Peter van Opperdoes leunde rustig achterover en plukte aan zijn neus. Hoe lang de stilte in de verhoorkamer ook duurde, de man tegenover hem verbrak hem niet.
Het was een oude recherchetruc, zo’n stilte laten vallen. Het was bijna zoiets als een spelletje van twee kinderen die elkaar lang en strak in de ogen kijken — wie het eerste zijn ogen neersloeg of wegkeek, had verloren.
Zo was het nu ook. Wie het eerst zijn mond open zou doen, had verloren. Maar Peter van Opperdoes was niet van plan om iets te zeggen. Hij nam alle tijd. Rustig observeerde hij de man. Niets wees erop dat deze verdachte als eerste zou gaan praten. Zijn blik bleef kalm, bijna uitdagend op de oude rechercheur rusten.
De man was begin veertig. Zijn haar was keurig verzorgd, hij was netjes geschoren en droeg kleding die klasse en het bezit van geld verraadden. En toch had Peter van Opperdoes vanaf de eerste seconde geweten dat de man niet deugde. Een gevoel dat alleen maar versterkt werd door de waslijst aan antecedenten die zich in zijn dossier bevonden, van zware mishandeling tot handel in drugs en wapens.
Uiteindelijk verbrak de man de stilte, maar niet op een manier die de oude rechercheur verwachtte.
‘Ik heb hier geen zin in. Als u spelletjes wilt spelen, breng me dan maar terug naar mijn cel. Daar kan ik tenminste een blaadje lezen.’
Peter van Opperdoes trok een wenkbrauw op. ‘U ziet dit als een spelletje, meneer Blonke?’
‘U stelt mij nu al uren steeds dezelfde vragen en ik geef u al uren dezelfde antwoorden. Maar kennelijk bevalt dat u niet, en dus gaat u spelletjes zitten spelen. Stommetje.’
Peter van Opperdoes leunde voorover. Voor hem, in het dossier, bevond zich het antecendentenrapport van deze Rutger Blonke. Een waslijst aan contacten met politie en justitie.
Tot nu toe had het verhoor weinig opgeleverd.
==
Ja, het pistool had ik in mijn bezit.
Ik heb dit pistool een paar uur geleden gevonden en wilde het naar de politie brengen. Echter, ik had een afspraak met een dame, en daar ben ik eerst naartoe gegaan.
Nee, ik weet niets van een schietpartij.
Nee, ik weet ook niets van een andere prostituee.
De naam Loesje de Vries? Die zegt mij niets. U laat me een foto van haar zien… ik ken haar niet.
De naam Kanjer. Ach ja, een man moet toch wat verzinnen, nietwaar?
==
Dat was het. Hoe hij het ook probeerde, Rutger Blonke week niet van deze antwoorden af. Peter van Opperdoes kwam geen steek verder.
Omdat er na lang aanbellen niet open werd gedaan, duwde Jacob eens tegen de voordeur van Rutger Blonke aan, die afgesloten bleek met een aantal indrukwekkende sloten.
‘Gaat u de deur openschoppen?’ Een jonge agent die met hem mee was gegaan voor de huiszoeking wees gretig op de deur. ‘Zal ik helpen?’
Jacob aarzelde even. ‘Ik denk het niet. Ik denk dat ik de deur wel open krijg met een speciaal, geheim apparaat.’
‘O?’ reageerde de agent verbaasd. ‘Dat ken ik niet. Wat is dat dan? Zo’n apparaatje waarmee je sloten kan kraken? Waarover je wel eens in boeken leest?’
‘Zoiets…’ mompelde Jacob. Hij rommelde in zijn jaszak en trok iets tevoorschijn. ‘De sleutels uit de fouillering van de verdachte, noemen we dat.’
De teleurstelling droop van het gezicht van de jonge agent af, terwijl Jacob de deur snel opende. Ze betraden de woning voorzichtig, hoewel het bijna onmogelijk was dat iemand zich nog binnen bevond. Toen de woning inderdaad leeg bleek, begonnen ze te zoeken.
‘Waar moeten we op letten?’ vroeg de jonge agent.
Jacob keek om zich heen. De woning was groot, en bijzonder duur ingericht. Rutger Blonke beschikte over veel geld, dat was duidelijk.
‘Let vooral op drugs en wapens. En zwarte notitieboekjes. We zoeken namelijk de dagboeken van het slachtoffer.’
Jacob trok plastic handschoenen aan en bekeek de enorme woning. Waar moest hij in ’s hemelsnaam beginnen met zoeken?
De collega was de slaapkamer in gegaan en Jacob hoorde kasten opengaan en laden piepen.
Hij deed een stap naar de kast waar de televisie, een enorm plasmascherm, in stond en wilde daar gaan zoeken. Maar terwijl hij langs de bank liep, was het alsof zijn aandacht naar diezelfde bank werd getrokken. Zelfs toen hij voor de tv stond, werd hij bijna gedwongen om achterom naar de immense bank te kijken. Langzaam draaide hij zich om.
Jacob liep naar de bank en trok de kussens eruit. Er lag niets onder. Hij tilde de elementen van de bank voorzichtig omhoog om onder de bank te kunnen kijken, maar ook daar was niets te vinden.
Hij was bijna van plan om de bank te laten voor wat deze was, tot hij merkte dat hij met zijn hand tussen de rug en de zitting van de bank kon voelen. Daar was een diepe ruimte.
Langzaam gleed hij met zijn hand door de bank tot hij iets voelde.
Hij legde zijn knie op de zitting van de bank en duwde de rugleuning naar achter, zodat hij vrij in de ontstane ruimte kon kijken.
Toen verstijfde hij.
‘Meneer Blonke, ik denk dat u liegt.’
Blonke haalde zijn schouders op. ‘Met alle respect, maar dat is uw probleem, niet het mijne.’
‘Ik denk dat u bij Loesje de Vries bent geweest. Ik weet niet wat er precies tussen jullie is voorgevallen, maar misschien kunt u mij dat vertellen.’
Rutger Blonke kauwde peinzend op zijn onderlip. ‘Mag ik die foto nog eens zien?’
Peter van Opperdoes sloeg het dossier open en toonde de foto van Loesje aan Blonke.
‘Nee hoor, ze komt me echt niet bekend voor. Het spijt me dat ze dood is, maar ik heb dat niet gedaan.’
‘Hoe weet u dat ze dood is?’ vroeg Peter van Opperdoes snel.
Heel even leek Rutger Blonke van zijn stuk gebracht. ‘Dat hebben die agenten beneden me verteld. Bovendien word ik verdacht van doodslag c.q. moord, dus die conclusie lijkt me niet zo moeilijk.’
De oude rechercheur borg de foto weer zorgvuldig op. ‘Niemand heeft u verteld dat het om haar ging. Bovendien wordt u nog niet verdacht van moord. U bent aangehouden wegens verboden wapenbezit. U rende weg voor de politie, weet u nog?’
Rutger Blonke schoot naar voren en zijn vinger priemde naar het gezicht van Peter van Opperdoes.
‘Ik wist niet dat die idioot van de politie was. Er wordt daar zoveel geroofd en mishandeld… als er iemand achter je aan loopt, dan mag je vluchten. Daar is niets vreemds aan, laat staan dat het strafbaar is!’
‘Er is duidelijk geroepen dat u staan moest blijven, en dat wij van de politie waren.’
Rutger Blonke flapte met zijn vingers achter zijn oren. ‘Mijn gehoor is niet zo best. Kan ik het helpen?’
Er klonk een bescheiden klop op de deur.
‘Binnen,’ antwoordde Peter van Opperdoes.
De wachtcommandant stak zijn hoofd om de deur. ‘Er is een advocaat voor de verdachte.’
‘Dan zal hij even moeten wachten. We zitten in verhoor.’
Rutger Blonke stond al half op. ‘Wat mij betreft zijn we klaar.’
De oude rechercheur gebaarde scherp. ‘Ga zitten, jij…’
‘Hij wil je heel dringend spreken,’ ging de wachtcommandant door.
Peter van Opperdoes stond moeizaam op en verliet de verhoorkamer.
‘Hij staat bij de balie,’ gaf de wachtcommandant aan.
Toen Peter van Opperdoes de deur naar de balie opendeed, aarzelde hij even. Dit was iets wat hij niet had verwacht. De advocaat die op hem wachtte, kwam met uitgestoken hand op hem aflopen.
‘Dat is lang geleden.’
‘Cas Dodewaard…’ antwoordde de oude rechercheur. ‘Dat wij elkaar hier weer tegenkomen. Ik had niet verwacht jou nog in een politiebureau te zien.’ Hij schudde de advocaat kort de hand, uit beleefdheid. De oude rechercheur was te veel heer om de hand te negeren.
Cas Dodewaard reageerde koel. ‘Misschien moeten mijn ex-collega’s het verleden laten rusten.’
Peter van Opperdoes glimlachte. ‘Dat lijkt me ijdele hoop. Jij hebt je collega’s verraden en voor de duistere kant gekozen, dat is jouw keus geweest. Verwacht nu niet dat je hier mensen tegenkomt die jou als hun gelijke willen behandelen. Want dat ben je niet meer. En dat is je eigen keuze geweest.’
Het gezicht van Cas Dodewaard betrok. ‘Ik had kunnen weten dat je zo zou reageren. Jij bent altijd al zo rechtlijnig en rechtschapen geweest.’
Peter van Opperdoes trok zijn schouders op. ‘Daar kan ik anders goed mee leven.’
Cas Dodewaard wipte heen en weer op zijn suède schoenen, waar een klein kwastje aan hing. Hij droeg een vlotte spijkerbroek en een overhemd, met daaroverheen een lange jas. Duur allemaal, dat was wel duidelijk. Een chique aktetas completeerde het geheel.
Maar Peter van Opperdoes wist wel beter. Hoe duur Cas Dodewaard ook deed, hij bleef een onsympathiek en bijzonder fout mens, wiens verraad een doodzonde was geweest voor alle rechercheurs die met hem gewerkt hadden. De woedende uitbarsting van wachtcommandant Rozenbrand van de Warmoesstraat toen hij de naam van Dodewaard hoorde, had boekdelen gesproken.
Cas Dodewaard keek hem lang en ondoorgrondelijk aan. ‘Ik wil graag mijn cliënt spreken. Rutger Blonke. Nu, als dat kan.’
‘Blonke zit in verhoor en jij weet ook dat je dan geen toegang hebt tot je cliënt.’
‘Dan blijf ik hier wachten tot hij klaar is. Dat zal niet al te lang duren, denk ik, want mijn cliënt zegt toch niets. Je kunt proberen wat je wilt, hij zal geen verklaring afleggen.’
‘Dat wil ik dan graag van jouw cliënt zelf horen. In ieder geval zal je moeten wachten tot we klaar zijn met verhoren. En dat kan nog wel even duren. Ik laat je wel bellen als we klaar zijn.’
Dodewaard deed twee stappen in de richting van de deur en draaide zich toen op zijn hakken om. ‘Ik hoor dat jij je behoorlijk hebt vastgebeten in deze zaak. Ben je daar niet een beetje te oud voor?’
‘Niets bevredigender dan deze lafhartige moordenaar van een vriendelijke jonge vrouw op te pakken en op te bergen. Liefst zo lang mogelijk. Daar heeft mijn leeftijd weinig mee te maken. Hoogstens werkt mijn ervaring nu in mijn voordeel.’
Dodewaard snoof hooghartig. ‘Dan wens ik je succes. Dat zal je nodig hebben.’
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘We zullen zien.’
Hij draaide zich zonder verder iets te zeggen om en liep het trapportaal in.
Cas Dodewaard keek hem vuil na.
De wachtcommandant, die het gesprek belangstellend had gevolgd en blij was met de afloop van het gesprek, richtte zich tot de advocaat.
‘Aangezien u hier niets meer te zoeken heeft, verzoek ik u vriendelijk ons bureau te verlaten. En wel heel snel. U heeft uw zaken gedaan, u bent verder niet welkom.’
Dodewaard zag de vastberaden grijns op het gezicht van de wachtcommandant. Hij wist dat zeuren, klagen of kwaad worden geen enkele zin had. Toch bleef hij even staan, met een woedende trek op zijn gezicht.
De deur van het bureau Raampoort werd opengegooid en Jacob viel door zijn enthousiasme half naar binnen. Hij schoof Cas Dodewaard aan de kant.
‘Ik moet erdoor. Sorry.’
In zijn hand hield hij een goed verpakte ondoorzichtige zak vast. Cas Dodewaard keek naar hem, en naar wat Jacob in zijn hand hield. Hij kon niet goed zien wat het was, maar een bezorgde trek gleed over zijn grimmige gezicht toen hij het bureau verliet.
Rutger Blonke zat defensief achterover met zijn armen over elkaar. Zijn staalblauwe ogen boorden zich in die van Peter van Opperdoes.
‘Dat je nog terugkomt in deze verhoorkamer. Was ik niet duidelijk geweest?’
‘Heel duidelijk. En ik denk dat u… en ik heb dat al eerder gezegd… ik denk dat u liegt.’
‘Heel diplomatiek. Heel netjes ook. Laat ik een diplomatiek antwoord teruggeven, zonder mijn geduld te verliezen, al is het moeilijk. Dit is mijn antwoord: bewijs het maar.’
Peter van Opperdoes sloeg het dossier dicht en schoof het demonstratief naar de zijkant van het bureau.
‘Ik heb de tijd. Voorlopig zit u vast voor verboden wapenbezit. Het wapen wordt onderzocht en dus hebben wij alle tijd.’
Rutger Blonkes gezicht vertrok zich tot een grimas. ‘Zie je wel? Je hebt niks tegen me.’
Peter van Opperdoes sloeg met zijn vlakke hand op de tafel.
‘Jij bent degene geweest die bij Loesje de Vries is geweest, met een pistool bij je. En zij heeft dat gezien en is vlak daarna doodgeschoten met datzelfde pistool.’
Rutger bleef grijnzen. ‘Ik ken geen Loesje de Vries.’
Op dat moment ging de deur van de verhoorkamer open en kwam Jacob binnen. Hij keek even naar Rutger, die hem vuil aanstaarde, en fluisterde toen Peter van Opperdoes iets in het oor. Die klaarde zienderogen op.
‘Werkelijk?’ vroeg de oude rechercheur.
‘Geen twijfel mogelijk. Ik heb het direct laten onderzoeken bij de technische recherche. Er is geen twijfel mogelijk.’
Peter van Opperdoes draaide zich weer naar Rutger Blonke, een triomfantelijke grijns op zijn gezicht.
‘Bij ieder misdrijf haalt de dader altijd wel één stommiteit uit. Eén fout, hoe klein ook. Het is de taak van de recherche die te vinden. Soms lukt dat, soms niet.’
Rutger had er genoeg van. ‘Aan je kop te zien denk je dat je iets hebt.’
‘Wat was er, Rutger? Was je eraan gehecht? Vond je het zonde om weg te gooien?’
Nu verloor Rutger zijn geduld. Hij schoof zijn stoel hard achteruit. ‘Wat man, wat? Waar heb je het over?’
‘Over de Nagant 7.62.’
‘Wat is dat?’
‘Dat is het wapen waarmee Loesje de Vries en Maurits Lepelaar zijn doodgeschoten. Het moordwapen, zogezegd. En dat moordwapen is zojuist bij een officiële huiszoeking in jouw woning aangetroffen.’
Rutger sprong op. Onwillekeurig deinsden Jacob en Peter van Opperdoes achteruit. Wild keek hij de twee rechercheurs aan.
‘Verdomme, je lult! Wat een smerige truc, wat een vuile, smerige truc! Dat wapen lag niet in mijn woning! Dat kan niet!’
Jacob ging naast Rutger staan. ‘Ja, dat kan wel. Het zat verstopt in je bank, omdat je niet wilde dat het werd gevonden. Maar het was een officiële huiszoeking, en wij hebben het gevonden. Kortom… je hangt.’
Rutger leek waanzinnig geworden. ‘Het is niet waar!’ gilde hij. ‘Ik heb dat wapen niet!’
Peter van Opperdoes bleef verbazingwekkend rustig en kalmeerde de overspannen verdachte. ‘Rutger, ga zitten. Het is allemaal heel simpel. Jij gebruikt de naam Kanjer. Jij bent met het wapen bij Loesje geweest. Loesje is met dat wapen vermoord, evenals Maurits Lepelaar. Er is weinig twijfel dat jij Kanjer bent, en nu is het wapen in jouw woning gevonden. Zoals ik zei: het is heel simpel. Met dit overweldigende bewijs ga jij veroordeeld worden voor moord.’
Rutger schudde verwoed zijn hoofd. Hij zag bleek. ‘Ik was het niet. Ik was het niet…’
‘Beken nou maar, Rutger… je kan hier niet onderuit. Zelfs met een advocaat als Cas Dodewaard niet.’
Rutger keek op. ‘Was Cas Dodewaard hier?’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Hij presenteerde zich als jouw advocaat.’ De oude rechercheur kneep zijn ogen samen. Nu vielen een paar puzzelstukjes op hun plek. ‘Is Cas Dodewaard jouw advocaat niet?’
Rutger perste zijn lippen op elkaar. ‘Ik zeg niks meer.’
Peter van Opperdoes keek Jacob even aan. ‘Rutger, denk heel goed na over wat ik je heb gezegd. Je hangt voor moord. Het moordwapen is bij jou gevonden.’
Rutger zweeg en sloeg zijn ogen ten hemel. Hij zuchtte diep.
‘Dan hebben jullie het bij me neergelegd.’
Jacob keek hem strak aan. ‘Hoe hadden wij aan dat wapen moeten komen?’
Rutger schudde zijn hoofd. ‘Je moet me geloven. Iemand heeft het wapen in mijn huis verstopt. Ik had het wapen niet meer. Ik zweer het. Iemand heeft het wapen bij mij neergelegd om de schuld in mijn schoenen te schuiven.’
Peter van Opperdoes boog voorover. ‘Wie, Rutger? Wie heeft het wapen in jouw huis gelegd?’
Rutger wiegde heen en weer in zijn stoel, ten prooi gevallen aan een innerlijke strijd. Hij keek om zich heen, maar niet naar de twee rechercheurs. Het leek uren te duren voor hij weer begon te praten. Hij keek Peter van Opperdoes recht in de ogen.
‘Ik heb de moorden niet gepleegd, dat zweer ik.’ Hij zuchtte een paar keer diep. ‘Ik zal jullie vertellen wat ik weet.’