‘Maar… maar… maar Loesje de Vries was toch enig kind?’
Hij zat erbij als een schaapachtige, stamelende kluns, besefte Peter van Opperdoes. Het had even geduurd voordat hij uit zijn woorden kwam en besefte dat dit inderdaad de zuster van Loesje de Vries moest zijn. Hij bestudeerde haar gezicht en het kon niemand ontgaan dat ze als twee druppels water op elkaar leken. Het paar jaar verschil leek geen enkele invloed te hebben gehad op de gelijkenis.
‘Loesje was in een bepaald opzicht inderdaad enig kind. Maar ik ben wel degelijk haar zuster. Of misschien moet ik… om alle twijfel bij u weg te nemen… zeggen dat ik haar halfzus ben?’
‘U heeft dezelfde vader als Loesje.’
Haar glimlach verlichtte de kamer. ‘Dat klopt. U heeft waarschijnlijk na de dood van Loesje naar haar familie gezocht en niemand gevonden, maar mijn vader… of beter gezegd, onze vader… is niet altijd een trouwe echtgenoot geweest. Een goede vader was hij echter wel. Op afstand, wat mij betreft dan.’
Peter van Opperdoes hernam zich en was vol aandacht. ‘Ik begrijp het. Hij had twee dochters bij twee verschillende vrouwen.’
Gabriëlle knikte vriendelijk.
‘Ja, als u de naam van uw moeder heeft aangenomen…’
Ze onderbrak hem snel. ‘Wat ook zo is.’
‘…dan weten wij niet van uw bestaan en konden we u ook niet informeren. Daar konden we niets aan doen, maar desondanks spijt me dat.’
‘Het is geen probleem. Ik wist vrij snel wat er gebeurd was.’
Peter van Opperdoes pakte een klein opschrijfboekje, dat hij altijd bij zich droeg, uit zijn binnenzak. Het was een vaste gewoonte van hem geworden er altijd een bij zich te hebben. Hij opende het boekje om wat aantekeningen te maken.
‘U noemde net nog een naam.’
‘Die van mijn echtgenoot, Igor Ibramovic.’
Ze glimlachte er vriendelijk bij, maar zelfs nu hij de naam voor de tweede keer hoorde, ging er een rilling door Peter van Opperdoes.
Igor Ibramovic, in de onderwereld ook wel bekend als Igor de Verschrikkelijke.
Peter van Opperdoes schreef de naam langzaam op in zijn boekje.
‘Wijlen uw echtgenoot, is het toch?’
Ze glimlachte. ‘Mijn man is inderdaad vorig jaar in Rusland omgekomen.’
‘Onder tragische omstandigheden, zo heb ik begrepen.’
‘Dat heb ik ook begrepen. Ik was er niet bij.’
Er viel een stilte. Peter van Opperdoes hoopte dat Gabriëlle op het onderwerp door zou gaan, maar ze keek hem alleen maar vriendelijk glimlachend aan.
Peter van Opperdoes kuchte even en plukte aan zijn neus. ‘En nu uw zuster… het spijt me enorm. De klap moet vreselijk zijn geweest.’
Ze knikte en bleef zwijgen.
‘U komt vast met een speciale reden, niet om hier te zitten zwijgen.’
‘U heeft het over mijn naam gehad en over die van mijn echtgenoot. Dat is niet direct de reden waarom ik hier ben gekomen, rechercheur. Mijn zuster is vermoord en ik kom u vragen of u weet wie de dader is.’
Peter van Opperdoes sloeg zijn Moleskine-boekje demonstratief dicht.
‘Nog niet. We zijn eigenlijk nog maar net bezig. We zouden wel wat informatie of getuigen kunnen gebruiken.’
Gabriëlle knikte. ‘Ik neem aan dat u weet met wat voor… werkzaamheden… mijn zuster zich bezighield?’
Er klonk een duidelijk afkeurende toon door in haar stem.
‘Daar was u het niet mee eens?’
Ze maakte een spottend geluid. Ze ging achterover zitten en hield haar armen strak en defensief over elkaar. ‘Dat was de reden waarom ik haar al jaren niet meer heb gezien. Mijn eigen zuster… mijn halfzuster… een ordinaire hoer! Had ik aan mijn familie moeten uitleggen wat voor werk zij deed? Ik dacht toch van niet.’
‘U had ruzie?’
‘Er was geen sprake van ruzie. We hadden geen contact. Punt. Ze wist dat ik haar levenswijze afkeurde en dat begreep ze ook wel.’
Peter van Opperdoes zag dat ze een kort moment haar ogen neersloeg toen ze dit zei. ‘Had u helemaal geen contact meer?’
Haar stem klonk zachter. ‘Af en toe belde ze me nog. Ik denk dat ze ongelukkiger was dan ze deed voorkomen.’
‘Waarom denkt u dat?’
‘Ik heb haar jaren niet gezien, maar ze belde me regelmatig. U kunt dat vast wel nakijken.’
Peter van Opperdoes toonde zich onder de indruk. ‘U kent kennelijk het klappen van de zweep. U weet dat we haar telefoongegevens zouden nakijken, en dat we uiteindelijk dan ook bij u terecht zouden komen.’
Gabriëlle haalde ongeïnteresseerd haar schouders op. ‘U doet nu alsof ik erg berekenend ben. Het telefoonnummer dat mijn zuster belde, had u nooit naar mij kunnen traceren. Het is een ongeregistreerd nummer, gebeld met een prepaid telefoontoestel, dat ik nu al niet meer in mijn bezit heb. U had mij echt nooit gevonden.’
Gabriëlle was geen doorsnee vrouw, begreep Peter van Opperdoes. De jaren die ze met haar echtgenoot had doorgebracht, hadden haar tot een expert in de criminele wereld gemaakt.
Inwendig moest Peter van Opperdoes glimlachen. Hier zat een aantrekkelijke vrouw tegenover hem die aangaf dat ze de levenswijze van haar zuster afkeurde, terwijl ze zelf getrouwd was geweest met Igor de Verschrikkelijke, een man met een enorme reputatie, die van de meest wanstaltige misdaden werd verdacht en op nagenoeg alle Europese lijsten van gezochte criminelen had gestaan.
‘Goed. Laten we aannemen dat wij… als rechercheurs… u niet gevonden hadden. Wat is dan de reden dat u bij ons komt?’
Ze wachtte even en keek Peter van Opperdoes strak aan. Toen knikte ze, alsof ze hem had goedgekeurd.
‘Zoals ik net al vertelde had ik af en toe contact met mijn zuster. De laatste keer was een paar dagen geleden. Ze belde me op en vertelde mij dat ze zich zorgen maakte.’
Peter van Opperdoes boog voorover. ‘Waarover?’
‘Over Maurits Lepelaar. Haar zogenaamde vriend. Pooier, kan ik beter zeggen. Of misschien nog beter: een vuile, smerige profiteur. Met z’n vieze praatjes en z’n slijmerige cadeautjes.’
Het kwam er vol oprechte kwaadheid uit, waardoor voor het eerst een zweem onvervalst Amsterdams accent door haar woorden fladderde, dat tot Peter van Opperdoes’ verbazing charmant klonk.
‘Ik begrijp het. Waar maakte ze zich zorgen over, met betrekking tot Maurits Lepelaar?’
Ze maakte een mismoedig gebaar. ‘Dat heeft ze me dus niet precies verteld. Maurits was bezig met iets… iets groots, zei hij. Maurits was een sukkeltje, moet u weten. Maar zo dacht hij er zelf niet over. Hij vond zichzelf nogal wat, een hele kerel hier in Amsterdam. En hij vond het tijd worden om daar wat mee te doen, dus ging hij aanpappen met de grote jongens. En opscheppen. Dat hij heel wat voor elkaar kon krijgen.’
‘Zoals wat?’
‘Van alles… van verdovende middelen tot wapens tot vrouwen. Loesje luisterde vaak zijn gesprekken af, en dan belde ze me. Ze vond het op een of andere manier wel spannend, geloof ik. Ze vertelde me onlangs dat hij met een of andere grote zaak bezig was met een of andere belangrijke crimineel. Dat had ze gehoord. En Maurits had er ook over opgeschept tegen haar, dat hij haar binnenkort niet meer nodig zou hebben. Maar nu ze dood is… weet ik zeker dat Maurits Lepelaar haar vermoord heeft. Hij is erachter gekomen dat zij hem afluisterde en heeft haar het zwijgen opgelegd. Daar ben ik van overtuigd. En verdomme… het was toch m’n zus.’
Er verschenen zowaar tranen in de ogen van Gabriëlle.
Peter van Opperdoes stond op en vulde bij de automaat op de gang een plastic bekertje met water. Hij overhandigde het aan haar en ze nam dankbaar een paar grote slokken.
‘Die smerige moordenaar.’ Ze plaatste het bekertje op tafel en leek haar emotionele gevoelens weer veilig weg te stoppen achter een vriendelijk gezicht.
‘Zo. Nu kunt u hem ophalen. U weet wie de moordenaar is en ik heb mijn plicht gedaan. Met enige tegenzin overigens, want normaal gesproken ben ik geen groot bewonderaar van de werkwijze van de politie. Maar goed. Wat is uw plan… gaat u hem ophalen?’
Peter van Opperdoes zweeg even. Ze had hem waardevolle informatie gegeven, alleen op een heel andere manier dan ze zelf had gedacht.
‘We hebben hem al.’
Gabriëlle keek verrast op. ‘De moordenaar?’
Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Maurits Lepelaar.’
Ze keek verbaasd. ‘Hoezo schudt u nou nee? Dat is de moordenaar, dat vertel ik net.’
‘We hebben Maurits Lepelaar… maar het lijkt me niet dat hij de moordenaar is. Hij is namelijk zelf ook vermoord, kort nadat uw zuster is omgebracht.’
Gabriëlle dook achterover in haar stoel en ademde zwaar. ‘Dat meent u niet…’
Peter van Opperdoes knikte traag. ‘Het spijt me dat ik geen beter nieuws heb.’
Gabriëlle zat er verslagen bij. Dit nieuws had ze duidelijk niet verwacht. ‘Weet u zeker dat hij mijn zus niet heeft vermoord?’
‘Op dit moment is nog niets zeker. Ik heb nog wel een aantal vragen voor u.’
Haar houding was geheel veranderd na de mededeling over de moord op Maurits Lepelaar. Ze leek lamgeslagen. ‘Vraagt u maar.’
‘Het kan belangrijk zijn, dus ik wil dat u goed nadenkt. Met welke grote crimineel was Maurits Lepelaar een afspraak aan het maken?’
Het bleef heel even stil, toen keek Gabriëlle Peter van Opperdoes aan. Ze dacht kennelijk diep na. Haar ogen flitsten heen en weer.
‘Ik heb geen idee.’
‘Echt niet?’
‘Nee, dat heeft ze niet verteld.’
‘Aha…’
Ze ging rechtop zitten. ‘Maar dat weet u toch allemaal al…’
‘Hoe bedoelt u?’
‘U doet net of u van niks weet, om mij mijn verhaal te laten vertellen. Maar u heeft het toch allemaal al gelezen…’
Peter van Opperdoes’ wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Gelezen? Hoe bedoelt u?’
Gabriëlle keek hem aan. Peter van Opperdoes leek oprecht verbaasd. Ze boog voorover.
‘Mijn zuster heeft haar hele leven al een dagboek bijgehouden. Erg nauwkeurig, bijna dwangmatig, schreef ze iedere avond een stukje over wat haar die dag was overkomen. Het lijkt me niet dat ze daarmee is gestopt toen ze prostituee werd, denkt u ook niet?’
Jacob liep van opwinding heen en weer door de recherchekamer.
‘Ze zal toch niet gelogen hebben? Denk je echt dat er dagboeken zijn? Die moeten we hebben!’
Jacob had ademloos geluisterd naar de weergave van Gabriëlles verhaal.
Peter van Opperdoes zuchtte diep. ‘Ik geloof haar in haar oprechte kwaadheid. Ze was vol ongespeelde woede jegens Maurits Lepelaar. Ik geloof ook nog dat ze er echt van overtuigd is dat hij Loesje de Vries vermoord heeft. En ten slotte heb ik absoluut de overtuiging dat Loesje de Vries inderdaad dagboeken bijhield. Wat… haar hele verhaal in aanmerking nemend… wellicht nog Gabriëlles belangrijkste onthulling was.’
Jacob knikte enthousiast. ‘Dus die moeten we hebben. Als ze inderdaad zo nauwgezet een dagboek bijhield, zal daar vast het een en ander in staan over Maurits Lepelaar… en wellicht ook over Kanjer.’
Peter van Opperdoes knikte langzaam. ‘Misschien wel. Als ze daar nog de tijd voor heeft gehad. Ze is heel kort nadat Kanjer van haar diensten gebruik heeft gemaakt vermoord.’
Jacob stond snel op en deed gehaast zijn jas aan. ‘Kom mee.’
‘Wil je nu meteen gaan zoeken?’
‘Natuurlijk! Die dagboeken moeten we hebben.’
Jacob stond al met een been buiten de deur. Peter van Opperdoes glimlachte. Zijn jonge collega was uit het goede hout gesneden, ondanks zijn gezeur over de Warmoesstraat, oude rechercheurs en nieuwe opsporingstechnieken.
Peter van Opperdoes keek met een schuin oog naar de hemel, waaruit nog steeds bakken met sneeuw vielen.
‘Leuk hoor…’
‘Wat zei je?’
‘Lekker, die sneeuw, zei ik.’
‘Ah…’
Jacob keek naar de rechercheauto, die als een enorme sneeuwberg aan de overkant van bureau Raampoort stond. ‘Zullen we maar gaan lopen?’
Jacob keek om, maar Peter van Opperdoes was al halverwege de Marnixstraat. Hij versnelde zijn pas tot hij weer naast de oude rechercheur liep.
‘Jij had toch de kasten al doorgekeken, lag daar niks tussen?’
Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Niet dat ik zo zag. Maar echt heel grondig heb ik niet kunnen kijken. Een paar kasten… en toen kwam Maurits Lepelaar onverwacht binnen, weet je nog. En de technische recherche… die zoeken tegenwoordig alleen maar naar microscopisch kleine sporen… niet naar boeken met aanwijzingen erin.’
Jacob keek de oude rechercheur aan. ‘Ik bespeur een vorm van afkeuring in je stem.’
‘Dat heb je dan heel goed bespeurd.’
‘Want…?’
Peter van Opperdoes haalde kregelig zijn schouders op. ‘Alles moet maar anders. Iedereen juicht over de mogelijkheden van dna-onderzoek, zonder dat ze het hebben over de gevaren. Ik hoor veel te weinig kritische kanttekeningen bij al die nieuwe opsporingsmethoden. Kom eens wat dichterbij. En kijk niet zo argwanend.’
Jacob kwam wat dichter naast hem lopen. Peter van Opperdoes sloeg zijn arm stevig om Jacob heen en klopte een paar keer kameraadschappelijk op zijn schouder.
Jacob snapte er niets van. ‘Hè? Wat doe je?’
Peter van Opperdoes liet hem los, nam weer twee stappen afstand en wees op een diepe donkere portiek aan de Bloemgracht, waar ze op dat moment langs liepen.
‘Ik zal je uitleggen wat ik doe. Ik zal je een verhaal vertellen. Stel je voor… stel je voor, hè, ik ben iemand die jij niet kent, maar die zojuist tegen jou is opgelopen en die zijn hand op jouw schouder heeft gelegd, bij wijze van excuus. Een uur later loop jij hier… een straatrover duikt op uit dit portiek en valt jou aan met een honkbalknuppel. Je wordt neergeslagen en een onderzoek wordt uitgevoerd door de technische recherche. Wat vinden ze op je lichaam?’
‘Blauwe plekken van de klappen? Bloed?’
‘En wat nog meer?’
‘Jaja… ik snap het al. Hou maar op met je verhaal.’
‘Wat nog meer?’ drong Peter van Opperdoes aan.
‘dna op mijn schouder.’
‘Van wie?’
‘Van jou.’
‘Stel… ze vinden uit dat het mijn dna is. Word ik dan aangemerkt als verdachte?’
Jacob aarzelde even. ‘Dat denk ik wel.’
Peter van Opperdoes hief zijn vinger op. ‘Aha… maar heb ik het ook gedaan?’
Jacob schudde zijn hoofd, met zichtbare tegenzin. ‘Nee, dat niet. Jouw dna zat toevallig op mijn schouder.’
‘Stel… na de klap ben jij een beetje in de war. Je zegt misschien dat de dader een beetje op mij leek. En ik… ik heb toevallig even geen alibi voorhanden voor het tijdstip dat jij werd aangevallen. Nou, dan heb ik het behoorlijk moeilijk, dat kan ik je wel vertellen. Ik acht de kans groot dat ik veroordeeld zou worden.’
Peter van Opperdoes priemde zijn vinger in de richting van Jacob.
‘Veroordeeld… dankzij jouw mooie dna.’
Jacob stond stil en keek hem vermoeid aan. ‘Hou nou eens op. Hetzelfde zou gebeuren als er een vingerafdruk gevonden werd. En dat doen ze al zo’n… wat zal het zijn… zeventig of tachtig jaar? Dus er is niks nieuws onder de zon.’
‘Met dat verschil, collega, dat als ik per ongeluk tegen jou aan loop, de kans dat er een vingerafdruk op jouw jas staat zo ongeveer nihil is… maar de kans dat er dna overgedragen is, is levensgroot.’
‘Ja, ja… wees er maar blij mee. Er is heel wat opgelost door dna.’
Peter van Opperdoes sloeg de zijstraat in. ‘Ik hou het maar even bij ouderwets speurwerk, als je het niet erg vindt. Ouderwetse sporen, verklaringen, bekentenissen.’
Jacob gromde. ‘Als je genoeg technisch bewijs hebt, heb je geen bekentenis nodig.’
Peter van Opperdoes keek zijn jonge collega hoofdschuddend, met een cynische glimlach, aan. ‘Leren ze je dat tegenwoordig op de rechercheschool?’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Onder andere.’
In de Tweede Anjeliersdwarsstraat trotseerden enkele bewoners de hevige sneeuwval, dezelfde sneeuw die Loesje de Vries had bedekt.
Peter van Opperdoes keek omhoog en snoof: ‘Geef mij maar de ouderwetse opsporingsmethoden. Als het nou bijvoorbeeld even was opgehouden met sneeuwen meteen na de moord op Loesje hadden we de voetstappen van de dader kunnen volgen.’
Het klonk bijna als een verwijt, alsof iemand daarboven daar iets aan had kunnen doen. Bovendien klonk het zo oprecht verontwaardigd, dat Jacob onwillekeurig en weifelend even de blik van Peter van Opperdoes omhoog volgde. Maar hij zag niets dan een grijze wolkendeken boven de Tweede Anjeliersdwarsstraat.
Ook de buurtbewoners zagen de twee mannen staan, staakten hun gesprekken en keken verbaasd omhoog.
‘Wat siet-ie, denk je? Sie jij wat?’ klonk het in vet Jordaans.
‘Hij siet se vliege… wedde?’ kwam als antwoord.
Ondanks de trieste aanleiding werd er hard gelachen door de aanwezigen.
Jacob gaf het op. Hij haalde een bosje sleutels uit zijn jaszak. Op de voordeur van de woning van Loesje de Vries had de technische recherche twee grote ogen geschroefd, waardoorheen een stevig hangslot stak. Op de deur en de deurstijl zat een grote sticker, die aangaf dat de woning door de politie verzegeld was. Met een zakmes sneed Jacob met een snelle haal de zegel door, waarna hij het hangslot losmaakte.
Langzaam duwde hij de deur open en knipte de lichten in de hal aan.
‘Toch een vreemd idee dat de bewoonster van dit huis… en de man die we hier het laatst zagen… nu allebei dood zijn.’ Jacob keek om zich heen en huiverde. ‘Het voelt alsof ze er gewoon nog zijn.’
Peter van Opperdoes liep de woonkamer in en bromde zachtjes voor zich uit. ‘Je moest eens weten…’
‘Wat doe je?’
Peter van Opperdoes stond midden in de kleine kamer. Hij deed niets, stond alleen maar voor zich uit te staren.
Jacob vroeg het nog maar een keer. ‘Hé… wat doe je?’
‘Ik probeer na te denken… Je houdt iedere dag een dagboek bij. Waar laat je dat dan?’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Hangt ervan af wat erin staat. Als je huis-, tuin- en keukendingetjes opschrijft laat je het overal slingeren. Maar als je echt hele diepe geheimen of gedachtes aan het papier toevertrouwt, waarvan je eigenlijk wil dat mensen ze nooit zullen lezen, tja, dan verstop je het. Ook al woon je alleen. Denk ik.’
‘Dat denk ik dus ook. Maar waar verstop je het dan?’ vroeg de oude rechercheur zich af.
‘Je had al wat dingen in Loesjes kamer gevonden, vlak voordat Maurits Lepelaar binnenkwam.’
Peter van Opperdoes maakte een gebaar. ‘Daar zat niet zoveel interessants tussen. Toen jij was gaan eten… wat heb je trouwens gegeten? Weer patat?’
Jacob keek ernstig verontwaardigd. ‘Kom zeg, alsof ik elke dag patat eet.’
‘Dat is ook niet goed voor je.’
Jacob zweeg.
‘Nou?’ drong de oude rechercheur aan.
‘Broodje frikandel.’
‘Aha.’
Jacob keek schuldbewust naar het plafond.
‘In elk geval, ik heb dat nog even doorgenomen op het bureau, terwijl jij dat broodje met slachtafval-’
‘Ho, ho…’ probeerde Jacob hem te onderbreken, maar Peter van Opperdoes ging rustig door.
‘…naar binnen werkte. Maar er zat niet veel interessants tussen. Ze schreef in haar agenda de namen van haar klanten niet eens op. Ze hield haar afspraken met hitsige mannen vermoedelijk bij met cirkeltjes. Waarschijnlijk ook makkelijker voor de belastingdienst. Als die haar zouden controleren, hadden ze het nog moeilijk. Verder wat losse papieren, bankafschriften, maar geen dagboek.’
Hij begon door de kamer te ijsberen. ‘Het zit ons niet echt mee.’
Hij blikte om zich heen. Het enorme hemelbed nam de helft van de woon-werkkamer in beslag en eromheen was het gezellig ingericht. Veel gouden vaasjes en glimmende snuisterijen. De kasten en wanden had hij allemaal al bekeken, maar Peter van Opperdoes ging ze een voor een weer langs.
Jacob zocht met weinig hoop in de badkamer en de keuken, want de kans dat iemand daar zijn dagboeken zou bewaren achtte hij maar klein.
In de kamer had de oude rechercheur inmiddels alle voor de hand liggende plaatsen goed doorzocht, maar tot zijn frustratie niets gevonden. Hij bleef rondkijken, maar om een of andere reden bleef zijn blik steeds rusten op het bed. Hij liep eromheen en werd vreemd onrustig.
Wat was er met dat bed? Jacob had er al onder gekeken, dat wist hij nog. Daar lag dus niets. En toch… toch bleef het bed hem aantrekken.
Met veel moeite liet hij zich op zijn tegensputterende knieën zakken om nog een keer onder het bed te kijken. Niets te zien, behalve flink wat vlokken stof die opwaaiden en zijn neus prikkelden, en een paar tijdschriften. Hij voelde met zijn handen aan de binnenkant van het bed. Niets te voelen en toch klopte er iets niet.
Peter van Opperdoes ging op zijn zij liggen en gleed met zijn handen van voor naar achter langs de binnenkant van de onderbouw. Daar… daar voelde hij iets.
Met krakende knieën stond hij op en trok het onderlaken van het bed af. Als je dan toch ergens aan een dagboek schrijft, ’s nachts of ’s avonds laat, dan doe je het in je bed. Daar zat het… aan de zijkant van het bed. Een prachtig weggewerkt laatje, onzichtbaar als je niet wist dat het er zat.
Met ingehouden adem trok Peter van Opperdoes het laatje open.
Niets. Geen dagboeken in ieder geval.
Een pen, en wat losse velletjes blanco papier, slordig door elkaar liggend in de la.
Jacob hurkte bij het verborgen laatje. ‘En? Lig je lekker daar?’
‘Dit is de plek waar Loesje de Vries haar dagboeken bewaarde.’
Jacob bekeek het laatje van alle kanten. ‘Ja. Zou kunnen.’
‘Nee, dit is de plek. Ik weet het zeker.’
Jacob keek hem aan. ‘Je kunt het niet zeker weten en toch twijfel je niet?’
Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. Hij twijfelde inderdaad geen seconde. ‘Ze zijn weggehaald.’
Jacob stond op en wreef in zijn handen. ‘Ik ben reuze benieuwd hoe je dat in een proces-verbaal gaat zetten.’
De voordeur kraakte. Peter van Opperdoes en Jacob keken elkaar aan. Langzaam werd de deur geopend. Jacob ging naast de deur staan, zodat hij de indringer kon verrassen.
Tergend langzaam werd de deur iets verder opengeduwd, alsof iemand eerst naar binnen wilde kijken of de kust veilig was.
Jacob hief zijn hand om toe te slaan.
Een zwarte kat glipte naar binnen en stond verrast stil toen hij Jacob zag.
‘Mwrauw…’ zei de kat, en hij gaf Jacob een kopje en liep naar een bakje waar waarschijnlijk eten in zou hebben gezeten, als Loesje de Vries nog geleefd had.
‘Mwrauauww…’ zei de kat opnieuw.
Jacob gooide wat brokjes in het bakje, die de kat meteen naar binnen begon te schrokken. ‘Ja, jij hebt natuurlijk al twee dagen geen eten gehad, arm beest…’
Peter van Opperdoes keek onrustig heen en weer van de kat naar Jacob en terug. Hij knielde bij de kat en voelde hoe de warmte van het dier zijn hand goed deed. De kat begon te spinnen toen hij hem over zijn zachte zwarte vacht aaide.
Toen Peter van Opperdoes even ophield, draaide de kat zich om en keek hem aan. Het beest had prachtige ogen, met grote diepzwarte pupillen.
De onrust in Peter van Opperdoes’ hoofd nam toe. Hij kwam overeind. ‘We moeten weg hier…’
‘Wat zeg je?’
‘Kom mee. Kom.’
Jacob volgde hem verbaasd. Toen ze de woning van Loesje de Vries uitliepen, sprong de kat voor het raam en keek hen na.
Zo snel zijn knieën hem toelieten, rende Peter van Opperdoes naar de Westerstraat. De voordeur van het trapportaal naar de woning van Maurits Lepelaar stond open. Hij liep de trap naar de eerste verdieping snel op.
Jacob, die twee passen achter hem liep, klikte het licht in het trapportaal aan.
De twee rechercheurs bleven als versteend staan, halverwege de trap.
Voor de deur van Maurits Lepelaar lag een oudere man.
‘Niet slaan…’ riep hij. De man hief zijn handen op ter afweer.
Jacob stelde de man gerust. ‘Wij zijn van de politie.’
De oude man liet zijn handen zakken en zuchtte opgelucht. ‘O, gelukkig… hij is net weg… net… een paar minuten. Ik kon niet meer… niet meer overeind komen.’
‘Wie?’
De man had een flinke wond op zijn hoofd en was behoorlijk aangeslagen, maar was niet levensgevaarlijk gewond geraakt.
‘Die man… ik woon hierboven op twee hoog. Ik hoorde wat zacht gestommel beneden… dus ik ga kijken. Want na de moord op Maupie had de politie de deur afgesloten. Er kon dus niemand binnen zijn…’
De man hapte naar adem. Jacob belde met de meldkamer van het hoofdbureau en vroeg om een ambulance. Peter van Opperdoes hielp de man overeind en zette hem op een traptrede.
‘De deur was open, dus ik riep naar binnen. En voor ik het wist werd ik aangevallen. Ik kreeg een paar knallen voor m’n kop en werd de deur weer uitgegooid.’
‘En toen?’
‘Die man rende de trap af. Hij had iets in z’n hand… ik kon niet goed zien wat. Papieren of een boek of zo…’
Peter van Opperdoes knikte en liep het huis van Maurits Lepelaar in. De gehele woning was overhoopgehaald. De indringer was naar iets op zoek geweest, dat was duidelijk.
Kasten waren leeggetrokken, boeken waren op de grond gegooid. Het bed stond rechtop en het matras lag half tegen de muur aan.
Zwijgend liep Peter van Opperdoes door de woning. Er was geen plek die niet met grof geweld overhoop was gehaald.
En kennelijk had de indringer gevonden wat hij zocht, want in de hal van de woning van Maurits Lepelaar, vlak voor de voordeur, lagen twee boekjes, kennelijk uit de handen van de indringer gevallen op het moment dat hij werd betrapt.
Peter van Opperdoes pakte ze op en liep ermee het trapportaal in.
De gewonde man kwam met een schok omhoog. ‘Dat zijn ze! Zulke boekjes had die man ook in zijn hand toen hij wegrende…’
Peter van Opperdoes knikte en sloeg een van de boekjes open.
‘Loesjes Dagboek’ stond met sierlijke letters op de eerste bladzijde geschreven.