Toen Jacob de volgende morgen de recherchekamer van het politiebureau Raampoort binnenstapte, schoof Peter van Opperdoes een lijvig dossier van de technische dienst ver van zich af en keek geamuseerd op. Zijn jonge collega zag er, zo vond hij, wat vermoeid uit. Zijn ogen stonden dof en zijn haar hing uit de plooi.
Met een wat trage pas kwam Jacob naderbij, slaakte een diepe zucht en liet zich met een plof in de stoel achter zijn bureau zakken.
De oude rechercheur lachte.
‘Gisteren… die twee moorden op een dag… was dat iets te veel voor een jonge rechercheur?’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘Echt, ik heb vannacht ondanks dat gedoe van gisteren toch verrukkelijk geslapen. Een goed glas rode bourgogne voor het naar bed gaan doet wonderen.’
Hij schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Maar die gerechtelijke sectie vanmorgen op Westgaarde was ronduit slopend.’
‘Hoezo?’
Jacob strekte zijn rug. ‘Als je er als jonge rechercheur toe wordt verplicht er met je neus bovenop te moeten staan om toe te zien hoe een mooi, jong vrouwenlijf door een patholoog-anatoom zonder enig spoor van emotie wordt opengepeuterd, dan gebeurt er vanbinnen toch iets met je.’
‘Wat dan?’
Jacob kneep zijn ogen halfdicht. ‘Het is verschrikkelijk. Je gevoel komt in een totale opstand. Je maag knort en bromt voortdurend een protest… alsof in jouw onmiddellijke nabijheid… pal voor jouw ogen… een gruwelijke moord wordt gepleegd… zonder dat je er ook maar iets aan kunt doen om dat te voorkomen. Dat is… dat is…’ stotterde hij, ‘…dat is ronduit frustrerend.’
Peter van Opperdoes maakte een nonchalant gebaartje. ‘Rustig maar. Na je tiende gerechtelijke sectie raak je eraan gewend. Of je went er nooit aan.’
Jacob zweeg even. Zijn hand gleed over zijn gezicht. ‘Het spijt me Peter,’ sprak hij zuchtend. ‘Echt. Zo’n patholoog-anatoom is in mijn ogen toch niet veel meer dan een gediplomeerd slager.’
Peter van Opperdoes grinnikte. ‘Laten de heren van het gilde der pathologisch-anatomen het maar niet horen.’ De oude rechercheur boog zich iets naar voren. ‘Heb je ondanks die aanvallen op jouw jonge ziel ook nog op de resultaten gelet?’
Jacob pakte zijn notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbert.
‘Er is tweemaal op Loesje de Vries gevuurd. Althans, ze is twee keer geraakt. Beide keren hoog in haar rug. Het gebeurde volgens de patholoog-anatoom vermoedelijk tijdens de vlucht naar haar huis, terwijl ze iets gebogen liep. De kogels hebben haar lichaam niet verlaten. De baan van een van de kogels is iets afgeweken door het afketsen op een rib, links van het borstbeen. De andere kogel heeft rechtstreeks haar hart doorboord.’
Peter van Opperdoes knikte begrijpend. ‘Dat was de doodsoorzaak.’
Jacob knikte. ‘De patholoog-anatoom noemde als doodsoorzaak inwendige bloedingen.’
‘Wie was de patholoog-anatoom?’
‘Dokter Van Gorcum.’
Peter van Opperdoes hield zijn hoofd iets scheef. ‘Een aardige vent?’
Er kwam weer wat kleur op de wangen van Jacob. De vermoeide trekken verdwenen.
‘Toch wel,’ reageerde hij wat schuchter. ‘Zeker. Toen de kundige slager niet langer een vervaarlijk lancet in zijn handen had, leek hij plotseling heel normaal… vriendelijk, voorkomend, amicaal.’
De jonge rechercheur schoof de herinnering uit zijn gedachten, tastte naar een zijzak van zijn colbert en nam daaruit twee plastic zakjes. Hij schoof die zijn oudere collega toe.
‘De kogels,’ verduidelijkte hij. ‘De kogels uit het lichaam van Loesje.’
Peter van Opperdoes nam de projectielen uit de plastic zakjes en bekeek ze aandachtig. Een paar maal draaide hij de kogels tussen zijn vingers. Daarna legde hij ze op het bureau voor zich neer.
‘Ik heb niet zoveel verstand van wapens,’ formuleerde hij voorzichtig. ‘Ik bedoel… ik ben geen deskundige op dat gebied, maar beide kogels hebben duidelijk een identieke beschadiging.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Eenzelfde soort beschadiging komt op beide kogels voor.’
‘En dat betekent?’
Peter van Opperdoes treuzelde even. ‘Het zou kunnen betekenen,’ sprak hij met enige terughoudendheid, ‘dat de beschadigingen zijn veroorzaakt door afwijkingen in de trekken en velden van de loop van het wapen waarmee deze kogels zijn afgevuurd.’
Jacob keek hem verrast aan. ‘Dat is heel bijzonder.’
‘Ja.’
‘Wij hebben daarmee wellicht de mogelijkheid om de afgevuurde kogels naar het gebruikte moordwapen te herleiden?’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Dat is heel scherp opgemerkt.’
Jacob negeerde de lof. ‘Het kan voor ons onderzoek waardevol zijn.
‘Zeker.’
Jacob stond van zijn stoel op, boog zich iets voorover en wees naar de twee kogels op het bureau van Peter van Opperdoes.
‘Ze lijken mij wat klein… kleiner dan de kogels uit onze dienstpistolen.’
De oude rechercheur knikte. ‘Die hebben het kaliber 9 mm.’
‘En deze dan?’ wees Jacob op de twee kogels.
‘Ik schat ze op kaliber 7.62 mm.’
De ogen van Jacob glinsterden. ‘Een Nagant?’
De beide rechercheurs zwegen een poosje. Het was Peter van Opperdoes die de stilte verbrak. Hij keek op zijn polshorloge.
‘Het is nu zo’n vierentwintig uur geleden dat de bevallige Loesje de Vries hier aan de Raampoort bij mij kwam en haar verhaal deed over een op seks beluste man die zich als Kanjer had gepresenteerd.’
Jacob gniffelde. ‘En in de explosie van zijn lusten werd gehinderd door een exclusieve revolver, die tussen de band van zijn pantalon zat geklemd.’
Peter van Opperdoes knikte.
‘De revolver werd door Loesje de Vries positief herkend als een Nagant, die een paar jaar geleden bij een inbraak uit de woning van haar vader werd ontvreemd. Van de diefstal van dat wapen werd door de vader, in het bijzijn van zijn dochter, aangifte gedaan aan het grillige politiebureau aan de Warmoesstraat. Zeker op het moment dat ik daar nog dienst had.’
Jacob negeerde de opmerking. Hij krabde zich een paar maal achter in de nek. ‘Het onderzoek naar de inbraak, zo weten we, werd gedaan door rechercheur Johnny Barendse?’
Peter van Opperdoes onderbrak hem. ‘In samenwerking met een collega van wie wij de naam nog niet kennen.’
‘Precies. En het dossier van dat onderzoek, waarin zelfs de naam van een mogelijke dader werd genoemd?’
De oude rechercheur onderbrak hem opnieuw. ‘Ene Maurits Lepelaar.’
Jacob knikte instemmend. ‘Juist… en dat voor ons zo belangrijke dossier is plotseling spoorloos uit de administratie van het politiebureau aan de Warmoesstraat verdwenen en niemand weet waar het zich bevindt.’
Peter van Opperdoes zuchtte diep. ‘Een rode kaart voor de Warmoesstraat.’
‘Dat mag je wel zeggen.’
Peter van Opperdoes spreidde zijn armen. ‘Inmiddels zijn Loesje de Vries en Maurits Lepelaar het slachtoffer geworden van een moordaanslag… vermoedelijk gepleegd door dezelfde dader.’
Jacob trok zijn neus iets op. ‘Dezelfde dader?’
De oude rechercheur knikte. ‘Dezelfde dader.’
‘Hoe kom je op die gedachte?’
Peter van Opperdoes gebaarde voor zich uit. ‘In zijn woning aan de Westerstraat lag Maurits Lepelaar op zijn buik. Ik heb gisteren, nadat de technische dienst was verdwenen en zij geen kogels in de nabijheid van het slachtoffer hadden gevonden, de wonden van Maurits Lepelaar bekeken. Ik trof… net als bij Loesje de Vries… twee kogelinslagen aan, dicht bij elkaar in de rug. Dat zegt iets omtrent de dader of daderes.’
‘Hoe bedoel je?’
‘De man of de vrouw die het wapen hanteerde, durft zijn of haar slachtoffers blijkbaar niet rechtstreeks in de ogen te kijken op het moment dat hij of zij het vonnis velt.’
‘Laf.’
‘Precies. In Duitsland heeft ver voor de oorlog een beruchte seriemoordenaar geleefd, die zijn slachtoffers altijd door beide ogen schoot, uit angst dat op het netvlies van zijn slachtoffers ook na hun dood het beeld van hun moordenaar zichtbaar zou blijven.
En ik heb jaren geleden aan de Warmoesstraat eens een man gearresteerd die men zonder enige terughoudendheid als keihard en meedogenloos zou kunnen kwalificeren, maar die dezelfde angst kende.’
Jacob knikte begrijpend. ‘Bang om zijn slachtoffer in de ogen te zien.’
‘Ga jij morgenochtend naar de gerechtelijke sectie op het lijk van Maurits Lepelaar?’
Jacob grinnikte. ‘Op de recherchecursus hebben ze mij geleerd dat het bijwonen van een gerechtelijke sectie altijd aan de jongere rechercheur wordt opgedragen.’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Dat is het privilege van de ouderen,’ sprak hij gelaten. ‘Daar kom je vanzelf ooit aan toe.’
‘Zal ik alvast wat op papier zetten?’
‘Heb je genoeg aantekeningen?’
‘Absoluut.’
‘Begin maar… in chronologische volgorde.’
‘Ook het begin van jouw eerste treffen met Loesje de Vries hier aan de Raampoort?’
‘Ja.’
‘Ik was daar niet bij.’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Dat geeft niets. Ik teken het proces-verbaal toch aan het einde samen met jou. Ik blijf medeverantwoordelijk voor de inhoud.’
Jacob stond van zijn stoel op. ‘Ik ga eerst wat eten.’
Toen Jacob op weg naar zijn patatje oorlog de kamer van de recherche had verlaten, leunde Peter van Opperdoes in zijn bureaustel achterover en staarde voor zich uit.
‘Ben je er?’
‘Natuurlijk. Zolang jij nog niet bij mij bent en daar beneden ronddoolt, blijf ik op je letten.’
‘Dat is lief van je. Ik blijf nog maar een poosje. Het is wel rommelig op deze aardkloot, maar ik ben nog niet aan een hemelvaart toe.’
‘Die dag komt. Het is overigens de vraag of jij toegelaten wordt. Onze Lieve Heer is streng. Je komt hier in de hemel maar weinig politiemensen tegen.’
‘Ik zal mijn best doen. Mijn eerste klus is om deze zaak op te lossen.’
‘Het gaat niet zo best, heb ik begrepen.’
Peter van Opperdoes maakte een afwerend gebaartje. ‘We zijn pas anderhalve dag bezig. Het is een ingewikkeld geval en ik beken je eerlijk dat ik er nog geen steek van begrijp.’
‘Dat zal nog wel een poosje zo blijven.’
‘Hoezo?’
‘Je bent niet zo jong meer. Die oude hersenen van je hebben ook hun beste tijd gehad.’
‘Toe nou.’
‘Ik kan het hier boven beter op mijn gemak bekijken dan jij daar beneden.’
Peter van Opperdoes kwam uit zijn leunende houding naar voren. ‘Er wordt op de deur van de recherchekamer geklopt.’
‘Ik weet wie aan de andere kant van de deur staat. Het zal je verbazen.’
Peter Opperdoes riep: ‘Binnen.’
De deur ging langzaam open en in de deuropening stond een knappe vrouw. De oude rechercheur schatte haar achter in de dertig jaar. Ze droeg een prachtige bruine pelsmantel met capuchon. In keurige, afgemeten pasjes kwam ze naderbij. Toen ze in het licht van de ramen stond, kreeg Peter van Opperdoes een schok. De gelijkenis was markant. Hij meende Loesje de Vries te zien.
Hij kwam traag overeind en schoof wat onhandig een stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten. Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
Hij keek toe hoe ze haar bontmantel losknoopte en haar betoverende figuur in zacht roze aan hem openbaarde.
‘U bent rechercheur Van Opperdoes?’
De oude rechercheur drukte een brok uit zijn keel. ‘Zeker… dat ben ik.’
‘U behandelt de moord op mijn zuster… mijn jongere zuster… Loesje de Vries.’
Peter van Opperdoes knikte. ‘Dat is mijn taak.’
De vrouw schoof haar stoel nog iets dichter naar hem toe. ‘Ik ben Gabriëlle, de zuster van Loesje de Vries, echtgenote van wijlen Igor Ibramovic. Ik wil u inlichtingen verschaffen… openheid van zaken geven.’