een moord wordt zelden zonder een goede reden gepleegd. Althans… een goede reden voor de dader, bedoel ik dan.’

‘Het motief, bedoel je.’

‘Precies, het motief. Moet jij niet eens nadenken over een motief?’

Peter van Opperdoes kauwde bedachtzaam op een hapje uitsmijter. ‘Ik?’

‘Ja, jij, ja… Wie heeft er baat bij om niet alleen die arme meid te vermoorden, maar ook haar pooier? Ga jij dáár nou maar eens over nadenken.’ Het klonk niet als een verwijt, eerder als vrolijke aansporing.

‘En ga nou de deur maar opendoen,’ vervolgde ze. Het werd stil en twee seconden later klonk de voordeurbel.

Peter van Opperdoes stak het laatste hapje in zijn mond en sjokte naar de voordeur. Tot zijn verbazing ontwaarde hij het silhouet van Jacob door het glas. Hij deed open en keek verwonderd links en rechts langs Jacob — in de veronderstelling dat Jacob hem kwam ophalen — of hij misschien een recherchewagen zag staan. Die stond er niet.

Jacob leek zich niet heel erg op zijn gemak te voelen. Peter van Opperdoes keek hem aan, kauwde bedachtzaam zijn laatste stukje weg en slikte het door. ‘Wat kom jij doen?’

‘Ik… eh… ik was in de buurt en ik dacht… kom, ik ga even langs bij je. Maar je hebt gasten en je bent aan het eten, hoor ik.’

‘Hoorde je dat?’

Jacob grijnsde. ‘Je smakt nogal hard.’

Peter van Opperdoes keek Jacob onderzoekend aan. Jacob was niet gek, dat wist hij ook wel. Hij zuchtte. ‘Kom binnen.’


Binnen keek Jacob om zich heen. Niemand, zoals hij al verwachtte. Zijn maat, de oude collega, was alleen thuis en voerde hele gesprekken — in zichzelf. Net zoals hij op het bureau had gedaan. Toch zag de woning er niet verwaarloosd uit en zweefde de geur van een versgebakken maaltijd door de kamers.

Peter van Opperdoes zakte in de stoel voor het raam en wuifde naar de bank waar Jacob op kon zitten. Toen Jacob eenmaal zat, keek hij om zich heen. Typisch Amsterdams, zag hij, maar niet overdreven. Een stapeltje cd’s naast een opvallend moderne cd-speler en versterker. Nu vielen hem ook de speakers op die in de kamer stonden. Niet twee kleine, bescheiden boxjes, zoals je wellicht bij iemand van de leeftijd van zijn oude collega zou verwachten, maar grote joekels van speakers. Peter van Opperdoes was een muziekliefhebber, dat was wel duidelijk. Jacob keek langzaam en belangstellend verder, mild gadegeslagen door zijn collega in de comfortabele leren stoel.

Een Perzisch kleedje over de tafel, een mooie hangklok aan de muur. Naast de klok een foto van een vrouw, van ongeveer dezelfde leeftijd als Peter van Opperdoes, met een bijzonder vriendelijke oogopslag. Daar zat geen kwaad bij, dat zag je vanaf de foto al.

‘Is… was dat je vrouw?’

Jacob had geen antwoord nodig, de glimlach vol liefde en warm sentiment die langzaam over het gezicht van de oude rechercheur trok, zei hem genoeg. Jacob moest even slikken en verborg dat met een bescheiden kuchje.

Peter van Opperdoes keek hem aan. ‘Ik heb hier vandaag niet zo’n zin in, vind je dat heel erg?’ Zijn stem klonk zacht en Jacob wist zich niet goed raad. Hij was met de beste bedoelingen hier gekomen, maar vroeg zich nu af of hij misschien geen grote vergissing had gemaakt.

En toch… toch was hij hier met een doel en kon hij niet weggaan voor hij dat doel bereikt had. ‘Ik snap dat zo’n verlies verschrikkelijk is en dat je daardoor… hoe zal ik het zeggen… van slag bent.’

Maar zijn oude collega was een ervaren rot in het vak en Jacob was geen bijster goede toneelspeler. Misschien wel tegenover een verdachte in een verhoor, maar op dit moment keek Peter van Opperdoes dwars door hem heen.

‘Denk je misschien dat ik gek geworden ben?’

Jacob reageerde verschrikt. ‘Wat bedoel je?’

‘Precies wat ik zeg.’

Peter van Opperdoes keek Jacob aan, maar er school geen woede in zijn blik. Eerder een vriendelijke berusting. Hij wist dat Jacob hem had horen praten met zijn vrouw — of in ieder geval dat hij in zichzelf zat te praten. En misschien was dit niet de eerste keer dat Jacob hem met zijn vrouw in gesprek had gehoord. Hij kon zich herinneren dat hij op het bureau ook had zitten praten. En nu was Jacob hier en hij maakte zich duidelijk zorgen. Wat zou hij moeten doen? De waarheid vertellen?

Peter van Opperdoes zuchtte diep. ‘Wat wil je horen? Dat ik gek ben? Waarschijnlijk wel. Mensen zeggen wel eens dat je gek van verdriet kan zijn. Ik voel dat niet echt zo… ik voel me niet gek… ik mis mijn lieve vrouw alleen zo ontzettend. En ja, ik geef toe… af en toe praat ik met haar… en dan voelt het even alsof ze er nog is.’ Hij haalde verdrietig zijn schouders op.

Jacob leunde naar voren. ‘Geeft ze ook antwoord?’

Peter van Opperdoes plukte aan zijn neus. ‘Zou ik anders een heel gesprek met haar voeren? Wat zeg ik nou net: ik ben toch niet gek? Natuurlijk geeft ze antwoord.’

Jacob ging weer achterover zitten. Er schoten duizend gedachten door zijn hoofd.

Peter van Opperdoes vervolgde: ‘Als je werkelijk denkt dat ik geestelijk in de war ben, of het allemaal niet meer aankan, dan moet je maar met iemand anders gaan werken. Of ik vraag weer overplaatsing naar een andere rechercheafdeling aan. Misschien blijf ik wel gewoon thuis. Daar heeft waarschijnlijk niemand bezwaar tegen het feit dat ik af en toe wat voor me uit zit te mompelen.’

Jacob weifelde, zocht naar de juiste woorden. Na lang aarzelen nam hij een besluit en begon hij te praten.

‘Als jij de kans hebt om nog met je vrouw te praten, dan moet je dat doen. Wie ben ik om daar iets van te vinden? Laat staan om het te veroordelen?’

Nu was het de beurt van de oude rechercheur om Jacob onderzoekend aan te kijken. ‘Je gelooft me?’

‘Je zegt dat ze tegen je praat, dan ga ik daarvan uit. Ik merkte ook wel dat je met iemand zat te praten… dus geloof ik ook dat je antwoord kreeg.’

‘Dank je. Je bent trouwens de eerste aan wie ik dit heb verteld.’

‘Ik zou het alleen niet aan anderen vertellen… noch laten merken.’

Peter van Opperdoes keek naar zijn jonge collega. ‘Ik weet dat er verhalen gaan over mij… Ik weet dat ze denken dat er een steekje aan me loszit. Misschien is dat wel de reden dat ik bij de Warmoesstraat ben weggegaan. Of misschien deed de Warmoesstraat me wel te veel aan de tijd herinneren… hoe het was toen ze nog leefde. In ieder geval wil ik dat je weet dat ik me goed voel op de Raampoort.’ Hij stopte even. ‘En met jou als maat,’ liet hij er zacht op volgen.

Er viel een diepe stilte in de woonkamer, onverwacht verbroken door de diepe, sonore klank van de hangklok, die tien uur sloeg. Het geluid leek wel drie keer zo hard te klinken als anders.

‘Zie je wel dat het een goeie jongen is?’ fluisterde zijn vrouw in zijn oor.

‘Ja,’ zei Peter van Opperdoes zacht.

‘Wat zei je?’ vroeg Jacob.

‘O, niks,’ mompelde de oude rechercheur, hij schurkte even heen en weer en zakte diep weg in zijn warme lederen stoel. Heel even voelde hij zich bijna gelukkig.

‘Motief.’

‘Ja.’

‘Daar begon jouw vrouw over? Dat zei ze tegen je?’

‘Ja.’

Jacob trok een peinzend gezicht. ‘Apart.’

Peter van Opperdoes nam een slok thee.

De twee rechercheurs waren aan de eettafel gaan zitten na het emotionele gesprek. Het was lang stil gebleven in de woonkamer, maar uiteindelijk stond Peter van Opperdoes op en ging thee zetten. Jacob volgde hem naar de keuken en legde zijn arm om de schouder van zijn oude collega.

Toen ze terugliepen naar de kamer, allebei met een kop warme thee in hun hand omdat Jacob niet van koffie hield, was er bijna een stilzwijgende afspraak tussen de twee dat ze het er niet meer over zouden hebben.

En dus vertelde Peter van Opperdoes dat zijn vrouw had gesuggereerd dat hij meer over het motief moest nadenken. Jacob stond er niet eens van te kijken.

‘Heel apart… maar het is geen slecht idee.’

‘Nee, waarschijnlijk niet. Natuurlijk heb ik erover nagedacht, maar ik kom niet veel verder. We hebben het er pas geleden nog over gehad, dat we nog te weinig wisten om een motief te kunnen vaststellen.’

Jacob peinsde. ‘We kunnen wel op een rijtje zetten wie er een motief zou kúnnen hebben.’

Peter van Opperdoes stond op en sjokte naar de oude houten kast die aan de muur stond. Jacob zag een klein stapeltje boeken, een beeldje van een olifant, en iets wat op een aardappel leek.

‘Wat is dat nou?’

Peter van Opperdoes grinnikte. ‘Kreeg ik van mijn collega’s toen ik een moord had opgelost. Een gouden aardappel, een Opperdoezer-ronde. Zo noemden ze me ook wel, “De Ronde”.’

Jacob grinnikte. ‘Ik dacht dat ze je daar Schuimpie noemden?’

Peter van Opperdoes bukte en mompelde: ‘Dat deed Johnny Barendse alleen. Alle anderen noemden me Ronde.’

Hij trok onder in de kast een lade open, haalde daar een kladblok van a4-formaat uit, ging weer zitten en maakte een schets van twee rondjes in het midden van de pagina, met daaromheen een aantal namen, verbonden met pijlen.

Jacob lachte toen hij zijn oude collega zo bezig zag.

‘Zit je me uit te lachen?’ bromde Peter van Opperdoes.

Jacob liep naar zijn jas en haalde een paar velletjes papier uit zijn binnenzak. Daarop stond, keurig geprint, eenzelfde schema als Peter van Opperdoes nu aan het maken was.

‘Daar hebben we tegenwoordig heel handige computerprogramma’s voor. Ik heb het hele schema al gemaakt.’

Peter van Opperdoes zag dezelfde opzet die hij net aan het schetsen was: Loesje de Vries en Maurits Lepelaar, de beide slachtoffers, prominent in het midden. Tussen Loesje en Maurits een lijn, met daarboven geschreven ‘vriend/pooier’.

Van en naar deze twee namen diverse lijnen naar Gabriëlle Ibramovic, de vader, Cas Dodewaard en Igor de Verschrikkelijke — en er liep een stippellijn naar beneden, waar Johnny Barendse genoemd stond, die weer met een lijn verbonden was met Cas Dodewaard.

Zo was in een keer zichtbaar wie met wie verbonden was, en waarom.

Peter van Opperdoes schoof zijn kladblok terzijde.

‘Het idiote is dat ik voor iedereen wel iets zou kunnen verzinnen, maar niks zeker weet. Het motief kan van alles zijn. Geld, macht. Dat zijn de twee meest voorkomende motieven.’

‘Er zijn twee vrouwen in het spel. Loesje en haar zusje Gabriëlle. Jaloezie… wat dacht je daarvan?’

Peter van Opperdoes staarde naar het schema. ‘Uit jaloezie ontstaat van alles… afgunst is een sluimerend kwaad dat mensen uiteindelijk tot razernij kan drijven. Zou Gabriëlle in staat zijn haar zuster te vermoorden? Of te laten vermoorden?’

Jacob knikte bedachtzaam. ‘Iedereen is in staat tot moord. Als de nood maar hoog genoeg is… of de opbrengst.’

‘Een waar woord, Jacob… een zeer waar woord. Voor geld doen mensen alles. Het hangt er alleen maar van af hoe hoog het bedrag is waar het om gaat.’

Peter van Opperdoes liet alle personen in dit rare onderzoek door zijn hoofd dwalen. Een vader, twee dochters, een pooier en tevens vriend, een dode Russische crimineel, een foute ex-rechercheur die advocaat was geworden. En dan… misschien wel het belangrijkste… was er nog een man die zich Kanjer noemde. De man met wie alles begonnen was. De man met de Nagant 7.62.


Peter van Opperdoes sloeg de deken terug en wilde net zijn bed in stappen, toen zijn telefoon ging. Door zijn jarenlange ervaring had hij afgeleerd te schrikken van een rinkelende telefoon op een onmogelijk tijdstip. Meestal was het de wachtcommandant van het bureau, die hem waarschuwde dat er ergens een lijk gevonden was en zijn komst daardoor dringend gewenst was.

‘Peter van Opperdoes.’

‘Hé, lekkere Opperdoezer…’

Peter van Opperdoes glimlachte. Die wat hese stem en de joviale begroeting herkende hij meteen.

‘Neel… wat is er? Waarom bel jij op dit onzalige tijdstip?’

Een klaterende lach klonk door de telefoon. ‘Het is een onzalig tijdstip voor jou misschien, maar voor mij is het hier spitsuur. Luister, mooie man. Ik ben bij dat meisje geweest.’

Peter van Opperdoes was meteen vol aandacht. ‘En?’

‘Het is een opvallende schoonheid, zoals ik al zei. Ze heeft het dan ook razend druk. Het blijkt dat ze alleen op afspraak werkt, in een besloten omgeving.’

‘Dus ze staat niet achter het raam?’

‘Ze heeft een kleine woonruimte in een van de straatjes. Niets opvallends, maar erg populair onder de klanten.’

Precies zoals Loesje de Vries, bedacht Peter van Opperdoes, maar dan op de Wallen.

‘En wat zei ze?’

‘Ze schrok natuurlijk, maar wil wel meewerken. Als ze maar geen risico loopt.’

Peter van Opperdoes reageerde opgetogen. ‘Kende ze een Kanjer?’

‘Ik zei je al: er zijn veel mannen die zichzelf een bijnaam geven. En je snapt toch ook wel dat ze zichzelf dan niet Pielemuisje of Pinkie of zoiets dergelijks noemen.’

‘Dus…’

‘Morgenavond krijgt Roos… wat haar werknaam is… maar liefst drie klanten op bezoek die zichzelf Kanjer noemen.’


Roos, die in haar gewone leven Els bleek te heten, schuifelde nerveus heen en weer en draaide met haar vingers lokken in haar lange blonde haar. ‘Is het gevaarlijk?’

Peter van Opperdoes en Jacob keken elkaar even aan voordat de oude rechercheur geruststellend zijn hoofd schudde.

‘Hij is niet van plan om je iets aan te doen. Hij komt voor jouw… diensten… en daarna gaat hij weer weg.’

‘Maar hij heeft een meisje vermoord, vertelde Zwarte Neel me.’

Jacob stelde haar gerust. ‘Dat is waar, maar dat had een persoonlijke reden. Dat had niets te maken met het feit dat het meisje een prostituee was.’

Roos moest grinniken. ‘Prostituee, zo’n maf woord vind ik dat…’ Plotseling klonk ze als een klein meisje. Het was de oude rechercheur nog steeds een raadsel waarom dit soort meisjes voor dit bestaan kozen.

‘Als je je niet zeker voelt of niet veilig, moet je het niet doen.’

Ze weifelde even, stak een reepje kauwgum in haar mond en kauwde daar bedachtzaam op. ‘Wie van de drie Kanjers moeten jullie hebben?’ vroeg ze toen.

Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Dat weten we niet. We weten niet eens of degene die wij zoeken wel een van jouw drie klanten is. Als zoveel mensen zich Kanjer noemen dan is de kans niet groot dat hij ertussen zit.’

Ze grijnsde, bijna verlegen. ‘Mensen… het zijn alleen de mannen die dat zeggen, hoor. Maar de kans is er wel degelijk, want dat meisje dat vermoord is, leek op mij, hoorde ik. Hij valt op blond… en mooi.’

Zoals ze daar stond, zou je haar eerder als een studente typeren, dacht Jacob. En misschien is ze dat ook nog wel. In ieder geval is ze bijdehand.

Ze vervolgde. ‘Jullie weten dus niet hoe hij eruitziet. En ik weet alleen maar dat er in de loop van de dag drie mannen komen die zich Kanjer noemen…’

Ze aarzelde even en Peter van Opperdoes knikte bemoedigend.

‘Jullie kunnen niet bij mij binnen zitten om hem op te pakken, dat vind ik te gevaarlijk. Bovendien is het daar veel te klein.’

Jacob haastte zich om haar gerust te stellen. ‘Maar dat doen we ook niet. We wachten hem buiten op.’

Ze schudde haar hoofd en haar blonde haar danste heen en weer. ‘Maar dan moet je wel weten wie Kanjer is. Er komen meer klanten morgenavond. Ik zie niet graag dat iedereen die bij me weggaat door de politie opgepakt wordt. Dat staat een beetje slordig…’

Peter van Opperdoes kuchte. ‘Dat klopt.’

‘Ik geef de drie Kanjers iets mee… zodat jullie ze kunnen herkennen.’

Ze keek Jacob doordringend aan met haar felgroene ogen en een milde glimlach speelde om haar welgevormde lippen.

Jacob reageerde niet. ‘Wat geef je ze mee?’

‘Dat zie je wel… als ze naar buiten komen. Zorgen jullie nou maar dat je in de buurt bent en mijn voordeur in de gaten kan houden.’

Ze draaide zich om en liep bevallig weg.

Jacob keek haar na en schudde zijn hoofd. ‘Zonde hoor…’

Peter van Opperdoes glimlachte. ‘Zeg dat wel.’


Het was al vroeg donker en inmiddels was het opgehouden met sneeuwen, zodat de gemeentereiniging druk bezig was alle straten weer begaanbaar te maken. Peter van Opperdoes stond in de hal van het oude bureau te wachten, terwijl Jacob in een hoekje zijn vrouw stond te bellen.

De wachtcommandant wees glimlachend naar Jacob. ‘Moet hij overwerken?’

Peter van Opperdoes knikte. ‘Maar hij heeft een lieve vrouw. Die snapt dat wel.’

De wachtcommandant trok een wenkbrauw omhoog. ‘Ken je haar dan?’

‘Nee, maar ik ken hem. Zo’n jongen kan geen slechte vrouw hebben. Kijk hoe hij nog steeds verliefd glimlacht als hij haar aan de telefoon heeft.’

Jacob klapte zijn telefoon dicht en kwam naar de balie. ‘We kunnen.’

Even later liepen de twee rechercheurs achter elkaar in de richting van de Sint Annenstraat. Zwarte Neel had een kamer geregeld, schuin tegenover het appartement van Roos, vanwaar de mannen zonder op te vallen haar voordeur konden observeren. Om de hoek op de Oudezijds Voorburgwal stonden collega’s in burgerkleding te wachten. Met een tussenpose van tien minuten betraden Jacob en zijn oude collega het pand.

Het was een grauw en klein leegstaand pand, waar Zwarte Neel twee stoeltjes en een tafeltje had laten neerzetten. Op de tafel stond een gebaksdoosje met daarop geplakt een geel post-itpapiertje. ‘Veel succes’ stond erop. Peter van Opperdoes opende de doos, waarin twee vrolijk roze gekleurde tompoezen zaten.

‘Gek mens…’

Jacob installeerde zich zo dat hij door de lamellen heen precies de voordeur van Roos’ kamer in de gaten kon houden. Peter van Opperdoes pakte een tompoes en hapte er iets te gretig in, zodat de room tussen de twee geglazuurde koekjes wegdroop. Hij gromde binnensmonds en veegde de room van zijn broek af.

‘Moet je maar niet zo gulzig zijn,’ glimlachte Jacob zonder om te kijken.

‘Ik zie anders regelmatig wat saus op jouw overhemd zitten, als je weer eens een van jouw fameuze patatjes oorlog hebt gegeten.’

Jacob keek met een ruk op. ‘Nou je het zegt… we hebben nog niet eens gegeten. En dit kan wel eens heel erg lang gaan duren. Dus moeten we wel wat eten.’

Peter van Opperdoes hield zijn tompoes omhoog. ‘Hier is je diner.’

‘Ik moet er niet aan denken. Zeker niet nu jij het codewoord hebt genoemd.’

‘Codewoord?’

‘Patatje oorlog. Nu heb ik er trek in.’ Hij gluurde weer door de lamellen. Een man van ongeveer vijftig jaar met een brilletje en een beige regenjas schuifelde door de straat. Hij keek een paar keer om zich heen, als een verschrikte vogel, en belde toen aan bij Roos.

‘Kijk, daar gaat de eerste van vanavond. Type ouderwetse schoolmeester. Zou dat onze Kanjer zijn?’

Peter van Opperdoes liep naar het tweede raam en hield de lamellen iets uit elkaar. Hij zag de man staan en haalde zijn schouders op. ‘Je mag en je kan nooit op uiterlijk afgaan, dat weet jij ook. De meest verschrikkelijke geesten kunnen onder een onschuldig gezicht schuilgaan. Zelfs als ze eruitzien als een fatsoenlijke leraar of een saaie ambtenaar.’

De man verdween schielijk naar binnen. Jacob leunde ontspannen achterover. ‘Zo, minstens tien minuten rust.’

Peter van Opperdoes bleef door de lamellen kijken en schoof de stoel naar zich toe. Hij maakte het zich makkelijk. ‘Houd die deur toch maar in de gaten. Stel je voor dat ze hem er voortijdig uit schopt.’

Jacob leek oprecht verbaasd. ‘Waarom zou ze dat doen? Die man doet geen vlieg kwaad.’

‘Hoe weet je dat nou? Wat heb ik je net verteld over uiterlijk?’

‘Ja, ja… dat weet ik ook wel,’ sputterde Jacob tegen, maar hij keek toch maar weer naar de voordeur van Roos.

Na precies een kwartier ging de deur weer open en verdween de man schichtig om zich heen kijkend tussen de hoerenlopers en dronken voetbalfans.

‘Zag jij iets aparts?’ vroeg Jacob.

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. Roos had beloofd iets opvallends mee te geven, maar hij had bij de schoolmeester niets kunnen ontdekken.

Nog twee mannen gingen de deur in, waardoor ze even later weer naar buiten kwamen. Hoe ze ook keken, Jacob en de oude rechercheur konden niets opvallends ontdekken.

Verschillende mannen liepen langs, maar belden niet aan. Het leek erop of Roos even rust had.

‘Lunchpauze,’ opperde Jacob, maar terwijl hij dat zei ging een man bij Roos naar binnen.

‘Heb jij die man aan zien komen?’ vroeg Jacob verbaasd.

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Hij liep waarschijnlijk mee tussen een groepje toeristen. Heel onopvallend.’

Jacob veerde op. ‘Alsof hij niet gezien wilde worden? Dat is dan zeker verdacht…’

‘Ach, er zijn maar weinig mensen die hier gezien willen worden. Zeker als ze dan ook nog ergens naar binnen gaan.’

Beide rechercheurs gluurden gespannen naar de voordeur van Roos.

Het duurde een dik kwartier voordat de deur weer openging en de man naar buiten kwam. Peter van Opperdoes kneep zijn ogen samen. Hij zag iets bij de man wat hem bij het snelle binnengaan niet was opgevallen.

In zijn hand hield de man een rode roos.

‘Dat is het!’ riep Jacob uit.

Peter van Opperdoes knikte en zag dat de man haastig wegliep in de richting van de Oudezijds Voorburgwal. Jacob greep de portofoon en gaf snel een melding aan de collega’s die daar verdekt opgesteld stonden.

‘Jongens, er komt een man jullie kant op, zwarte jas, zwarte broek, met een roos in zijn hand.’

De portofoon kraakte en een verbaasde stem klonk. ‘Met een… wat?’

‘Een roos. Niet over nadenken, pak hem nou maar op.’

De man verdween uit hun gezichtsveld, maar enkele seconden later klonk het verlossende bericht uit de speaker. ‘Hij is aangehouden.’

Peter van Opperdoes pakte de portofoon en riep de collega’s op. ‘Heeft hij een wapen bij zich?’

Het duurde de twee veel te lang voor er antwoord kwam. Uiteindelijk knarste de portofoon. ‘Negatief. Hij heeft helemaal niks bij zich.’

Jacob vloekte binnensmonds, maar Peter van Opperdoes klopte hem bemoedigend op de schouder. ‘Geduld. Er moeten er nog twee komen.’

Jacob pakte de portofoon. ‘Voer hem maar af naar de Raampoort. We wachten op de volgende twee.’

Resoluut zette hij de portofoon in de vensterbank en posteerde zich achter de lamellen.

Peter van Opperdoes glimlachte. Hij kon het enthousiasme en de grimmigheid waarmee Jacob zich in een zaak vastbeet wel waarderen.

In de donkere Sint Annenstraat leek het alleen maar drukker te worden, waardoor ze goed op moesten letten. Verleidelijke vrouwen, dronken toeristen, slimme zakkenrollers en verlegen hoerenlopers verdrongen zich om beurten door de straat, waardoor de voordeur van Roos af en toe aan het zicht onttrokken werd.

Jacob liep heen en weer voor de lamellen, om maar goed te kunnen zien wie er naar binnen ging.

Peter van Opperdoes zat gespannen voor het andere raam en hield de voordeur in de gaten, maar ook wie er vanaf de Warmoesstraat de Sint Annenstraat in kwam lopen.

Plotseling ging de voordeur open en stapte een man naar buiten die even daarvoor naar binnen was gegaan. Ook deze man schoot snel weg.

Jacob veerde op. ‘Die is nog geen tien minuten binnen geweest.’

‘Snelle jongen,’ bromde Peter van Opperdoes. ‘Wat heeft hij daar in zijn hand?’

Jacob kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Een roos. Hij heeft de roos. Het is een Kanjer!’

Hij greep de portofoon en riep naar de collega’s dat er weer een man met een rode roos aan kwam lopen.

Een minuut later kwam de bevestiging dat ook deze man was aangehouden.

‘Wapen bij zich?’ vroeg Jacob.

‘Ze zijn aan het fouilleren…’ klonk het, even later gevolgd door: ‘Nee, niks.’

Nu vloekte Jacob voluit. ‘Weer niet.’

‘Nog één te gaan, Jacob. Houd moed. En vloek niet zo.’

De portofoon piepte. ‘Wij brengen de arrestant zelf even over naar de Warmoesstraat. Er is momenteel geen auto voor vervoer beschikbaar. We zijn zo terug.’

Jacob stond op en liep kwaad door de kamer. ‘Ook dat nog! Zie je wel? Alles gaat mis. Nu hebben we niemand om hem op te pakken als de derde Kanjer komt.’

‘Wat nu dus ook gebeurt…’ sprak de oude rechercheur langzaam. Hij tuurde door de lamellen bij zijn raam en had iemand snel en onopvallend naar binnen zien gaan.

‘Is dat Kanjer? Shit, ik heb hem gemist…’

‘Blijf kijken.’ Het klonk meer als een gebod dan als een verzoek. Peter van Opperdoes wilde dat Jacob minder emotioneel zou reageren en sterk geconcentreerd zou blijven.

Jacob ging zitten en keek strak naar de deur.

Er gingen tien minuten voorbij, en er was nog geen beweging te zien.

‘Zijn jullie alweer op je plek?’ informeerde Peter van Opperdoes via de portofoon.

‘Nog niet. Geef ons nog even,’ was het antwoord.

Een ongemakkelijk gevoel maakte zich van Peter van Opperdoes meester.

Wat als hij het fout had en Kanjer het wel op jonge vrouwen met een bepaald uiterlijk had voorzien? Wat als er nu verschrikkelijke dingen in het kamertje van Roos plaatsvonden?

‘Misschien…’ begon hij, maar hij maakte zijn zin niet af.

Jacob keek niet op, omdat hij het zicht op de deur niet wilde verliezen. ‘Wat is er?’

‘Ik weet niet…’

Nu trok Jacob even snel zijn hoofd terug en hij zag het bezorgde gezicht van de oude rechercheur. ‘Wat is er aan de hand? Heeft je… heeft je vrouw je iets gezegd?’

‘Hè?’ Peter van Opperdoes was een moment in verwarring door de directe vraag van Jacob. Hij schudde snel zijn hoofd. ‘Nee. Nee, dat geloof ik niet,’ antwoordde hij, hoewel hij helemaal niet zeker wist waarom hij zich zo ongemakkelijk voelde. ‘Ik weet niet wat er is… maar stel je voor dat ik het mis had. Dat Kanjer wel kwaad in de zin heeft tegen Roos.’

Langzaam trok Jacob zijn hoofd weer terug. ‘Moeten we naar binnen gaan? Denk je dat ze in gevaar is? Misschien is dit Kanjer helemaal niet, die nu binnen is…’

Peter van Opperdoes weifelde.

Toen stond Jacob op en pakte de portofoon. ‘Zijn jullie al in positie?’

‘Nog niet… we zijn onderweg,’ klonk het antwoord.

Jacob schudde zijn hoofd en keek naar z’n oude collega, die met een bedrukt gezicht door de lamellen keek.

Jacob nam een beslissing en liep naar de deur. ‘We staan er alleen voor. Als jij iets voelt… wat dan ook… dan vertrouw ik daarop. Dan moeten we wat doen.’

‘Maar ik weet niet wat ik voel, Jacob.’

Jacob liep naar beneden en betrad de Sint Annenstraat. Op het moment dat hij in de richting van de deur van Roos liep, ging die langzaam open.

Jacob keek even achterom en zag dat Peter van Opperdoes hem volgde. De man die zojuist naar binnen was gegaan, liep de deur uit. Niet, zoals de andere klanten, schuchter en timide, maar snel en zelfverzekerd. Hij draaide meteen de straat in en liep in de richting van de Oudezijds Voorburgwal.

Peter van Opperdoes stond vlak achter Jacob. ‘Geen roos…’ fluisterde hij. ‘Het is Kanjer niet…’

Jacob deed toch nog een paar stappen achter de man aan, die zijn pas versnelde. Hij liet iets vallen, onopvallend, snel, achteloos bijna. Iets wat hij in zijn hand verborgen had gehouden.

Peter van Opperdoes zag iets roods oplichten op de donkere, natte tegels. ‘De roos!’

De man kon het niet gehoord hebben, maar het leek alsof dat wel zo was. Hij draaide zijn hoofd vliegensvlug om en in een fractie van een seconde had hij zowel Jacob als Peter van Opperdoes strak in de ogen gekeken. Een fractie van een seconde, maar het was genoeg om de twee ervan te overtuigen dat ze hier met een levensgevaarlijke man te maken hadden.

En voor de man was die fractie kennelijk ook genoeg, want hij rende plotseling weg alsof de duvel hem op de hielen zat. Jacob zette een spurt in en probeerde hem bij te houden. ‘Blijf staan! Politie!’

Bij de Oudezijds Voorburgwal sloeg hij links af, en kwam bij de brug aan. Jacob hijgde. Hij wilde deze man niet laten lopen. Waarschijnlijk zouden ze hem nooit meer vinden. Op de brug moest hij een paar toeristen ontwijken, waar de man soepel omheen was gerend. Hij heeft een wapen, schoot door Jacobs hoofd. Straks draait hij zich om en richt hij de Nagant op mij…

De man rende langs de Febo, waar een paar hongerige junks op zoek waren naar wat verloren patatjes.

Een patatje oorlog… dacht Jacob, terwijl hij doorrende. Als ik hem te pakken krijg, dan heb ik er echt een verdiend. Na de Febo leek de man even te aarzelen. Zou hij rechtsaf de Zeedijk op rennen of rechtdoor naar de Geldersekade?

Jacob zette alles op alles. Hij perste zijn laatste adem uit en versnelde een paar meter. Het was net genoeg. Hij zag de rechterhand van de man naar zijn broeksband gaan, maar Jacob dook van achter op zijn nek. De man moest zijn armen gebruiken om zijn val te breken, waardoor hij geen kans had een eventueel wapen te trekken. Jacob viel boven op hem, en trok in één vloeiende beweging de rechterarm van de man op zijn rug. Met zijn andere hand had hij zijn handboeien gepakt. Hij stond er zelf versteld van hoe soepel dit ging. Kanjer verzette zich niet.

‘Ik ga mee… ik ga mee.’

De man lag voorover op de straat, terwijl Jacob naast hem zat. Hij hield de handen van de man aan de handboeien omhoog, zodat hij niet bij zijn broeksband kon komen.

Hij voelde met zijn vrije hand onder de jas van de man. Daar zat inderdaad een wapen.

Peter van Opperdoes kwam de Zeedijk op lopen, in een sukkeldrafje. Achter hem kwamen wat agenten in uniform aangerend, die op de achtervolging af waren gekomen.

‘Heel goed… heel goed…’ hijgde de oude rechercheur.

‘Hij heeft een wapen.’

Peter van Opperdoes kon geen woord meer uitbrengen. Hij gebaarde dat Jacob het tevoorschijn moest halen.

Voorzichtig pakte Jacob de kolf van het wapen en legde het op straat, buiten bereik van de gearresteerde man.

Peter van Opperdoes schudde bedroefd zijn hoofd.

‘Dat is geen Nagant.’

Загрузка...