‘Igor Ibramovic?’
Johnny Barendse, de oud-rechercheur van de Warmoesstraat, zuchtte en friemelde met zijn vingers. ‘Igor Ibramovic…’
Peter van Opperdoes keek Johnny scherp aan, maar die ontweek zijn blik.
‘Peter, ik ben weg bij de politie. Fijn met pensioen. Ik hoef aan niemand meer verantwoording af te leggen. Laat mij lekker op mijn woonbootje zitten en de krant lezen. Val me niet lastig met ouwe zaken die er niet meer toe doen.’
Peter van Opperdoes hief zijn vinger op. ‘Vind jij dat twee doden er niet toe doen? Beiden zijn vermoord… laf vermoord… met hetzelfde wapen. Een Nagant 7.62. De Nagant die is gestolen bij de vader van het eerste slachtoffer, Loesje de Vries. En dat is een zaak die door jou en je tot nu toe onbekende collega behandeld is.’
Johnny Barendse stond met een ruk op. ‘En ik zie niet in wat Igor Ibramovic daarmee te maken heeft.’
Peter van Opperdoes keek Johnny onderzoekend aan. ‘Je zweet. Zo warm is het hier anders niet.’
Johnny veegde een hand over zijn voorhoofd en keek erin. Daarna veegde hij zijn hand af aan zijn broek. ‘En ik snap ook niet wat jij hier komt doen. Het is laat, ik wil slapen.’
Peter van Opperdoes liet een stilte vallen.
Johnny voelde zich steeds ongemakkelijker worden. Hij beende heen en weer in de kleine woonkamer van zijn woonboot, terwijl hij af en toe bij een van de kleine raampjes stil bleef staan. Met zijn vingers haalde hij de vitrage uit elkaar en keek naar buiten.
‘Verwacht je nog bezoek?’
Johnny schudde zijn hoofd. Hij wees naar Peter van Opperdoes. ‘En waarom ben jij hier helemaal alleen gekomen? Nou? Waar is je maat? Waarom ben jij niet gewoon thuis in plaats van dat je mij lastigvalt? Het is kerst. Met kerst hoor je mensen niet lastig te vallen. Mensen hebben dan wel wat anders te doen.’
Peter van Opperdoes keek hem rustig aan. ‘Ben je klaar?’
Johnny zag er verwilderd uit, maar toen hij merkte dat de oude rechercheur hem alleen maar vriendelijk aan bleef kijken, leek iets in zijn houding te veranderen. Hij knipperde met zijn ogen en zijn schouders zakten in. ‘Ik… eh… ik…’
Johnny slikte een paar keer en slofte uiteindelijk langzaam naar de eettafel, waar hij tegenover Peter van Opperdoes ging zitten. Hij nam een bierviltje dat er lag in zijn hand en schoof het dralend heen en weer over de tafel.
‘Schuimpie… kom op… je maakt het me lastig. Dat doen ouwe dienders van de Warmoesstraat toch niet?’
‘Ik maak het je niet lastig, Johnny. Dat doe je zelf. Vertel gewoon wat er is gebeurd. Niks meer en niks minder. Ik zit met twee doden en het onderzoek zit aan alle kanten vast.’
‘En dan kom je weer bij mij terug? Waarom?’
Peter van Opperdoes glimlachte. ‘Dat weet je zelf ook wel. Ik kom bij jou, omdat jij degene bent die mij verder kan helpen, en ik heb je nodig. Dat doen ouwe dienders van de Warmoesstraat toch voor elkaar?’
Johnny zat in een diepe tweestrijd, dat was wel duidelijk. Zuchtend keek hij alle kanten op, behalve naar zijn oude collega. Uiteindelijk verbrak hij de stilte.
‘Het is… het was geen gewone inbraak.’
‘Dat had je al verteld. Je hebt me ook verteld dat je Maurits Lepelaar van de inbraak hebt verdacht. En Maurits Lepelaar is nu dood. Het tweede slachtoffer.’
Met een droge knak brak Johnny het bierviltje doormidden. Hij mompelde in zichzelf. ‘Reden temeer om m’n kop dicht te houden…’
Peter van Opperdoes leunde gespannen voorover. Hij wist dat zijn gevoel klopte en dat hij niet voor niets onderweg van het bureau Raampoort naar huis bijna impulsief was afgeslagen in de richting van de woonboot van Johnny Barendse.
Er klopte iets niet aan deze zaak, en zeker niet aan wat Johnny hun verteld had. Hij had heel openhartig geleken, maar Peter van Opperdoes was er onderweg plotseling van overtuigd dat Johnny helemaal niet openhartig was geweest.
Johnny keek hem schuin aan. ‘Is Maurits Lepelaar echt dood?’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Als een pier.’
Johnny keek hoofdschuddend omhoog, alsof hij hulp zocht bij de hogere goden en borg vervolgens zijn hoofd in zijn handen.
‘Ik wist het… ik wist dat het ooit problemen zou gaan geven.’
Peter van Opperdoes sprak zacht. ‘Wat zou problemen geven?’
‘Dat hele gedoe. Die wapens. We hadden wel genoeg tegen Maurits Lepelaar, maar vervolgens zei mijn maat tegen me dat we de zaak moesten laten rusten. Iets over de aangifte die ingetrokken zou zijn… en dat de wapens wel terug zouden komen. In ieder geval, op dat moment heb ik er niet echt bij stilgestaan dat er iets niet klopte. Ik ging van mijn maat uit.’
‘Dus je weet wel met wie je die zaak behandeld hebt.’
Johnny Barendse keek op. ‘Ja, dat weet ik wel. Ik heb het je niet willen zeggen… ik dacht dat het er niks mee te maken had. Bovendien bezorgt het me alleen maar problemen. Dat wil ik niet. Ik heb het lekker zo, Schuimpie. Lekker rustig. M’n natje en m’n droogje. Alles wat ik nodig heb. Ellende heb ik genoeg gezien.’
Peter van Opperdoes negeerde de smeekbede van Johnny. ‘Wie is het?’
Johnny Barendse zuchtte diep. Hij keek nerveus om zich heen en Peter van Opperdoes voelde dat een vreemde huivering door zijn lichaam ging. Dit gevoel had hij al duizenden keren gehad, maar nog nooit tijdens een gesprek met een collega. Het gevoel overviel hem altijd vlak voordat een verdachte ging bekennen. Het bracht hem in verwarring. Wat was hier aan de hand? Moest hij Johnny Barendse meer als een verdachte beschouwen dan als een oud-collega die hem verder kon helpen?
Voordat hij die gedachte kon afmaken, zuchtte Johhny nog maar eens diep. ‘Ik heb die inbraak onderzocht met Cas Dodewaard. Hij is degene die me later vertelde dat we moesten stoppen. Een paar weken daarna was hij ineens weg bij de politie en begon hij een eigen advocatenpraktijk.’
Peter van Opperdoes keek verbaasd op. Plotseling viel er veel op z’n plek. Cas Dodewaard was enkele jaren geleden plotseling advocaat mr. Cas Dodewaard geworden, na een korte maar hevige carrière bij de Amsterdamse politie. Vanaf dat moment verdedigde hij de criminelen die hij voordien nog achter de tralies probeerde te krijgen. Ineens flitste er iets door Peter van Opperdoes’ hoofd.
‘Cas Dodewaard was de advocaat van Igor Ibramovic.’
Johnny knikte langzaam. ‘Inderdaad. En niet van hem alleen. Ook van de vader van Loesje de Vries.’
‘Bij wie de wapens gestolen waren…’
Johnny Barendse leek opgelucht dat hij het eindelijk verteld had. Hij liep naar de kast en pakte een fles, die hij uitnodigend omhooghield. Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. Johnny schonk zichzelf een glas in.
‘Snap je nu dat ik aarzelde om het je te vertellen? Cas Dodewaard…’ Johnny schokte met zijn schouders. ‘…heb ik nooit gemogen. Hij had iets… iets… ik weet het niet. Wij waren geen lieverdjes op de Warmoesstraat, maar hij…’
Peter van Opperdoes wist precies wat Johnny bedoelde. Toen Dodewaard eenmaal weg was bij de politie, leek niemand daar erg rouwig om te zijn. Beide mannen zwegen een moment en dachten ieder het hunne over Dodewaard.
‘En Igor Ibramovic? Wat had hij ermee te maken?’
Johnny haalde zijn schouders op. ‘Je kent de reputatie van Igor de Verschrikkelijke. Die man deugt van geen kant. Levensgevaarlijk. Maar ik heb zijn naam nooit horen vallen tijdens ons onderzoek.’
Peter van Opperdoes keek Johnny onderzoekend aan. ‘Wist je dat hij later getrouwd is met de zuster van Loesje de Vries?’
Johnny’s verbaasde blik leek oprecht. ‘Nee, dat wist ik niet. Kennelijk zit dat hele clubje mensen… Cas Dodewaard, Igor de Verschrikkelijke en de twee zusjes en hun vader… heel dicht op elkaar. Of zat het heel dicht op elkaar. Maar wat en hoe… dat weet ik ook niet.’
Er viel een lange stilte, die Johnny uiteindelijk als eerste verbrak. ‘Zo. Nou weet je het. Maar of je er iets verder mee komt… dat betwijfel ik.’
Peter van Opperdoes stond op. ‘We zullen zien.’
Het was koud en het sneeuwde nog steeds. Het was lang geleden dat hij zoveel sneeuw had gezien. Op sommige plekken moest hij bergen sneeuw ontwijken die door schuivers het trottoir op waren geduwd. De sneeuwploegen van de gemeente deden hun best, maar leken het gevecht tegen de gladde en ondergesneeuwde straten toch te verliezen.
De sneeuw om hem heen maakte hem rusteloos, of misschien kwam het door de wetenschap dat Cas Dodewaard iets met deze hele zaak te maken had. Er waren wapens gestolen, het onderzoek moest worden gestaakt, en Cas Dodewaard, die het onderzoek naar de inbraak deed, stopte bij de politie.
Peter van Opperdoes probeerde alle stukjes van de puzzel in zijn hoofd bij elkaar te leggen, maar slaagde daar nog niet in. Het leek wel of de stukjes weliswaar één afbeelding vormden, maar toch niet in elkaar pasten.
Het feit dat Loesje de Vries naar de politie was gegaan, omdat ze een gestolen pistool bij haar klant had gezien, had haar het leven gekost. Maar wat was daar zo zwaarwichtig aan dat het iemand zijn leven moest kosten? Het wapen? Of degene die het wapen bij zich had?
De wereld werd kleiner en kleiner naarmate de sneeuw dichter werd. En zo ging het ook in Peter van Opperdoes’ gedachten. Hij zag alle gebeurtenissen alleen nog maar als kleine, kartonnen puzzelstukjes, die door zijn hoofd dansten zonder elkaar te raken.
Loesje, het wapen, de inbraak, Kanjer, Maurits Lepelaar…
Natuurlijk stond alles met elkaar in verband, maar hoe? Ineens leken twee stukjes zich met elkaar te verbinden… en nog een.
Het lachende gezicht van een vrouw vormde zich.
Loesje de Vries.
De Nagant 7.62.
Kanjer.
Wat probeerden zijn hersens hem te vertellen?
Peter van Opperdoes kwam op de plek waar de Brouwersgracht en de Prinsengracht elkaar kruisen. Hij had menige warme zomermiddag met zijn vrouw op het drukke terrasje van café Papeneiland gezeten. Nu was het er ook druk, maar zat er niemand op het besneeuwde terras. De barman herkende de kleumende Peter van Opperdoes en wenkte hem met een gul gebaar naar binnen.
Met een ietwat bedroefde glimlach schudde Peter van Opperdoes zijn hoofd. Hij liep naar de stenen trap aan de rand van de gracht en liep voorzichtig de gladde treden af, tot hij op het steigertje vlak boven het water stond.
Het water was ondanks de kou en de sneeuw nog steeds niet bevroren en stroomde langzaam door de Brouwersgracht, de Prinsengracht in.
Peter van Opperdoes’ blik bleef rusten op de zachte rimpels van het donkere water.
‘Kom weer eens langs,’ klonk het achter hem.
Peter van Opperdoes draaide zich om en zag het vriendelijke gezicht van de barman van café Papeneiland. Hij hield een sigaret tussen zijn vingers en inhaleerde diep.
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Het is niet meer hetzelfde daarbinnen. Voor jullie wel, maar voor mij niet meer.’
‘Toch ben je welkom. Ik zie je altijd even naar binnen kijken als je langsloopt.’
Peter van Opperdoes glimlachte. ‘Ik kijk naar het verleden, Carlo. En dat bevalt me wel.’
Met een enorme hijs verdween het laatste stukje van de sigaret, waarna de barman het resterende peukje met zijn middelvinger en duim ver het water in schoot. ‘Een kop koffie?’
Maar Peter van Opperdoes draaide zich weer naar het water. ‘Nog maar even niet, Carlo.’
Met een welgemeende klop op de schouder verdween de barman de stenen trap op in de richting van zijn café. Peter van Opperdoes zag nu pas hoe koud de barman het gehad moest hebben, want hij droeg alleen zijn smetteloos witte overhemd. Hij was snel naar buiten gelopen toen hij de oude rechercheur langs zag lopen, kennelijk.
‘Aardig van hem.’
‘Heel aardig.’
‘Waarom ga je niet een keer? Kan helemaal geen kwaad.’
‘Wat moet ik daar nou? Wij zaten daar gezellig. Kopje koffie, appelgebakje. Mensen kijken. Zie je me dat in m’n eentje doen?’
Zijn vrouw lachte. ‘Jij kijkt altijd naar mensen. Beroepsdeformatie, is dat. Andere mannen kijken naar mooie vrouwen. Jij kijkt altijd naar iedereen.’
Peter van Opperdoes lachte welgemeend. ‘Je gaf me een welgemeende klap op m’n hoofd, de eerste keer dat ik een vrouw nakeek. Weet je nog? Sinds die tijd was ik een stuk voorzichtiger.’
Zijn vrouw kon haar lachen bijna niet inhouden. ‘Dan geef ik je bij dezen toestemming. Als je de kroeg ingaat, mag je nu officieel naar andere vrouwen kijken. Misschien kom je een aardige dame tegen, met wie je een appelgebakje kan eten.’
‘Geen behoefte aan.’
‘Wat niet is, kan nog komen. Alle mannen denken toch alleen maar aan één ding, dat weet je toch?’
En toen was het weer stil.
Peter van Opperdoes liet de laatste woorden bezinken.
Alle mannen denken aan een ding.
Aan de overkant zag Peter van Opperdoes een politieauto stapvoets over de Brouwersgracht rijden. Hij gleed zo goed en zo kwaad als het ging de brug over en wenkte de twee agenten.
‘Wat kunnen we voor u doen, meneer?’
Deze twee jonge agenten, die het slechte weer trotseerden, herkenden hem niet als een collega.
Peter van Opperdoes stak zijn hoofd naar binnen. ‘Zijn jullie ergens mee bezig? Nee? Mooi.’
Hij trok het portier open en plofte op de achterbank. Daar trok hij een brede glimlach. ‘Breng me even naar huis, daar verderop.’
De twee hadden nu wel door dat ze met een collega op leeftijd te maken hadden. Ze keken elkaar even aan, haalden hun schouders op en de chauffeur zette de auto in de eerste versnelling.
Achter in de politiewagen, die langzaam door de sneeuw ploegde, zat Peter van Opperdoes stilletjes heel tevreden te wezen.
‘Volgens mij heb jij vannacht wel goed geslapen.’
Peter van Opperdoes trok de voordeur achter zich dicht en sloot zorgvuldig af. ‘Heb je me daarom met rust gelaten?’
‘Haha. Je viel als een blok in slaap.’
‘Ik was moe.’
‘En tevreden, volgens mij?’
Peter van Opperdoes bromde. ‘Ik kreeg een leuk idee gisteravond. Iets waar we volgens mij verder mee kunnen.’
Onderweg naar bureau Raampoort bleef Peter van Opperdoes een beetje kletsen met zijn vrouw. Hij voelde zich iets beter, al kon hij niet precies zeggen waarom.
Het bureau lag er nog steeds stil bij. De wegen waren bijna niet meer begaanbaar en de Amsterdammers kwamen alleen maar de straat op als het echt niet anders kon.
Bureau Raampoort lag er nog meer dan anders bij als een onneembare burcht midden in de stad. De wachtcommandant groette de oude rechercheur bij binnenkomst vriendelijk en hield een zilverkleurige thermoskan uitnodigend omhoog. ‘Jij bent er vroeg bij. Verse koffie?’
Peter van Opperdoes keek rond. Het was binnen in het bureau al net zo stil als buiten.
De wachtcommandant grijnsde. ‘Er zijn flink wat collega’s gestrand onderweg naar hun werk.’
‘Is Jacob er al wel?’
‘Nog niet gezien. Eigenlijk ben je de eerste. Er rijdt volgens mij maar één politieauto rond in het district.’
Peter van Opperdoes hield een plastic bekertje omhoog en de wachtcommandant goot het vol geurende zwarte koffie.
‘Mis je de Warmoesstraat?’
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. Het enige wat hij miste was zijn vrouw. ‘Valt wel mee. Je moet er overal zelf wat van maken, toch?’
De wachtcommandant bromde instemmend. ‘Klopt het dat ze je daar te lastig vonden?’
Peter van Opperdoes moest lachen. ‘Vind jij mij lastig?’
‘Nee, ik vroeg het me gewoon af. Je weet hoe d’r geluld wordt in het korps.’
‘Dus het verhaal gaat dat ze me te lastig vonden?’
‘Eigenzinnig, eigenwijs, eigengereid. Alles in je eentje willen doen. Niet luisteren naar bazen. Nou ja, dat soort dingen.’
Peter van Opperdoes keek de wachtcommandant aan en nam een slok van zijn te hete koffie. Hij zoog even wat koele lucht naar binnen.
‘Volgens mij is elke goeie diender eigenwijs en wil hij per definitie niet luisteren naar zijn bazen. In ieder geval zou hij zo moeten zijn.’
De wachtcommandant, zelf ook niet de jongste, schudde ontevreden zijn hoofd. ‘Zo denken wij erover, ja. Maar al die jonge dienders van tegenwoordig, dat is een heel ander slag. Of worden wij oud?’
‘Daar denk ik wel eens over, dat men tegenwoordig zo snel zegt dat vroeger alles beter was. Zullen we wedden dat de jeugd van tegenwoordig over twintig jaar hetzelfde zegt? Mijn ouders zeiden ook al dat vroeger alles beter was.’
De wachtcommandant bromde. ‘Als je het zo bekijkt, wordt het dus alleen maar slechter en slechter de hele tijd. Maar sommige dingen waren vroeger echt beter. Respect voor de politie. Je kreeg een klap, je gaf een klap en iedereen gaf mekaar een hand na afloop. Maar ze luisterden wel naar je. Tegenwoordig mag je helemaal niks meer.’
Peter van Opperdoes knikte. Dat was waar. Soms had ook hij het idee dat het er niet beter op werd op straat.
Hij stak zijn hand op bij wijze van afscheid maar voor hij de balieruimte verliet, draaide hij zich om. ‘Is dat verhaal al het hele bureau doorgegaan?’
‘Welk verhaal?’
‘Dat ik ben weggestuurd van de Warmoesstraat?’
‘Je weet toch hoe dat gaat?’
‘Daarom vraag ik het ook. Ik ben namelijk niet weggestuurd. Ik ben zelf weggegaan. Na vijfentwintig jaar wilde ik wel eens iets anders dan junks en hoeren.’
De wachtcommandant moest lachen. ‘En wat is je eerste zaak hier? Een vermoorde hoer. Haha! Wat een verbetering.’
Peter van Opperdoes deed de deur open en zuchtte. ‘Ik kan er ook niks aan doen.’
Met enige moeite beklom hij de trap van de Raampoort. De kou en de sneeuw deden zijn knieën geen goed, merkte hij. Boven liet hij de lichten van de recherchekamer uit en plofte in zijn stoel.
Een diepe stilte daalde neer over de donkere recherchekamer. De kamer was leeg, zelfs de hele eerste verdieping was leeg. En toch…
Peter van Opperdoes hoefde niet om zich heen te kijken om te weten dat ze er was. ‘Nu voel ik dat je er bent.’
‘Echt waar? Hoe dan?’
‘Weet ik het. Ik voel het gewoon. Gek, hè?’
‘Best wel. Ik weet af en toe zelfs niet eens waar je bent.’
Peter van Opperdoes wist dat hij haar niet hoefde te vragen waar ze was, of wat ze zag. Ze zou er geen antwoord op geven, dus zweeg hij.
Maar zijn vrouw niet.
‘Dat was een lang gesprek dat je met die agent had, beneden.’
‘Dat was geen agent. Dat was een brigadier. De wachtcommandant van het bureau.’
‘Wat kan mij het nou schelen hoe hij heet. Hij heeft een uniform, dus wat mij betreft is het een agent. Dat interesseerde me toch nooit, dat weet je toch? Maar ik ben wel blij dat je even met hem gepraat hebt. Dat is goed. Nou ga je van de week ook een kop koffie drinken in die kroeg bij ons verderop… hoe heet het… Papeneiland. Waar we gisteren waren. Oké?’
‘Misschien.’
‘Niet misschien. Je gaat gewoon. Weer even onder de gewone mensen. Goed voor je.’
Peter van Opperdoes moest glimlachen. ‘Je blijft me vertellen wat ik moet doen.’
Op de gang kwam Jacob aanlopen, zijn besneeuwde jas nog aan, mopperend op het rotweer. Hoewel de hele verdieping donker was, hoorde hij iemand praten… de stem van zijn oude collega. Het vreemde was dat hij alleen maar zijn stem hoorde, niet degene met wie hij sprak. Hij zit aan de telefoon zijn, dacht Jacob… maar iets maakte dat hij weifelde voordat hij de recherchekamer inliep. Het klonk als een bijzonder persoonlijk gesprek. Alsof… alsof de oude rechercheur met een vrouw zat te bellen. Sterker nog… met zíjn vrouw zat te bellen.
Maar die was… ze was toch overleden?
Jacob stokte.
Uit het zicht bleef hij naast de deur van de recherchekamer staan.
‘Je blijft me vertellen wat ik moet doen,’ hoorde hij.
En toen hoorde hij Peter van Opperdoes zeggen: ‘Ik weet het, het is goed voor me om onder de mensen te komen. Ik zal het ook wel doen. Maar ik mis je zo. En als ik dan bij Papeneiland ben… dan zie ik jou daar… in mijn gedachten. Dan zie ik je op het bankje voor het cafeetje zitten, terwijl je om je heen kijkt en zit te lachen. En dan…’
Jacob merkte hoe geëmotioneerd maar ook hoe gelukkig Peter van Opperdoes nu klonk. Heel voorzichtig gluurde hij om de hoek van de deur. Peter van Opperdoes zat niet met een telefoon aan zijn oor. Hij zat achterovergeleund in zijn stoel, in de donkere recherchekamer, en staarde naar het plafond.
Jacob trok langzaam en zonder op te vallen zijn hoofd terug, draaide zich zachtjes om en liep naar beneden, waar hij zich door de wachtcommandant een kop koffie liet inschenken.
‘Ik dacht dat je geen koffie wilde?’
‘Ik heb me bedacht.’
De wachtcommandant keek hem aan en wilde nog iets vragen, maar Jacob keek zorgelijk en leek heel ergens anders met zijn gedachten.
De klapdeur zwiepte open en commissaris Van Straaten betrad met vlotte tred het bureau. Hij veegde de sneeuw van zijn schouders.
‘Wat een hondenweer.’
De wachtcommandant had zich teruggetrokken achter de balie en Jacob stond met zijn koffie in de hand in gedachten voor zich uit te staren.
‘Het is goed te zien dat de recherche ondanks het slechte weer, alweer vertegenwoordigd is in mijn district.’
Jacob knikte.
Commissaris Van Straaten kwam naast hem staan. ‘Zit er al wat vooruitgang in de zaak?’
‘We zijn druk bezig. Langzaamaan… maar we komen er wel.’
‘Dat is goed om te horen. Goe… hoed! Dat doet mij deugd. Zeg…’ Hij boog zich vertrouwelijk naar Jacob toe. ‘Die Van Opperdoes… Jij hebt nu een paar dagen met hem gewerkt. Hij is… hoe zal ik het zeggen… hij heeft nogal wat verhalen om zich heen zweven. Beetje problematisch figuur. Begrijp me goed, hoor…’ Hij keek om zich heen. ‘Hij lijkt me een zeer geschikte man. Aimabel. En bovendien zéér capabel. Een héle capabale man.’
Van Straaten proefde het woord een paar keer en het beviel hem kennelijk buitengewoon. ‘Capabel. Mits hij hier…’ Van Straaten tikte aan de zijkant van zijn hoofd ‘…lekker in zijn vel zit. En daar twijfel ik een beetje aan. Ik heb jou niet voor niets aan hem gekoppeld, waarde Jacob. Gaat het wel goed met hem? Is hij nog in staat om te werken? Of moet ik maatregelen nemen?’
Jacob aarzelde. Wat hij net had gezien verontrustte hem hevig, maar moest hij dat aan de commissaris vertellen?
Hij nam iets te lang de tijd om antwoord te geven. De commissaris boog zich voorover. ‘Je twijfelt?’
Jacob twijfelde inderdaad. ‘We zijn nog maar een paar dagen bezig. Ik… ehh… ik weet het niet… Nog niet.’
Van Straaten loerde onderzoekend en bespeurde een afkeurende trek op het gezicht van Jacob. ‘Het gaat me niet om de persoon Peter van Opperdoes. Een aardige man, zoals ik al zei. Maar als hij hulp nodig heeft… of als het werk eronder leidt… Op de Warmoesstraat maakte men zich al ernstig zorgen. Waarschijnlijk is dat ook de reden dat hij om overplaatsing heeft gevraagd. Om even rust te hebben.’
Jacob zweeg.
‘Ik verwacht dat je me meteen op de hoogte brengt als jou iets opvalt.’
‘Natuurlijk, commissaris.’
‘Wachtcommandant, ik kan nu wel een kop koffie gebruiken. Heet.’
Enkele minuten later ging Jacob weer naar boven. Hij stampte luidruchtig de trap op, om Peter van Opperdoes te waarschuwen dat hij in aantocht was. In de recherchekamer brandde nu zacht licht en Peter van Opperdoes zat achter zijn computer wat aantekeningen door te nemen.
‘Goedemorgen, waarde collega. Goed geslapen?’
‘Prima, dank je.’
Jacob merkte niets aan Peter van Opperdoes.
‘Ik weet wie de tweede rechercheur was die de inbraak bij de vader van Loesje de Vries heeft onderzocht.’
Jacob was stomverbaasd. ‘Maar… hoe weet jij dat?’
‘Ik ben gisteravond nog even langs Johnny Barendse geweest, de ex-collega van de Warmoesstraat.’
‘Die in die woonboot.’
‘Ja. Ik dacht… misschien herinnert hij zich inmiddels met wie hij was. En ik kon toch niet slapen, dus…’
Jacobs stem klonk bitter. ‘Dus ben jij daar alleen naartoe gegaan.’
‘Ja… ik zag daar geen kwaad in.’
Het duurde even voordat Jacob reageerde. Hij staarde strak voor zich uit en klemde zijn kaken op elkaar.
‘Ik weet niet…’ Jacob stopte even, ‘…ik weet niet hoe jij dat op de Warmoesstraat deed, maar ik ben gewend dat… als je een zaak met z’n tweeën draait… dat je die zaak dan helemaal samen onderzoekt. Van het begin tot het eind.’
Peter van Opperdoes wist niet goed hoe hij moest reageren.
Jacob bromde nog even voor zich uit. ‘Ik ben je Vledder niet.’
‘Wat zeg je?’
‘Je hoorde me wel…’
Peter van Opperdoes hief zijn hand op en Jacob stopte midden in de zin. Zonder verder iets te zeggen sloot hij zijn mond en wachtte af.
‘Laat me uitleggen waarom ik het heb gedaan. Mijn vrouw… ze is vorig jaar overleden. We waren met z’n tweeën, we hadden geen kinderen. We hebben het goed gehad met elkaar. Meer dan goed zelfs, anders hou je het ook niet zo lang vol.’
Peter van Opperdoes keek Jacob aan met een warme blik in zijn ogen. ‘Ik hou van m’n werk. Het geeft me voldoening als ik hier ben en aan een interessant onderzoek kan werken. Maar als ik hier de deur uit stap en naar huis loop, is er niemand die mij welkom heet. De kamers zijn koud, het bed is leeg, het huis is stil. Wat moet ik dan thuis? Dus ga ik wandelen, een beetje nadenken. En dan komt er iets in mijn hoofd op…’
Jacob keek Peter van Opperdoes scherp aan, wachtend op een mogelijke onthulling van wat er net gebeurd was, maar Peter van Opperdoes vervolgde rustig zijn verhaal.
‘Een idee… iets wat we vergeten zijn, of iets waar we nog niet op gekomen zijn. En gisteravond dacht ik aan Johnny Barendse. Moest ik jou dan bellen? Jij zat bij je lieve vrouw en je kindjes, waar je ook al een paar dagen niet bij was geweest. Had ik jou daar weg moeten halen voor iets wat ik makkelijk zelf kon doen? Dat dacht ik. En toen heb ik ervoor gekozen om jou in ieder geval… voor zolang ik het nog kan… al je geluk thuis te gunnen.’
Jacob slikte en kon even niets uitbrengen. Het bleef stil in de kamer.
Peter van Opperdoes merkte wat een uitwerking zijn verhaal op zijn jonge collega had, maar hij had ieder woord gemeend van wat hij zei.
Uiteindelijk zuchtte Jacob diep. ‘Wat zei Johnny Barendse?’
‘Hij noemde Cas Dodewaard als de collega met wie hij de inbraak had onderzocht.’
Jacob hijgde verbaasd. ‘Die foute advocaat? Ex-collega, die nu voor criminelen werkt?’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Dezelfde. Alles draait om elkaar heen, qua mogelijke betrokkenheid.’
‘Zeg dat wel… Wist hij nog iets te vertellen over Igor de Verschrikkelijke?’
‘Nee. Maar het is natuurlijk erg toevallig dat Cas Dodewaard zijn advocaat was en dat Igor is getrouwd met Gabriëlle de Vries, de halfzuster van Loesje.’
Jacob maakte wat aantekeningen op de grote onderlegger onder zijn toetsenbord. Hij schreef wat namen op en verbond die met pijlen en lijnen.
‘Is Cas Dodewaard… ex-rechercheur en nu advocaat van foute zaken… dan misschien degene geweest die het huwelijk tussen Gabriëlle en Igor de Verschrikkelijke heeft gearrangeerd, zoals Loesje in haar dagboek schreef?’
‘Heel goed mogelijk. Of de vader van Gabriëlle en Loesje heeft het gearrangeerd. Dat zou betekenen dat Cas Dodewaard Igor Ibramovic op een andere manier heeft leren kennen.’
‘Maar Cas Dodewaard was corrupt. Toch? Niemand was er rouwig om dat hij vertrok bij de politie. Misschien kende hij Igor de Verschrikkelijke al langer. Misschien was het geen toeval dat juist hij de inbraak onderzocht. Hoe vreemd is het niet dat het dossier verdwenen is? Cas Dodewaard kon het dossier laten verdwijnen.’
Peter van Opperdoes knikte langzaam. Er viel weinig af te dingen op de redenaties van zijn jonge collega.
‘We zijn er nog niet uit,’ concludeerde hij.
‘Wat gaan we doen? Dodewaard verhoren als getuige?’
Peter van Opperdoes twijfelde. Cas Dodewaard was een geslepen advocaat, met recherche-ervaring. Ieder verhoor zou hij meteen naar zijn hand zetten. In ieder geval zou hij zichzelf nooit verraden. Voordat ze hem aanpakten, moesten ze iets achter de hand hebben.
Peter van Opperdoes liet een stilte vallen. ‘Alle mannen denken maar aan een ding.’
Jacob keek verbaasd op. ‘Pardon?’
‘Alle mannen denken maar aan een ding, zei ik. Wat is dat ene ding?’
Een scheve glimlach verried Jacobs geamuseerdheid. ‘Dat hangt er maar helemaal van af wie dat zegt.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou… als jij mij dat vraagt… als man… dan zou ik zeggen: voetbal.’
‘Heel goed. Maar stel nou eens dat een vrouw dat heeft gezegd. Wat bedoelt ze dan?’
‘Als een vrouw zegt dat mannen maar aan één ding denken, dan zal het wel over seks gaan. Het eeuwige vrouwelijke verwijt dat de mannelijke geest alleen maar aan één ranzig ding kan denken.’
‘Juist. Dat dacht ik dus ook. En daarvan uitgaande kunnen we misschien iets proberen. Het is een wilde gok, maar wel een die de moeite waard is, denk ik.’
‘En dat is?’
‘We zijn op zoek naar de man met het wapen… de Nagant 7.62.’
‘Kanjer.’
‘Precies, Kanjer. Met die naam belde hij een prostituee, Loesje de Vries.’
Jacob ging langzaam rechtop zitten, vol interesse. Hij wist waar de oude rechercheur naartoe wilde.
‘Klopt. En nu denk je…’
Hij stopte en Peter van Opperdoes maakte de zin af.
‘…mannen denken maar aan één ding: seks. Als Kanjer die naam gebruikt bij één prostituee, is de kans heel groot dat hij ook andere meisjes bezoekt onder die naam.’
Jacob stond op en liep opgewonden heen en weer door de kamer.
‘We gaan wat escortdames af en zoeken meisjes die qua uiterlijk vergelijkbaar zijn met Loesje de Vries… want dat is toch zijn smaak… en zoeken uit of een van hen wel eens een klant krijgt die zichzelf Kanjer noemt.’
Peter van Opperdoes haalde zijn opschrijfboekje tevoorschijn.
‘Ik ken nog wel wat mensen uit die prostitutiewereld…’
Jacob glimlachte spottend. ‘Uit je tijd bij de Warmoesstraat, zeker.’
‘Inderdaad. Goeie contacten, Jacob, is het halve recherchewerk.’
Jacob ging ongedurig naast Peter van Opperdoes staan. ‘Ja, ja, dat zal wel. Maar als we Kanjer hebben, zijn we al een enorm stuk verder.’
‘Een stuk verder. Want juich niet te vroeg. Als we Kanjer hebben, zijn we er nog niet.’
‘Kom op zeg, als we Kanjer hebben, zijn we er al bijna. Loesje heeft hem met het wapen gezien en daarna is ze vermoord. En Maurits Lepelaar is ook met het wapen vermoord dat toebehoort aan Kanjer.’
Peter van Opperdoes hief zijn vinger op. ‘Toebehoorde. Op het moment dat Loesje hem ermee zag. Wat er daarna met dat wapen gebeurd is, of wie het nu heeft, weten we niet.’
Jacob knikte peinzend. ‘Dat is waar. En het is wel een goed idee om Kanjer te pakken. Maar er is iets anders wat meespeelt, betreffende de rol van Kanjer in dit hele onderzoek… bedacht ik vannacht.’
Peter van Opperdoes keek verbaasd op. ‘Wat speelt er dan mee? Anders dan we dachten?’
Jacob zweeg even.
‘Misschien is zijn rol niet zo groot als we eerst dachten. Wij dachten dat Loesje vermoord was omdat ze de Nagant 7.62 van haar vader bij Kanjer had gezien. Maar ik denk niet dat dat de reden is dat ze is vermoord.’
‘Niet?’
Jacob ijsbeerde weer en weer door de kamer, terwijl hij zijn verhaal vervolgde. ‘Nee. Kijk… Kanjer heeft natuurlijk gemerkt dat zij het wapen heeft gezien. Hij is ook niet achterlijk, hij heeft het naast haar hoofd op het nachtkastje gelegd. Hij ging uit van de discretie van de prostituee. Die hebben ook een soort privacyreglement, al is het dan niet officieel. Hij maakte op dat moment geen geheim van dat wapen en was ervan overtuigd dat zijn geheim… het wapen… veilig was bij haar.’
Peter van Opperdoes glimlachte om het serieuze gezicht waarmee Jacob zijn theorie ontvouwde. ‘Kanjer wilde gewoon een wip maken en weer weg.’
Jacob keek Peter van Opperdoes gretig aan. ‘Precies! Het was helemaal zijn bedoeling niet om haar te vermoorden, anders had hij dat meteen wel gedaan. Daar, ter plekke! Toen ze het wapen zag!’
Peter van Opperdoes knikte langzaam. ‘Daar zit iets in. Waar wil je naartoe?’
‘Ik denk dat Loesje de Vries vermoord is… niet omdat ze het wapen had gezien, maar omdat ze met die wetenschap naar de politie is gelopen. Als ze haar mond had gehouden, was er vermoedelijk niets aan de hand geweest. Het pistool is van minder belang dan we dachten, het gaat erom dat Loesje naar de recherche is gegaan om haar verhaal te vertellen. Degene die haar vermoord heeft, was daardoor bang dat ze misschien nog wel veel meer zou gaan vertellen. Iets wat wij… nu… nog niet weten.’
Peter van Opperdoes keek geamuseerd. ‘Het is een mooie redenatie.’
Jacob knikte tevreden. ‘Dat vond ik nou ook.’
‘Maar hij klopt niet.’
Jacobs mond zakte een stukje open. ‘Niet?’
Peter van Opperdoes ging rechtop zitten en keek zijn jonge collega vriendelijk aan. ‘Wanneer was Kanjer precies bij Loesje de Vries op bezoek?’
‘Eh… nou… de avond voordat ze hier was.’
‘Precies. En hoe wist Kanjer dat ze naar de politie is gegaan? Denk jij dat Kanjer haar de hele avond, de hele nacht en de hele volgende ochtend in de gaten heeft laten houden? Om te zien wat ze zou gaan doen na zijn bezoek?’
Jacob liep terug naar zijn bureau en liet zich in zijn stoel zakken. ‘Nee, dat denk ik eigenlijk niet.’
‘En wie wist er allemaal dat Loesje naar de politie zou gaan? Ik denk niet dat zij dat aan iemand heeft verteld. En op dit bureau wisten alleen jij en ik dat… en misschien iemand beneden bij de balie, maar verder niemand. En ik heb haar nagekeken toen ze het bureau verliet, maar ik zag niemand haar volgen.’
Jacob zweeg teleurgesteld.
Peter van Opperdoes zwaaide met zijn hand. ‘Jacob, trek het je niet aan. We moeten het juist van dit soort redenaties hebben. Theorieën. Scenario’s. Wat er gebeurd kan zijn. Dat zijn belangrijke vragen voor ons. Alle mogelijkheden moet je onderzoeken en je zit er misschien tien keer naast voordat je goed zit.’
‘Maar Kanjer blijft belangrijk.’
‘Natuurlijk! Want het allerbelangrijkste wat wij nu willen weten, is iets wat alleen Kanjer ons kan vertellen.’
Jacob keek op. Hij wist wat Peter van Opperdoes bedoelde.
‘Wat er met zijn Nagant 7.62… ons moordwapen… is gebeurd na zijn bezoek bij Loesje.’
‘Precies. En misschien kan hij ook enige opheldering geven over het motief van de twee moorden. Waarom zijn die dagboeken gestolen? Wat stond daarin? Wat is de relatie tussen Kanjer, Igor de Verschrikkelijke, de halfzusjes Loesje en Gabriëlle en hun vader? Er speelt iets op de achtergrond, wat de reden is voor dit alles. Iets wat belangrijk genoeg is om twee mensen voor te vermoorden. Daar kan Kanjer ons wellicht meer over vertellen.’
Jacob kwam naar Peter van Opperdoes toe lopen en wees op het boekje, dat inmiddels opengeslagen op zijn bureau lag. Hij zag dat de oude rechercheur wat illustere namen had neergeschreven, als Blonde Sjaan, Zwarte Sien en Flip de Pooier, met adressen en telefoonnummers erachter.
Enthousiast klopte Jacob op het boekje. ‘We moeten hem hebben. En ik denk dat we Kanjer in de val kunnen laten lopen.’