Hoofdstuk 4

‘Je maakt je reputatie helaas meer dan waar.’ Commissaris Van Straaten plofte moedeloos in zijn stoel. ‘Al maanden hebben we het rustig in de Jordaan, maar op jouw eerste dag in dit district steekt de dood zijn lelijke kop om de hoek, alsof hij op je stond te wachten.’

‘Voor Loesje de Vries is het anders ook niet zo prettig.’

Peter van Opperdoes’ stem klonk scherp. Hij had een uitgesproken hekel aan leidinggevenden die zich druk maakten om de hoogte van de criminaliteitscijfers, zonder oog te hebben voor al het leed dat daarachter school.

‘Ach, je hebt ook gelijk… zo bedoel ik het toch helemaal niet. Natuurlijk is het een ramp voor haar en voor haar familie. Is die trouwens al ingelicht?’

‘Ze heeft geen familie. Enig kind, vader en moeder allebei overleden.’

Hij legde een foto van Loesje, zoals ze daar in de sneeuw lag, op het bureau van Van Straaten.

‘Arm kind… kijk hoe ze daar ligt in de sneeuw.’ Hij gebaarde naar haar handen. ‘Waar wijst ze naar?’

‘Haar huissleutels.’

Peter van Opperdoes had zich vergist in de commissaris. Van Straaten was geen koele manager, dat was wel duidelijk. Hij staarde naar de foto. ‘Het meisje met de zwavelstokjes. Ken je dat sprookje van Hans Christian Andersen?’

Peter van Opperdoes kende het. Het was een van zijn favoriete sprookjes, omdat het zo droevig en ontroerend was, maar tegelijkertijd zo hartverscheurend mooi.

‘Het meisje dat rond kerst rondloopt in de sneeuw, omdat ze probeert zwavelstokjes… wat wij nu lucifers noemen… te verkopen. Dat lukt haar niet, en om zich in de barre kou nog een heel klein beetje warm te voelen, steekt ze één voor één de zwavelstokjes aan. In de warmte en het licht van de stokjes, ziet ze de verschijning van haar overleden grootmoeder, die haar uiteindelijk meeneemt naar een betere… hogere… wereld. Maar wat hier op aarde… voor de mensen… overblijft is een klein, dood meisje in de sneeuw, jammerlijk gestorven van de kou. En dat alleen maar omdat niemand haar zwavelstokjes wilde kopen.’

Van Straaten knikte langzaam.

‘Kijk hoe ze erbij ligt…’ Hij gaf de foto terug aan Peter van Opperdoes. Zijn stem was zacht. ‘Los dit op. Heb je meer mensen nodig?’

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘We gaan hier uitkomen. Ik heb Jacob, voorlopig redden we het wel. Ik zou op deze kerstdag niemand bij zijn familie weg willen trekken voor werk dat ik makkelijk zelf kan doen, al wordt het diep in de nacht.’

Commissaris Van Straaten keek hem peinzend aan. ‘Ik weet natuurlijk van jouw achtergrond en je persoonlijke situatie. Als er iets is… ik bedoel… heb je wel iemand om je heen, deze dagen?’

Peter van Opperdoes moest glimlachen.

‘Hij moest eens weten…’ fluisterde zijn vrouw zachtjes in zijn oor.

‘Ik heb… ik heb heel veel liefde om me heen. Maar nu ga ik eerst even een moord oplossen.’

Zonder verder iets te zeggen, draaide Peter van Opperdoes zich om en verliet de kamer van de commissaris.


Met een behoorlijke dreun plofte een pak papier op het bureau van Peter van Opperdoes.

‘Wat is dat?’

‘Uit de politiesystemen. Alle criminelen die zich ooit van de bijnaam “Kanjer” hebben bediend.’

Jacob zakte langzaam in zijn stoel terwijl Peter van Opperdoes door de stapel bladerde.

‘Het zijn er wel veel. Ik wist niet dat we zoveel kanjers hadden onder de criminelen.’

‘Ik heb al wel een schifting gemaakt op uiterlijk, maar dan blijft er nog een stapel over. Veel mannen, voor in de dertig, met een stevig postuur. Als we nou een beter signalement hadden…’

Peter van Opperdoes glimlachte. ‘Maar dat hebben we niet. Dus aan jouw uitdraai van de politiesystemen hebben we nu niet veel.’

De oude rechercheur schoof het pak papier zorgvuldig terzijde.

Jacob keek hem even aan. ‘Misschien niet. Maar ik heb nog iets…’ Hij legde een aanzienlijk kleiner stapeltje naast de grote stapel. ‘Dit is een uitdraai van alle telefoonnummers die Loesje de Vries de laatste weken heeft gebeld. En alle nummers die haar gebeld hebben.’

Peter van Opperdoes bladerde erdoorheen. ‘En waarom precies heb je dit gedaan?’

Jacob keek verbaasd. ‘Dat lijkt me logisch. Kanjer werd haar aangeraden door een vriend van hem. Die vriend moet Loesje dus kennen, en zal haar ongetwijfeld gebeld hebben om afspraken te maken. Via hem kunnen we de identiteit van Kanjer vaststellen.’

Peter van Opperdoes bladerde door de tientallen telefoonnummers. ‘En welke van deze tientallen telefoonnummers is van die vriend? Wanneer precies heeft hij haar gebeld? Op welk tijdstip?’

Jacobs mond zakte een klein beetje open. ‘Hoe moet ik dat weten?’

‘Dat is wel handig. Of wil je al deze mensen gaan opzoeken en vragen of ze een vriend hebben die zich Kanjer noemt?’

Jacob weifelde. ‘Desnoods. Als het echt niet anders kan.’

Peter van Opperdoes knikte. Het was in ieder geval een mogelijkheid, al moest hij er niet aan denken om tientallen mannen lastig te vallen met de vraag of ze ene Kanjer kenden.

‘Bovendien… die man noemt zichzelf Kanjer. Denk je dat iemand die zichzelf Kanjer noemt, dat tegen zijn vriend zegt?’

Jacob grinnikte. ‘Nee, waarschijnlijk niet.’

‘Dus als wij de mannen op deze lijst vragen of ze ene Kanjer kennen, antwoorden ze allemaal ontkennend. Dat schiet niet op. We moeten het op een andere manier proberen. We kunnen bij het eind beginnen… de moord op Loesje de Vries… maar als we bij het begin beginnen, komen we er ook.’

Jacobs wenkbrauwen schoten van verbazing omhoog. ‘Hoe dan?’

‘Waar is het allemaal mee begonnen?’

‘Met een verleidelijke, mooie prostituee die hier binnenkwam en jou een opmerkelijk verhaal vertelde.’

Peter van Opperdoes knikte. ‘Zo begon het voor ons… maar waarmee is het voor Loesje allemaal begonnen?’

Jacob zweeg even en pijnigde zijn hersens. ‘Met dat hinderlijke wapen, dat ze bij klant Kanjer zag. Daarom kwam ze naar ons aan de Raampoort.’

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Dat was voor haar niet het begin. Dat ligt verder in het verleden. Voor haar begon het verhaal bij de inbraak bij haar vader. De inbraak waarbij dat wapen… een exceptionele Nagant 7.62… werd ontvreemd.’


Het trappetje kraakte vervaarlijk toen Peter van Opperdoes naar de zolder van bureau Warmoesstraat klom. Jacob volgde hem naar boven en moest bukken om zich niet te stoten aan de zware balken in het oude pand.

‘Is dit zootje het archief van het illustere bureau aan de Warmoesstraat?’ Het klonk spottend.

De oude rechercheur knikte. ‘Dit pand is honderden jaren oud en al tien jaar veel te vol. Wat moeten we anders?’

Op simpele houten rekken, maar ook in stapels op de grond, stonden en lagen honderden kartonnen dozen met daarin alle processen-verbaal van de afgelopen jaren. Op de rug van de dozen was een jaartal te lezen en de nummers van de verbalen die daarin bewaard werden.

Jacob keek om zich heen en liep naar het raampje van de zolder.

‘Vreemd toeval, niet? Je bent net één dag op een ander bureau en je struint alweer op het door jou zo verheerlijkte bureau Warmoesstraat.’

‘Niks toeval. Die wapens zijn nu eenmaal in het district van de Warmoesstraat gestolen en dus is de aangifte hier gedaan en dus ligt het proces-verbaal ook in dit bureau. Geen toeval, het is gewoon zoals het is.’

Peter van Opperdoes haalde een papiertje met daarop een achtcijferig nummer uit zijn broekzak en gleed met zijn vinger langs de rijen met dozen. Het duurde lang voor hij het juiste jaar had gevonden.

Jacob staarde uit het kleine raampje. Van hieruit was het uitzicht over het Damrak en het Centraal Station indrukwekkend. Een rondvaartboot manoeuvreerde handig door het water van het Damrak en legde aan bij de steiger. Met één hand gooide de kapitein, een verweerde schipperspet op zijn hoofd, een touw op de steiger. Een meisje met lang blond haar snelde toe en wond het snel om de meerpaal aan de kop van de steiger.

Links renden wat junks door de Oudebrugsteeg, nagezeten door een toerist die wild met zijn paraplu zwaaide.

Jacob glimlachte om de onbeholpen manier waarop de man door de steeg rende, als een acteur uit een stomme film uit de jaren twintig.

Een agent op een mountainbike laveerde handig door de drukte, haalde de toerist in en reed de twee junks klem. Er werd door hen luid geprotesteerd, maar daar bleef het bij.

Jacob draaide zich om naar de zoekende Peter van Opperdoes. ‘Ik snap eigenlijk niet goed wat je hiermee wilt bereiken.’

Peter van Opperdoes zocht stug door naar de goede doos. ‘Dan moet je daar maar eens goed over nadenken. Of leren ze je dat tegenwoordig niet meer op de politieschool?’

Jacob trok zijn schouders op. ‘Als de dader van de inbraak bij haar vader gepakt was, dan had Loesje de Vries ons dat wel verteld, denk ik.’

‘Dat zijn de twee belangrijkste woorden in jouw zin: “Denk ik.” Je weet het namelijk niet zeker. Ik denk namelijk dat Loesje de Vries bepaalde dingen heeft achtergehouden.’

‘O, ja? Zoals wat dan?’

‘Om te beginnen wist zij donders goed wie Kanjer was. En daarom kunnen we er niet van uitgaan dat zij ons de hele waarheid heeft verteld.’

Peter van Opperdoes ging op zijn hurken zitten en bladerde door de inhoud van een doos. ‘Dat is vreemd…’

Peter van Opperdoes hield de doos omhoog. Jacob zag een groot pakket met diverse processen-verbaal, netjes gerangschikt op nummer.

‘Wat is vreemd?’

‘Het proces-verbaal van de inbraak bij de vader van Loesje de Vries… waarbij de wapens werden gestolen…’

‘Wat is daarmee?’

Peter van Opperdoes staarde Jacob geschrokken aan. ‘Het is verdwenen.’


Ruud Beschiere, de administratieve kracht van bureau Warmoesstraat, sloeg met grote overtuiging het boek dicht dat voor hem op het bureau lag.

‘U heeft niet goed gekeken. Het hoort er gewoon te zijn. En anders staat in dit boek wie het proces-verbaal uit het archief heeft gelicht. Maar dat staat er niet. Dus moet het er zijn.’

Peter van Opperdoes was verbijsterd over deze logica. ‘Maar het is er niet.’

‘Dan heeft u niet goed gekeken, zei ik toch?’

Peter van Opperdoes draaide zich om en zijn scherpe blik deed de administratieve kracht in elkaar krimpen.

‘Ik snap het. Het proces-verbaal is er dus niet… goed… oké… of eigenlijk helemaal niet oké…’

Hij opende nerveus het boek, bladerde nog een keer heen en weer.

‘Ik kan er niets anders van maken, er moet echt een kopie in de administratie zitten. Volgens dit systeem klopt het allemaal.’

Peter van Opperdoes wipte langzaam heen en weer op zijn voeten. Hij begon zich behoorlijk op te winden. ‘Volgens jouw systeem kan het dan allemaal wel kloppen, maar in de echte wereld zit het proces-verbaal niet… ik herhaal, níet… in het archief.’

‘Tja…’ De man van de administratie sloeg het boek dicht.

Jacob stond grinnikend bij de deur. ‘Waarom verbaast dit me nou niet van bureau Warmoesstraat? Een rommelig district, een rommelig bureau en een rommelige administratie.’

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Je kan zeggen wat je wilt van de Warmoesstraat, maar als hier in het boek staat dat het proces-verbaal in het archief dient te zitten… dan hoort het erin te zitten.’

De man van de administratie knikte tot zijn hoofd er bijna af viel.

‘Precies.’

‘O, nou neem je het ineens voor hem op? Mag ik soms niks negatiefs over de Warmoesstraat zeggen?’

Het antwoord kwam in koor. ‘Nee.’

Jacob zweeg verongelijkt.

Peter van Opperdoes richtte zich weer tot de stoffige man achter het bureau. ‘Kun je wel zien welke rechercheur de aangifte van de inbraak op de Geldersekade heeft opgenomen?’

‘Natuurlijk, beste collega. Dat is…’ Hij duwde snel zijn leesbril van zijn voorhoofd en ging met zijn vinger langs de reeksen nummers. Zijn tong hing uit zijn mond van inspanning. ‘Dat is… John Barendse geweest.’

Jacob fronste zijn wenkbrauwen. ‘Die ken ik. Die is toch allang met pensioen?’


Als er geen moord was gepleegd was dit een prachtige dag geweest, bedacht Peter van Opperdoes. Voor zover dagen prachtig kunnen zijn, althans.

In ieder geval, dacht hij, was Amsterdam prachtig nu het donker was en de laag sneeuw alleen maar dikker werd.

Jacob reed de recherchewagen rustig de Warmoesstraat uit, tot hij bij de Geldersekade kwam.

‘Hier links.’

De wegen waren nog steeds bedekt met een laag sneeuw, wat ervoor zorgde dat de straten zo goed als leeg waren.

‘Waar is het precies?’

‘Rij maar naar de eilanden.’

‘De eilanden…? Euh… de Waddeneilanden? De Zeeuwse eilanden? Moet ik naar de snelweg?’

‘De Amsterdamse eilanden.’

Peter van Opperdoes glimlachte om het verbaasde gezicht van zijn jonge collega. ‘Zeker ook niet geleerd op de politieschool? Rij maar naar de Haarlemmer Houttuinen en dan stop je bij het Haarlemmerplein. Vandaar lopen we wel.’

Jacob parkeerde de recherchewagen bij het plein en Peter van Opperdoes hees zich uit de auto. Hij ging Jacob voor en liep het tunneltje van Tussen de Bogen door, waarna hij het Prinseneiland op liep.

‘Dit zijn de Westelijke Eilanden, Jacob. Prinseneiland, Bickerseiland en Realeneiland.’

‘Heb je dan ook nog de Oostelijke Eilanden? Sorry hoor, ik woon al een tijd in Amsterdam, maar ik ken de plattegrond niet uit m’n hoofd.’

‘In Amsterdam-Oost heb je de Oostelijke Eilanden, Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg.’

‘Die namen ken ik wel. Ik wist alleen niet dat die de Oostelijke Eilanden genoemd werden. Misschien moet je rondleidingen gaan geven.’

‘Bedoel je dat ik maar beter geen moorden kan oplossen? Is dat wat je wil zeggen?’

‘Hoorde je mij dat zeggen?’

Peter van Opperdoes keek Jacob onderzoekend aan. Hoewel het spottend had geklonken, stonden de ogen van de jonge rechercheur vriendelijk.

‘Voorlopig ga ik nog geen rondleidingen geven.’


Lichtjes weerspiegelden in het water en op de veranda’s aan de overzijde glinsterden tientallen soorten kerstverlichting. Vanaf sommige boten op het water walmde de geur van gestookt hout de twee rechercheurs tegemoet. Een van de boten was versierd met een grote kerstboom op de voorplecht.

Peter van Opperdoes stapte snel door en liep de loopplank op van een verweerde woonboot die aan de Realengracht lag.

‘Johnny!’

Er kwam geen antwoord.

‘Hij is vast niet thuis.’

Peter van Opperdoes keek hem even aan. ‘Je kan natuurlijk bij alles wat je doet denken dat het niet gaat lukken. Probeer eens wat positiever te zijn. Johnny!!’

‘Schuimpie!’ galmde het door de boot.

Er klonk wat gestommel en Johnny Barendse, een grote grijns op zijn gezicht, kwam tevoorschijn achter een raam. ‘Het is hem echt, hoor… Schuimpie!’ Gastvrij opende hij de deur.

‘Schuimpie? Was dat je bijnaam op de Warmoesstraat?’ Jacob kon een glimlach niet onderdrukken.

Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op.


Een houtkachel stond te loeien, terwijl Johnny met zijn hoofd in zijn handen aan de eettafel zat. ‘Ik kan me er niet veel meer van herinneren.’

‘Weet je nog met wie je bij de inbraak op de Geldersekade bent geweest?’

Johnny schudde zijn hoofd. ‘Man, we waren toen met zoveel rechercheurs. Het kan met iedereen zijn geweest.’

‘Maar je kan je de inbraak wel herinneren?’

‘Vaag. Ik weet dat het om een klap wapens ging. En die man die er woonde… een oude man, type oude legergeneraal, zeg maar… dat was nou niet bepaald het meest hartelijke type. Vreemd dat het proces-verbaal weg is.’

‘Kun je je verder nog iets herinneren? Bijvoorbeeld… heb je zijn dochter gezien?’

Johnny Barendse keek met een ruk op. ‘Waarachtig… zijn dochter was erbij. Hij kwam met zijn dochter naar het bureau. De inbraak was gebeurd toen ze beiden op vakantie waren. Verdomd. Die dochter was een leuke meid.’

Peter van Opperdoes sprak zacht. ‘Die dochter is dood. Vermoord, vanmiddag in de Jordaan.’

‘Ach, wat zielig. En dat ook nog op eerste kerstdag? Wat een klootzakken…’

Johnny stond op en pakte een fles wijn. Hij had een fors postuur, moest bukken toen hij het deurtje naar de keuken door liep. Toen hij terugkwam, schonk hij zichzelf een glas in.

‘Jullie geen wijn zeker? Aan het werk, hè? Leuk, met kerst. Ben blij dat ik daarvan af ben. Moet je trouwens niet gezellig thuis bij je vrouw zitten?’

Voordat Peter van Opperdoes antwoord kon geven, keek Johnny hem plotseling geschrokken aan en legde zijn hand op Peters arm.

‘O, lieve hemel… Schuimpie… neem me alsjeblieft niet kwalijk. Ik bedoel… ik dacht er helemaal niet aan. Tjonge, jij zal je wel klote voelen.’

‘Het gaat wel goed, Johnny. Zeg me nou maar gewoon wat je nog van die zaak weet.’

Demonstratief schoof Johnny het glas terzijde. ‘Die man… die generaal… kwam aangifte doen. Hij had zijn dochter bij zich en een hele lijst met wapens. We zijn naar dat pand geweest en de technische recherche heeft alles onderzocht. Dat was het.’

‘Geen verdachten?’ vroeg Jacob terloops.

‘O, zeker wel. We konden alleen niks bewijzen. Maar die generaal was er verdomd zeker van dat hij wist wie die inbraak gepleegd had.’

Peter van Opperdoes veerde verrast op. ‘Wie dan?’

‘De vriend van zijn dochter. Een louche type, maar we hebben niks kunnen bewijzen. Tjonge… hoe heet hij nou ook alweer? Die meid was leuk, dat weet ik nog wel. Lekker blond ding. Maar die vriend… ik heb een heel onderzoek naar hem ingesteld. Hoe heet-ie nou ook alweer… Het klonk als een vogel, dat weet ik nog wel.’

‘Maurits Lepelaar?’

Johnny Barendse ademde zwaar. ‘Dat was hem, ja. Maurits Lepelaar.’


Zo snel hij kon, stuurde Jacob de recherchewagen door de sneeuw. Er reden sneeuwschuivers en pekelwagens rond, maar het leek geen enkel verschil te maken. De wagen gleed van links naar rechts, maar Jacob wist hem wonderwel in bedwang te houden.

‘Het zal toch niet zo zijn dat een moordenaar meteen terugkomt naar de plaats delict?’

‘Het is juist een briljante zet om dat te doen. Hij kan zijn sporen verklaren, omdat wij hem daar gezien hebben. En hij heeft een verklaring voor het feit dat iemand anders hem misschien gezien heeft. Hij was namelijk op weg naar Loesje, kan hij zeggen. En we hebben niet nagekeken of hij een wapen bij zich had. Of wel soms?’

Jacob zweeg verbeten. Dat had hij niet. ‘Stom…’

‘Geeft niet. Ik heb er ook niet aan gedacht.’

Peter van Opperdoes nam het zichzelf ook kwalijk. Het was een meesterzet van Maurits Lepelaar, de souteneur van Loesje de Vries, om terug te komen op de plaats delict als hij inderdaad de moordenaar was. Hondsbrutaal, gedurfd en slim. En ze waren er allebei in getrapt.

Jacob kwam glijdend tot stilstand op de Westerstraat.

Peter van Opperdoes keek naar de eerste verdieping, waar zich de woning van Maurits Lepelaar bevond. Er brandde licht.

‘Hij is waarschijnlijk gewoon thuis.’

Voordat ze aanbelden, legde Peter van Opperdoes zijn hand op de arm van Jacob.

‘Nu mag je je wapen trekken. Als we bij hem komen, weet hij dat we hem komen halen.’

‘Dan mag jij ook je wapen trekken.’

Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Dat heb ik nooit bij me.’

Jacob keek hem verwonderd aan. ‘Dat had je me dan wel even eerder mogen zeggen.’ Het klonk als een verwijt.

‘Hebben ze jou geen dossier van deze oude rechercheur gegeven, voordat je met me moest samenwerken? Daar stond vast in dat ik een hekel aan wapens heb. Of laat ik het zo zeggen: mijn eigen vrouw vertrouwde me niet met mijn wapen.’

Jacob zuchtte. ‘Bel nou maar aan.’

Peter van Opperdoes strekte zijn vinger uit. ‘Eén of twee hoog aanbellen?’

‘Wil je me testen?’

Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op.

‘De verdachte woont op één hoog. De vraag is: wil je hem verrassen of niet? Als je hem wilt verrassen, bel je op twee hoog aan en vraag je of ze de voordeur willen openmaken, zodat je onopvallend en plotseling voor de deur bij de verdachte staat. Hoef je hem niet te verrassen, dan bel je gewoon bij Maurits Lepelaar zelf op één hoog aan. Ben ik geslaagd voor de test?’

Peter van Opperdoes drukte op de bel van twee hoog.

Jacob knikte instemmend. ‘Dat lijkt me een goed plan.’

Peter van Opperdoes boog hoffelijk zijn hoofd. ‘Ouwe rechercheurs zijn nog niet allemaal achterlijk. En jonge ook niet, dat blijkt maar weer eens.’

‘Wie is daar?’ klonk een stem uit de intercom met een vet Amsterdams accent.

‘Politie, kunt u even openmaken?’

Het duurde drie seconden, toen klikte de voordeur open. Jacob snelde de trap naar de eerste verdieping op.

Hijgend kwam Peter van Opperdoes achter hem aan.

Op de overloop wachtte Jacob bij de toegangsdeur op de eerste verdieping. Hij stelde zich op bij deur en maakte zich klaar om deze in te trappen.

Peter van Opperdoes zag iets en hief zijn hand op.

‘Wacht! De deur beweegt.’

Hij duwde tegen de deur van de woning van Maurits Lepelaar, die met een naargeestig geluid openzwaaide. Binnen was het donker.

Jacob keek om de hoek van de deur en trok schielijk zijn hoofd terug. Met zijn hand tastte hij om de hoek van de deur, en klikte het licht in de gang aan. Met zijn hoofd wenkte hij Peter van Opperdoes om te gaan kijken.

Op de drempel van de gang en de woonkamer lag het ontzielde lichaam van Maurits Lepelaar.

Загрузка...