Peter van Opperdoes liep peinzend vanuit de cellengang de statige trap op. Rutger zat weer achter de dikke stalen deur, nadat hij zijn hele verhaal verteld had. Waarschijnlijk zou hij daar nog wel even blijven, totdat zou blijken dat hij de waarheid had verteld. Bovendien was hij in het bezit geweest van een wapen, waarover ze bij justitie tegenwoordig niet licht dachten.
Peter van Opperdoes passeerde het oude metalen hek dat er kennelijk al tientallen jaren, zo niet eeuwen geleden, was geplaatst. Hij vroeg zich af waarom het daar eigenlijk hing. Een vreemde plek om een stalen hek te plaatsen, zo midden op een monumentale trap. Wellicht om een menigte woedende Jordanezen tijdens het Jordaanoproer tegen te houden, zodat de aanwezige agenten zich konden terugtrekken op de eerste en tweede verdieping? Of was het daar gehangen toen de Raampoort nog in gebruik was bij de Vreemdelingenpolitie, om hordes gelukszoekers in goede banen te kunnen leiden?
Het bureau deed hem steeds meer aan een kasteel in de oude binnenstad denken, met hekken en torens en al. Boven aan de trap sloeg hij rechtsaf de recherchekamer in. Jacob zat aan zijn tafel met zijn hoofd in zijn handen.
‘Wat moeten we daar nou weer mee?’
Peter van Opperdoes sjokte naar het raam en keek met zijn handen op zijn rug over de Bloemgracht. Nu de sneeuw langzaamaan verdween, kwamen de Jordanezen weer naar buiten. Aan de overkant van de Marnixstraat waren kinderen sneeuwballen aan het gooien. Toen ze de oude rechercheur in het oog kregen, vlogen de sneeuwballen naar de ramen van het politiebureau.
‘Ik kan het ook niet geloven. Al sta ik er ook weer niet van te kijken, als ik er zo over nadenk.’
Onwillekeurig deinsde hij achteruit toen een sneeuwbal tegen zijn raam uiteenspatte. Quasi-boos, met een grijns op zijn gezicht, schudde hij zijn vinger heen en weer naar de rotjochies aan de overkant, die lachend uiteenstoven en verdwenen.
Peter van Opperdoes liet de gebeurtenissen van die dag nogmaals aan zijn geestesoog voorbijtrekken.
Het had even geduurd, maar Rutger was bozer en bozer geworden, totdat hij uiteindelijk in woede uitbarstte. Toen begon hij te praten, snel en in korte zinnen die als staccato mitrailleurvuur uit zijn mond schoten.
‘Ik heb die moorden niet gepleegd.
Ik ken Loesje wel, al wist ik niet dat ze Loesje heette.
Dat wapen, die Nagant, was niet van mij.
Ik heb het gekregen van een vriend van mij.
Die vriend komt uit Rusland.
Ik ken hem al heel lang.
Het wapen is van hem.
Hij heeft het weer van me afgenomen, meteen nadat Loesje het wapen had gezien.
Ik hoor nu pas dat Loesje en haar vriend zijn vermoord.
Ik weet niet wie dat heeft gedaan.
Ik weet alleen dat ik het niet was.
Het moordwapen heeft hij van mij teruggenomen.
Ik denk dat hij het in mijn huis heeft geplant om mij voor de moord op te laten draaien.
Ik weet eigenlijk wel zeker dat het zo is gegaan.
Hij is daartoe in staat.
Het is een smerige hufter.
Ik heb die moorden niet gepleegd.
Jullie zullen hem nooit vinden. Ik weet ook niet waar hij woont.’
Het was na Rutgers relaas lang stil gebleven in de recherchekamer. Rutger was gebroken en zat met zijn hoofd omlaag licht hijgend op de stoel naast het bureau van Peter van Opperdoes.
‘Wie is die Rus, Rutger?’ vroeg Peter van Opperdoes zacht.
‘Igor,’ antwoordde Rutger. ‘Igor Ibramovic. Igor de Verschrikkelijke.’
Peter van Opperdoes en Jacob keken elkaar aan. ‘Igor de Verschrikkelijke is dood.’
Rutger had opgekeken en zijn hoofd geschud. ‘Dat heeft hij heel slim gedaan. Iedereen denkt inderdaad dat hij dood is. Maar dat is niet zo.’
‘Hij lult.’
Peter van Opperdoes draaide zich om. ‘Pardon?’
Jacob zat grimmig achter zijn bureau. ‘Hij lult. Rutger de Kanjer lult zwaar uit zijn nek. Het is heel makkelijk om iemand de schuld te geven die toch al dood is. Hij zegt zelf dat hij niet weet waar Igor woont en dat we hem nooit zullen vinden.’
‘Onzin,’ bromde Peter van Opperdoes. ‘Amsterdam is een dorp en wij kunnen iedereen vinden.’
‘O, ja? Hoe dan? Igor de Verschrikkelijke heeft een aantal jaren in Rusland doorgebracht en heeft daar ongetwijfeld zijn gezicht laten verbouwen en vermoedelijk zijn vingerafdrukken ook. Hoe wil je hem vinden? Het signalement dat Rutger ons heeft gegeven is van toepassing op iedere toerist uit het Oostblok: donkere ogen, donker haar en een hoekig, typisch Russisch gezicht. Nou, ga maar zoeken op het Damrak, het Rembrandtplein en het Leidseplein. Daar lopen er tientallen. Ga maar op een terrasje zitten, daar komen ze vanzelf bij bosjes voorbij.’
‘Ben je boos?’ grinnikte Peter van Opperdoes.
‘Helemaal niet. Ik kan er alleen niet tegen dat iemand zo’n slappe smoes gebruikt.’ Hij wees met zijn wijsvinger naar zijn oude collega. ‘En zullen we wedden dat hij er nog mee wegkomt ook? Je zal zien dat hij een rechter aan het twijfelen brengt. Per slot van rekening hebben we geen enkel bewijs om hem rechtstreeks aan de twee moorden te koppelen. We hadden zijn bekentenis nodig, en die hebben we niet.’
Peter van Opperdoes knikte langzaam. ‘Des te meer reden om zeer intensief naar Igor de Verschrikkelijke te zoeken.’
De mond van Jacob zakte langzaam open. ‘Dit meen je toch niet, hè? Wil je beweren dat je Rutger gelooft?’
Peter van Opperdoes plukte aan zijn neus. ‘Er zijn twee bijzonder goede redenen om Igor de Verschrikkelijke te gaan zoeken, en wel de volgende: als we hem vinden, hebben we waarschijnlijk de moordenaar. Hij heeft het wapen van Kanjer gekregen en de twee moorden gepleegd. Daar zouden we dan van uit kunnen gaan.’
‘Dat lijkt me duidelijk. Het is onwaarschijnlijk dat we hem vinden, maar goed… als we hem vinden hebben we de moordenaar te pakken, dat denk ik ook. Maar wat is dan de tweede goede reden?’
‘Dat we alles op alles zetten, maar Igor de Verschrikkelijke niet kunnen vinden. Of beter nog: dat we kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk is overleden in Rusland. Dat zou namelijk betekenen dat Kanjer tegen ons heeft gelogen. En dat zou dan weer betekenen dat Kanjer wel degelijk de moordenaar van Loesje en Maurits Lepelaar is. En dat we dat dan moeten zien te bewijzen.’
Jacob kon hier niets tegen inbrengen.
‘Dat zijn inderdaad twee heel goede redenen om hem te gaan zoeken. Ik moet zeggen… hoe langer ik erover nadenk… had Igor Ibramovic inderdaad redenen genoeg om zich dood te laten verklaren. Heb jij daar niet een paar dagen geleden al ernstig aan getwijfeld?’
‘Zeker. En ik was niet de enige. Zoals ik al eerder zei: alle opsporingsverzoeken tegen Igor de Verschrikkelijke zijn namelijk nooit ingetrokken. Een man als Igor Ibramovic had niet alleen redenen genoeg om zich dood te laten verklaren, maar beschikte vervolgens ook over genoeg macht om een valse verklaring van een schouwarts en een doodgraver uit een of ander klein Russisch gehucht rond te sturen.’
Peter van Opperdoes keek weer naar buiten. De jongens aan de overkant hadden hun aandacht voor het politiebureau verloren en bekogelden nu de auto’s en trams die over de Marnixstraat reden met dikke sneeuwballen.
Hij zuchtte diep.
‘Blijft de vraag… waarom zou Igor de Verschrikkelijke zijn eigen schoonzus vermoorden?’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Ik kan voor Rutger… onze Kanjer… makkelijker een goed motief verzinnen. Loesje had de Nagant bij hem gezien.’
‘Ook daar hebben we het wel eens over gehad. Hij legde de Nagant vrijwillig op haar nachtkastje. Hij had haar meteen op dat moment kunnen vermoorden, maar heeft dat niet gedaan.’
Jacob ging verder. ‘Hij heeft haar vermoord nadat ze naar bureau Raampoort was gelopen. Uit wraak, omdat ze hem verraden had. Als ze haar mond had gehouden, zoals hij had verwacht, was haar niets overkomen.’
Peter van Opperdoes ijsbeerde heen en weer voor de halfronde ramen van de recherchekamer. ‘Het zou kunnen. Maar ik weet het niet… ik weet het niet. Het voelt niet goed.’
Hij was niet gelukkig met die redenering. Kanjer was geen domme man. Hij zou liever twee maanden in de gevangenis zitten, dan twintig jaar voor de moord op Loesje.
‘Bovendien…’ ging hij verder, ‘…waarom zou Kanjer Maurits Lepelaar dan hebben vermoord?’
Jacob kwam naast hem staan. ‘Simpel. Maurits was de vriend van Loesje, en haar pooier. Ze heeft hem verteld over het wapen en over Kanjer. Misschien heeft Maurits Lepelaar haar wel aangeraden om aangifte te doen. Je hebt zelf gezien hoe boos Kanjer kan worden. Hij ging door het lint, heeft die twee neergeschoten en heeft toen iemand verzonnen om de schuld te geven.’
De oude rechercheur knikte. ‘En graaft daarvoor een dode Igor de Verschrikkelijke op.’
‘Precies. Wij kunnen niet bewijzen dat hij niet dood is, ondanks de twijfels.’
Peter van Opperdoes zuchtte. ‘Je redenering klopt als een bus, Jacob. En toch is dat precies wat we moeten doen.’
‘Wat?’
‘Bewijzen dat hij niet dood is.’
‘Hoe?’
Het was een korte vraag, maar wel een die Peter van Opperdoes aan het denken zette. Hoe zouden ze dit aan moeten pakken? Stel dat Kanjer gelijk had en Igor niet te vinden was in Amsterdam?
Jacob was weer achter zijn bureau gaan zitten en rommelde met de doorzichtige en individueel genummerde plastic zakken waar de fouillering van de verdachte in zat. Omzichtig haalde hij er de mobiele telefoon van Kanjer uit tevoorschijn.
‘Misschien heeft hij hierin een telefoonnummer van Igor staan. Op zijn minst kunnen we aantonen dat hij hiermee Loesje de Vries heeft gebeld om een afspraak te maken.’
Hij haalde een laptop tevoorschijn en koppelde de telefoon middels een usb-kabel aan de computer. ‘Zo… eerst even alle gegevens uit die telefoon trekken. Als we een telefoonnummer vinden, zijn we misschien al iets verder. Dan kunnen we misschien zelfs uitpeilen waar Igor zich bevindt.’
Peter van Opperdoes zuchtte. ‘Daar ga je weer.’
Jacob keek op. ‘Wat bedoel je?’
‘Jij stort je weer op moderne opsporingstechnieken. Mobiele telefoons, uitpeilen…’
‘Wat is daar mis mee?’
‘Al dat moderne gedoe wordt binnengehaald als de oplossing voor alle problemen. Techniek, communicatie, dna… en ondertussen wordt het klassieke recherchewerk afgedaan als achterhaald en ouderwets.’
Jacob lachte. ‘Old school, noemen ze dat tegenwoordig.’
‘Ja, ja… recherchewerk uit de oude doos. Swiebertje. Maar in veel gevallen geef ik de voorkeur aan een goed verhoor boven een perfect technisch onderzoek.’
‘O, ja? Geef daar dan eens een voorbeeld van?’
Peter van Opperdoes zuchtte. ‘Meen je dat nou werkelijk? Wil je een voorbeeld?’
Jacob ging er eens goed voor zitten. Hij deed zijn la open en haalde het restant kerstbrood eruit. ‘Jij ook?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Stel je voor, iemand heeft een kind ontvoerd. Hij is de enige die weet waar hij het kind verstopt heeft. Hij wordt opgepakt. Dan moet hij vertellen waar dat kind is. Dan kan jij technisch speuren wat je wilt, maar als hij niks vertelt, heb je niks.’
Jacob moest hem gelijk geven. ‘Goed, goed… maar wat is er mis met het doorzoeken van Kanjers telefoon naar het nummer van Igor de Verschrikkelijke?’
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Igor de Verschrikkelijke is niet dom. Die weet al lang dat Kanjer is opgepakt. Als Kanjer een telefoonnummer van Igor zou hebben, denk je dat Igor die telefoon dan nog in zijn bezit heeft? Dat wij hem via die telefoon zullen vinden? Igor is daar veel te slim voor, Jacob. Die telefoon ligt al lang op de bodem van het IJ.’
‘Heb je soms weer een beter plan?’
‘Met mensen praten, Jacob… mensen vertellen je soms precies wat je wilt weten.’
Jacob bekeek de oude rechercheur met onverholen spot. ‘En jij denkt echt dat er iemand is die ons gaat vertellen waar Igor de Verschrikkelijke is?’
Peter van Opperdoes stond kreunend op en pakte zijn dikke montycoat van de kapstok. ‘Misschien wel… misschien wel, beste Jacob.’
Ze daalden de trappen van het bureau af en liepen de cellengang in. Met een paar forse knallen ontsloot Jacob de zware deur van de cel. Rutger zat ineengedoken op zijn brits, weggekropen in een hoek van de cel. Pas toen de deur open was, keek hij op.
‘We gaan Igor zoeken,’ deelde Peter van Opperdoes hem mee.
Rutger knikte. ‘Succes,’ fluisterde hij.
‘Moeten we voor jou nog een advocaat waarschuwen?’
Rutger schudde zijn hoofd.
‘Heb je een advocaat? Cas Dodewaard, misschien?’
Rutger fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik hoef geen advocaat, zei ik toch. En Cas Dodewaard al helemaal niet.’
‘Goed, goed…’ suste de oude rechercheur. ‘We laten het je meteen weten als we hem hebben gevonden.’
‘Succes…’ herhaalde Rutger nog maar een keer, zonder enige geestdrift. ‘Je zult het nodig hebben.’
Jacob sloot de deur zorgvuldig. ‘Die is niet echt enthousiast. Of hoopvol.’
Peter van Opperdoes liep monter voor hem uit naar de uitgang van het bureau. ‘Vind je het gek. Hij is inmiddels… in al zijn eenzaamheid in de cel… tot dezelfde conclusie gekomen als wij. Als wij Igor niet vinden, hangt hij voor twee moorden. Kom, we gaan op pad.’
Gabriëlle, de halfzuster van Loesje, woonde ook in de Jordaan, aan de andere kant van de Rozengracht. Het duurde niet lang voor ze de deur opendeed, nadat Jacob had aangebeld.
‘Rechercheur van Opperdoes. En dit is uw collega?’
‘Jacob,’ stelde Jacob zich voor.
Gabriëlle schudde hem de hand. ‘Wat kan ik voor u doen? Of komt u mij vertellen dat u de moordenaar van mijn zuster heeft gevonden?’
‘Misschien kunnen we dat beter binnen bespreken.’
Er gleed een licht verbaasde trek over haar gezicht, maar ze deed een stap opzij en hield de voordeur gastvrij open.
In de hal deed Peter van Opperdoes meteen de eerste zijdeur open en hij stapte de kamer in. Het was de slaapkamer van Gabriëlle.
‘U moet nog iets doorlopen, rechercheur.’ Gabriëlle hield hem gehaast aan de arm tegen.
‘Neem me niet kwalijk. Ik was even in de war met mijn eigen woning. Macht der gewoonte,’ verontschuldigde de oude rechercheur zich.
In de kleine woonkamer bleven de oude en de jonge rechercheur staan. Gabriëlle haastte zich om hen een stoel aan te bieden, maar Peter van Opperdoes liep heen en weer door de kamer.
‘Het gaat om… is dat uw echtgenoot?’ onderbrak hij zichzelf. In de kast, waarin ook boeken stonden, zag hij twee foto’s staan. Op een van de foto’s, overduidelijk in Rusland genomen gezien de gebouwen op de achtergrond, stond een jongen naast een oudere man.
‘Het enige dat ik nog heb van hem. Al het andere heb ik weggedaan.’ Ze zuchtte diep. ‘Ik weet hoe u over hem denkt, en u heeft waarschijnlijk ook wel gelijk. Maar ik was verliefd op die man. En dan… nou, ja… u snapt…’
Peter van Opperdoes knikte begrijpend. ‘Ik weet dat liefde soms heel ver kan gaan.’
Jacob keek hem even kort aan.
‘Is dit Igor met zijn vader?’
Gabriëlle reageerde scherp. ‘U komt hier vast niet om over mijn overleden echtgenoot te praten.’
Peter van Opperdoes draaide zich weg van de foto, die hij uitgebreid had bestudeerd. ‘Nee, nee, zeker niet. We komen u vertellen dat we iemand hebben aangehouden. De laatste klant van uw zuster.’
Gabriëlle keek hen met haar grote helgroene ogen aan. ‘De moordenaar?’ stamelde ze.
Jacob kuchte. ‘Dat weten we nog niet. Hij was in elk geval in het bezit van een vuurwapen, maar dat was naar alle waarschijnlijkheid niet het moordwapen.’
Gabriëlle sloeg haar handen voor haar mond en ging zitten. ‘O, mijn god. En waarom? Waarom is ze vermoord?’
‘Ook dat weten we nog niet.’
Ze keek snel van Jacob naar Peter van Opperdoes en terug. ‘Heeft die man… die monsterachtige moordenaar van mijn geliefde zuster… u dan helemaal niets verteld? Geef mij alstublieft een halfuur de tijd… laat mij met hem praten en hij zal u alles vertellen, dat verzeker ik u.’
‘Dat kunnen we niet toestaan, helaas. We doen ons best om alles zo snel mogelijk rond te krijgen.’
Uit zijn houding liet Peter van Opperdoes duidelijk blijken dat hij wilde vertrekken. Hij deed dat expres. Hoewel Gabriëlle ondanks haar betrekkelijk jonge leeftijd een door de wol geverfde vrouw was, merkte hij dat de emoties haar vatbaar maakten voor hun tactiek.
Toen hij een stap in de richting van de gang deed, kwam ze haastig naast hem staan en pakte zijn arm.
‘Wie is het?’ siste ze. ‘Ik kom er toch wel achter. Ik heb genoeg connecties bij de politie.’
‘U heeft Cas Dodewaard nog niet gesproken, begrijp ik?’
Ze liet zijn arm los en deinsde een fractie achteruit. ‘Wat heeft Cas Dodewaard hiermee te maken?’
Jacob stond in een hoek van de kamer en bekeek zijn oude collega met bewondering. Het was knap hoe hij Gabriëlle bespeelde.
‘U kent hem toch goed?’
Ze aarzelde net even te lang. ‘Ik ken hem, ja.’
‘Dat dacht ik al. Hij was vanmiddag op het bureau. Goed…’ Hij liep naar de deur.
Gabriëlle wist niet wat ze moest doen. Het was duidelijk dat ze de rechercheurs niet wilde laten vertrekken.
Nog even doorgaan, het gaat goed, dacht Jacob.
Peter van Opperdoes keek haar warm aan. ‘We komen er wel uit. We zullen de moordenaar van uw zuster vinden, dat beloof ik u.’ Hij opende de voordeur.
Ook Jacob knikte haar vriendelijk toe. ‘We gaan nog even verhoren. Voorlopig vertelt hij allemaal vreemde verhalen om de schuld op iemand anders te schuiven… maar daar prikken we nog wel doorheen.’
‘Ja, grote onzin wat hij allemaal vertelt…’ haakte Peter van Opperdoes in. ‘Over uw ex-man, nota bene.’
Gabriëlle schoot naar voren en een hand als een bankschroef omklemde de arm van de oude rechercheur. ‘Wat? Wat vertelt hij over Igor?’
‘Dat Igor nog leeft en dat hij de moorden heeft gepleegd. Grote onzin, natuurlijk.’
‘Natuurlijk. Iedereen weet dat Igor dood is,’ droeg Jacob een steentje bij.
‘Precies,’ maakte Peter van Opperdoes af. ‘Dus die verklaring nemen we niet serieus. Nee, we gaan door met deze meneer en we komen er wel.’
Hij keek naar de hand van Gabriëlle, die nog steeds met witte knokkels om zijn arm geschroefd zat. Alsof ze zich hier opeens van bewust werd, liet ze de arm los.
‘Sorry…’ stamelde ze. ‘Ik was even…’
Jacob klopte haar vriendelijk op de schouder. ‘Het is ook allemaal niet niks, hè? Dat begrijpen we wel, hoor. Eerst uw zuster vermoord… en dan ook nog moeten horen dat iemand uw ex-man, die allang dood is, erbij haalt. Nou ja, laat het maar even op u inwerken en neem een borrel. We houden u op de hoogte. Oké?’
Peter van Opperdoes deed de voordeur open, schudde de verbijsterde Gabriëlle de hand en verliet de woning.
‘Hoe deed ik het?’ vroeg Jacob, onderweg naar hun auto.
‘Je hebt je roeping als acteur gemist,’ bromde de sjokkende rechercheur goedmoedig. ‘Nu maar afwachten…’
Een uur later liep Peter van Opperdoes door het bureau Raampoort. Hij had zich wat verdiept in de geschiedenis van het oude bureau. Het was in 1888 gebouwd en had altijd dienstgedaan als politiebureau. Vooral in de kelder was dat nog goed te zien. Oude gangen, dikke deuren. De begane grond en de eerste verdieping kende hij nu wel, maar de tweede verdieping nog niet. Terwijl Jacob een broodje at, beklom de oude rechercheur de trap naar boven. Links bevond zich de kleedkamer van de uniformdienst, afgesloten met een elektronisch slot. Rechts was de ruimte precies boven de recherchekamer. Precies een verdieping hoger natuurlijk, en dus een magnifiek uitzicht, dacht Peter van Opperdoes toen hij door de vergeelde gordijnen keek.
Toen hij de kamer weer uit liep, viel hem een zware deur op, die afgesloten was met drie sloten. Omdat hij geen idee had wat zich daarachter bevond, ontsloot hij de deur en stapte op een van de mooiste plekken die hij ooit had gezien.
Een balkon, of eigenlijk was het meer een groot, rond terras, afgezet door kantelen. Vandaar, dacht Peter van Opperdoes, dat dit gebouw zo leek op een oud kasteel in de binnenstad. Hij liep door het pak sneeuw naar de rand, keek zo de hele Singelgracht over met aan de andere kant de Jordaan.
Hij waande zich een oude ridder die wacht hield over de stad en weg kon kruipen achter de kantelen als ze hem bestookten met al het slechts dat er was. Het bureau, de oude burcht, bood hem bescherming. Alleen werd hij nu niet aangevallen, nu was de wereld alleen maar…
‘Mooi, hè?’ zei zijn vrouw.
Peter van Opperdoes knikte. ‘Prachtig.’
‘Wat denk je als je hier staat?’
Hij vertelde over de ridders en het gevoel dat hem bekroop als hij hier stond. Toen realiseerde hij zich iets. ‘Ik hoef jou helemaal niet te vertellen wat ik denk of wat ik voel. Dat weet je toch allemaal al.’
Zijn vrouw grinnikte zacht en bleef bij hem, zonder nog iets te zeggen.
Pas toen zijn voeten koud werden en de kou begon op te trekken naar zijn gevoelige knieën, ging hij weer naar binnen.
Het duurde nog twee uur voordat er een bescheiden klop op de deur van de recherchekamer klonk.
‘Ja, binnen!’ riep Jacob.
Langzaam ging de deur open, en daar verscheen Gabriëlle. Ze leek weinig meer op de Gabriëlle zoals Peter van Opperdoes haar de eerste keer had gezien. De knappe, verzorgde vrouw van toen was in een paar dagen veranderd in een oude vrouw, vol leed in haar gezicht.
Peter van Opperdoes stond op en leidde haar naar de stoel bij zijn bureau. Het duurde lang voordat ze de moed had gevonden iets te zeggen. ‘Loesje… hoe is ze vermoord?’
Dit was een vraag die de beide rechercheurs niet verwacht hadden. Jacob aarzelde even. ‘Ze is… neergeschoten. Maar dat wist u toch al?’
‘Ik bedoel… hoe… op welke manier. Waar is ze geraakt?’
‘Waarom wilt u dat weten?’
Gabriëlle zuchtte en fluisterde naar de grond. ‘Vertel het me nou maar.’
Jacob weifelde, maar Peter van Opperdoes knikte langzaam.
‘Ze is in haar rug geschoten. Twee keer. En Maurits Lepelaar ook.’
‘Hij durfde haar niet in haar gezicht te kijken.’
‘Dat denk ik ook,’ beaamde Peter van Opperdoes.
Ze keek omhoog en de rechercheurs zagen dat tranen langzaam over haar wangen stroomden.
‘Dan was het inderdaad Igor die haar heeft vermoord. Hij durfde zijn slachtoffers nooit aan te kijken. Ooit heeft hij nachten lang wakker gelegen, bang voor de ogen van de dood, zoals hij zei. Ik weet zeker dat hij toen iemand had neergeschoten, die hem strak aan was blijven kijken. Die ogen achtervolgden hem, zei hij. Sinds die tijd schoot hij mensen alleen nog maar in de rug. En altijd twee keer.’
‘Hij heeft dus meer moorden op zijn geweten,’ zei Peter van Opperdoes zacht.
Ze knikte nadrukkelijk. ‘Ik kon hem niet tegenhouden. Maar mijn god, mijn god… hij leeft dus nog… en hij heeft nu zelfs mijn zus vermoord.’
Ze sloot haar ogen, haar stem viel weg en er klonk alleen af en toe een zacht gesnik. Gabriëlle leek ontroostbaar.
‘Je wist echt niet dat hij nog leefde?’
Gabriëlle schudde langzaam haar hoofd. ‘Toen ik doorkreeg wat voor monster hij was… na zijn moorden… probeerde ik afstand van hem te nemen. Maar het was tevergeefs, mijn liefde was te verblindend. Ik schaam me daarvoor, en ik zal daarvoor gestraft worden, dat weet ik… Maar hij verliet mij, hij verliet Nederland en stierf in Rusland. Dacht ik.’
‘Ik geloof je. Jouw woning zag eruit als het huis van een vrouw alleen. Niet iemand die nog steeds een relatie onderhoudt.’
‘U liep dus expres mijn slaapkamer in.’
‘Een slaapkamer zegt alles over een relatie.’
Gabriëlle snoof verontwaardigd.
‘Gabriëlle… wat is de relatie tussen Igor en jouw vader?’
Ze keek met een ruk op. ‘Wat bedoelt u? Welke relatie?’
‘Die foto in jouw woonkamer, van Igor met een oudere man. Ik moet me sterk vergissen als die foto niet kort geleden is genomen, in Rusland. Die oudere man, dat is jouw vader, nietwaar?’
Gabriëlle nam haar hoofd in haar handen. Ze werd heen en weer geslingerd tussen allerlei emoties. Uiteindelijk keek ze de oude rechercheur aan.
‘Daarom staat die foto daar ook, meneer Van Opperdoes. Niet vanwege Igor, maar vanwege mijn vader. Mijn vader kwam oorspronkelijk uit Rusland. Hij had een mooi leven, een rijk leven. Totdat alles hem afgenomen werd door het nieuwe regime, dat zogenaamd vrede en openheid voorstond. Maar het waren levensgevaarlijke mannen, die alleen maar op macht en geld uit waren. Niets zou er veranderen, het werd alleen maar erger. Toen mijn vader daartegen ageerde, werd hem het leven onmogelijk gemaakt. Zijn beste vriend werd vermoord bij een schietpartij en hij werd geraakt, maar kon ontkomen door zich dood te houden. Toen is hij naar Nederland gevlucht. Pas jaren later heeft hij de zoon van zijn dode vriend uit de klauwen van het regime kunnen redden en over laten komen naar Nederland.’
‘Igor Ibramovic.’
Gabriëlle knikte. ‘Wat hij niet wist en Igor goed verborgen heeft kunnen houden, was dat hij door de gebeurtenissen in Rusland… de brute moord op zijn vader… een koude, gewetenloze man was geworden. Iemand zonder enige emotie. Mijn vader dacht dat een warm huwelijk hem wel zou bekeren. Het mocht niet zo zijn. Het was eerder omgekeerd, ik werd meegesleurd in de wereld van Igor. Ik heb dingen gedaan waar ik niet trots op ben.’
Ze sloeg haar ogen neer en Peter van Opperdoes en Jacob lieten het verhaal even op zich inwerken.
‘Maar als Igor zo’n goede relatie met uw vader had… hoe komt hij dan aan die Nagant? Die was toch gestolen?’
Gabriëlle schudde haar hoofd. ‘Mijn vader heeft een aantal wapens aan Igor gegeven. Juist om wraak te kunnen nemen. Daarna heeft hij aangifte gedaan, zodat het wapen niet naar hem of Igor getraceerd zou kunnen worden.’
Peter van Opperdoes keek op. ‘En twee rechercheurs… Johnny Barendse en Cas Dodewaard… onderzochten die inbraak. Maar Cas Dodewaard had door dat de inbraak in scène was gezet.’
‘U heeft gelijk. Mijn vader heeft hem afgekocht, met veel geld. Vanaf dat moment werkte hij min of meer voor mijn vader.’
‘En voor Igor,’ begreep Jacob.
Gabriëlle knikte.
‘Waar is Igor nu?’ vroeg Jacob uiteindelijk.
‘Hoe moet ik dat weten? Ik leef al een jaar in de vaste overtuiging dat hij dood is.’
‘Waar kunnen we hem vinden, Gabriëlle?’ vroeg Peter van Opperdoes. ‘Daar moet je ons toch mee kunnen helpen. Het gaat om de moordenaar van je zus.’
Gabriëlle keek Peter van Opperdoes aan en haar ogen vulden zich weer met tranen bij de gedachte aan haar zuster. Ze nam dankbaar het zakdoekje aan dat Jacob haar voorhield en droogde haar tranen.
‘Zij is tenminste altijd zichzelf gebleven. Ik heb haar vervloekt toen ze die wereld inrolde, maar ze wist wat ze deed. Als ik wist waar Igor was, zou ik het meteen zeggen. Denkt u niet dat ik die schoft aan de hoogste boom zou willen zien hangen? Maar ik weet het echt niet.’
‘Wie weet het wel?’
Ze maakte een spottend geluid, wat het midden hield tussen een lach en een snik. ‘Wat denkt u zelf…’
‘Cas Dodewaard,’ antwoordde Peter van Opperdoes zacht.
‘Precies. Maar die zal jullie nooit vertellen wat hij weet. Nooit.’ Ze schudde vol overtuiging haar hoofd.
Peter van Opperdoes keek naar Jacob. ‘Maar er is iemand die hem wel zover kan krijgen. Jij.’
Gabriëlle keek verrast op. Ze begreep meteen wat de oude rechercheur haar voorstelde. ‘Ik doe alles om die smerige hufter te pakken. Alles.’
Jacob stond langzaam op. ‘Misschien moeten wij even overleggen?’ Hij maakte een kleine hoofdbeweging naar de gang.
Peter van Opperdoes volgde hem. Toen ze op de gang waren sloot Jacob de deur voorzichtig, zodat Gabriëlle hen niet kon horen.
‘Nemen we geen enorm risico?’
‘Met wat?’
‘Met haar in vertrouwen nemen. Voor hetzelfde geld… stel je voor dat zij in het complot zit. Straks is Cas Dodewaard de moordenaar. Kan ook. En laten ze op een heel slimme manier Kanjer ervoor opdraaien. Kanjer… die ons probeert wijs te maken dat Igor erachter zit. Zou zomaar kunnen.’
Peter van Opperdoes beet op zijn lip. ‘Ja, het zou kunnen. We moeten een gok nemen.’
‘Jij denkt dat Gabriëlle de waarheid vertelt?’
Er viel een lange stilte. Toen keek de oude rechercheur zijn jonge collega diep in de ogen. ‘Ja, dat denk ik.’
Jacob zuchtte diep. ‘Ik had nooit gedacht dat ik dit zou vragen… maar heb je soms iets ingefluisterd gekregen van…’ Hij sloeg zijn ogen op naar boven.
Peter van Opperdoes moest glimlachen. ‘Nee, dit is gewoon mensenkennis. En hopen dat ik de goeie keuze maak.’
Jacob berustte in het oordeel van zijn oude maat. ‘Vooruit dan maar. Maar dan is er nog iets anders. Ik denk namelijk dat ik weet wat je nu met Gabriëlle van plan bent. Maar dat kan dus helemaal niet.’
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Ik zou niet weten waarom niet.’
Jacob reageerde aangebrand. ‘Omdat dat aan allemaal regels is gebonden. Je wilt iemand laten infiltreren. Je wilt onderzoeksmethoden toepassen die afgekeurd, afgewezen, verboden, strafbaar of onwettig zijn. Het hele strafproces zal nietig verklaard worden, de moordenaar zal vrijgesproken worden. Er moet een heel college vooraf over oordelen, over wat jij van plan bent.’
‘Tegen de tijd dat die ermee klaar zijn, weet half Nederland, of in ieder geval zo’n geslepen vos als Cas Dodewaard, waar wij mee bezig zijn. Die man heeft overal zijn bronnen, dat weet je inmiddels toch ook wel? Dus… tegen de tijd dat wij toestemming hebben, zit Igor de Verschrikkelijke al hoog en droog ergens in een warm, tropisch land en vinden we hem nooit meer. Nu… als we het op deze manier doen… weten drie mensen ervan af.’
Peter van Opperdoes strekte zijn wijsvinger en prikte in de borst van de jonge rechercheur. ‘Jij, ik en die verdrietige dame daarbinnen die tot alles in staat is… als de brute moordenaar van haar zusje maar wordt gepakt. Jij mag het zeggen.’
Jacob perste zijn lippen op elkaar en zweeg.
Cas Dodewaard verliet die avond om ongeveer acht uur zijn riante kantoor aan de Prinsengracht. Zijn chique aktetas zwaaide energiek heen en weer terwijl zijn dure schoenen op de straatstenen klakten. Bij de garage om de hoek van de Spiegelgracht toetste hij de vijfcijferige code van zijn abonnement in, waarna het zware hek openzwaaide.
‘Goedenavond,’ groette hij vriendelijk.
De garagemedewerker stak zijn hand op en wees naar het tweede gedeelte van de garage, dat aan de overzijde van de Lange Leidsedwarsstraat lag. Cas Dodewaard haalde zijn sleutels tevoorschijn en zocht zijn dure auto.
‘Je bent laat vanavond, Cas.’
Als door een wesp gestoken keek Cas om. Daar stond Gabriëlle, midden in de enorme garage. Ze droeg een lange beige jas en een zwierige hoed, wat haar aantrekkelijke vormen extra aanlokkelijk deed voorkomen. Vooral door de manier waarop ze stond, enigszins wijdbeens met hoge pumps aan, en de iets openvallende jas, kwamen haar lange blote benen verleidelijk uit.
‘Gabriëlle… wat doe jij hier?’
‘Wij moeten praten, Cas.’
Cas Dodewaard was duidelijk in verwarring gebracht. Hij keek om zich heen naar de desolate omgeving van de parkeergarage. ‘Hier?’
‘Liever niet, nee. Zullen we een stukje gaan rijden?’
Langzaam, met passen als die van een mannequin, kwam Gabriëlle dichterbij. Van slag gebracht door zoveel pure schoonheid, wist hij niet veel anders te doen dan de passagiersdeur te openen en Gabriëlle in te laten stappen.
‘Waarnaartoe?’
‘Maakt niet uit…’ Gabriëlle maakte het zich gemakkelijk, waarbij ze haar benen strekte in de ruime suv waarmee Cas zich verplaatste.
Dodewaard reed de garage uit, de Korte Leidsedwarsstraat in, en vervolgens naar de Stadhouderskade. ‘Links of rechts?’
Gabriëlle haalde haar schouders op. Cas hield via zijn spiegels in de gaten wie er achter hem reed, maar ze werden niet gevolgd. Het was een automatisme van hem, maar nu hij gerustgesteld was, kon hij al zijn aandacht weer richten op de mooie vrouw naast hem.
‘Is er… is er iets speciaals waarover je me wilt spreken?’
‘Zeker. Rij maar richting de Jordaan. Misschien kunnen we wat drinken op de Westermarkt?’
Cas Dodewaard sloeg rechts af en was op zijn hoede, dat kon je aan alles merken. Gabriëlle herkende het gedrag van Igor, die had dat ook. Hun ogen flitsen alle kanten op, ze leken alles te zien en niemand te vertrouwen. Ze was eraan gewend geraakt.
De wegen waren weer prima begaanbaar, het sneeuwen was gestopt. Cas Dodewaard draaide de zware wagen de Nassaukade af en reed langs bureau Raampoort linksaf de Marnixstraat op.
‘Heb je al gegeten?’ vroeg Gabriëlle toen Cas de Westerstraat in reed.
Cas schudde zijn hoofd.
‘Stop hier anders maar,’ zei Gabriëlle toen ze halverwege de Westerstraat reden. Ze wees naar links, waar een onopvallende ingang een hip Italiaans restaurant verborg.
Gabriëlle ging hem voor de hal van het restaurant in, waar rechts veel mensen aan de bar zaten te wachten. Door twee zware gordijnen heen betraden ze een enorme zaal, die vol stond met tafeltjes en waar op de muur achter in het restaurant een film werd vertoond. Gabriëlle werd hartelijk verwelkomd door Giovanni, de bedrijfsleider, en meteen naar een tafeltje gebracht.
‘Je komt hier zeker vaker?’ spotte Cas Dodewaard.
‘Af en toe. Leuke plek hier. Bovendien lekker druk en rumoerig. Kan niemand ons horen. Dat zal jij wel op prijs stellen.’
Ze gingen zitten in een hoek, met niemand achter zich en een goed uitzicht op het restaurant. Na hen was niemand het restaurant binnengekomen.
Gabriëlle zag Cas Dodewaard naar de ingang staren. ‘Bang dat je achtervolgd wordt?’
‘Ik vertrouw de politie voor geen cent. Als ze een ex-collega kunnen pakken, zullen ze het niet laten.’ Hij pakte het menu en bestudeerde het aandachtig. ‘Heb ik het mis als ik zeg dat dit geen vriendschappelijke ontmoeting is, ondanks de verleidelijke start in de parkeergarage?’ vroeg hij bijna achteloos, zonder haar aan te kijken.
Gabriëlle haalde haar schouders op. ‘Ik ben niet echt in de stemming voor een vriendschappelijke ontmoeting na vanmiddag.’
Meteen was Cas Dodewaards interesse gewekt. ‘Wat was er vanmiddag?’
‘De politie was bij mij thuis. Recherche.’
Dodewaard legde het menu neer. ‘Werkelijk? Dat kan natuurlijk, in verband met het onderzoek naar de moord op Loesje. Het is niet vreemd dat ze de familie benaderen. Heb je hulp nodig? Ik kan je…’
Gabriëlle hief haar hand op. ‘Ik kan dat wel aan. Het gaat erom wat ze kwamen vragen. Dat heeft me meer aangegrepen.’
‘Wat dan?’
‘Ze vroegen of ik ze kon vertellen waar Igor is.’
Ondanks het gedimde licht van het sfeervolle restaurant kon Gabriëlle zien dat Cas Dodewaard in een fractie van een seconde lijkbleek was geworden en dat er zweetdruppels op zijn voorhoofd verschenen.
‘Igor is dood.’
‘Dat heb ik ze ook verteld, maar zij leken ervan overtuigd dat dat niet het geval was.’
‘De vuile hond…’ mompelde Cas Dodewaard.
‘Wie?’
Cas Dodewaard zuchtte diep en leek zichzelf weer in de hand te hebben. Hij depte zijn voorhoofd met zijn servet. ‘De recherche heeft een verdachte voor de moord vastzitten. Hebben ze je dat niet verteld? Ongetwijfeld heeft deze man een verhaal verzonnen om zichzelf vrij te pleiten. Een bijzonder ongeloofwaardig verhaal uiteraard… over Igor, die nog leeft en de moorden gepleegd heeft… maar die stompzinnige rechercheurs trappen daar natuurlijk vol overgave in.’
Een mandje met wat brood en boter werd neergezet.
‘Ik weet nog niet zo zeker of het wel zo’n bijzonder ongeloofwaardig verhaal is, Cas.’ Hoewel Gabriëlle’s stem vriendelijk klonk, was de onderliggende spanning om te snijden.
‘Wat bedoel je?’
‘Ze hebben me details over de moord verteld. Igor is de moordenaar, Cas, daar twijfel ik geen seconde aan.’
Cas Dodewaard zweeg.
‘Waarom, Cas? Waarom…?’
Cas Dodewaard liet zijn blik langs alle tafeltjes gaan… langs de mensen die er zaten, langs de obers die gehaast rondliepen. ‘Heb je iets over deze vermoedens tegen de rechercheurs geuit?’
Weer dat spottende geluid. ‘Alsof ik daar iets mee zou opschieten, alsof zij mijn vrienden zijn.’
Cas Dodewaard leek haar te geloven en ademde opgelucht uit. ‘Je brengt me anders wel in een moeilijke situatie.’
‘Ik heb niets gezegd.’
Cas Dodewaard keek in haar ogen. ‘Ik geloof je, omdat ik je ken. Het was…’ Hij boog voorover en zijn stem daalde tot een zacht gefluister. ‘Het was voor iedereen beter. Voor jou, voor Igor. Er zaten mensen achter hem aan. Ze zouden er niet voor terugdeinzen om ook jou iets aan te doen. Igor is…’ Hij zweeg, leek te twijfelen of hij zou vertellen wat hij wist. ‘Igor is in Amsterdam. Voor even. Hij heeft een missie. Er is iemand die hij…’ Weer leek Cas naar woorden te zoeken. ‘Hij wil wraak. Voor wat zijn vader is aangedaan. Voor wat jouw vader is aangedaan in Rusland. Niemand houdt hem tegen. Het is bijna zover. Die stomme idioot die dat wapen had… de Nagant… had bijna de hele boel verraden door dat wapen te laten zien aan Loesje.’
‘Heeft Igor daarom Loesje vermoord? En Maurits?’
‘Igor laat zich niet tegenhouden, Gabriëlle.’
‘Maar door mij wel.’
Cas Dodewaard schudde zijn hoofd. ‘Ook door jou niet, Gabriëlle. Doe geen domme dingen.’
‘Waar is hij?’ vroeg ze scherp.
‘Ik heb geen idee. Hij belt mij iedere keer met een ander telefoonnummer. Ik heb hem een keer ontmoet in het Amstel Hotel.’
‘Logeert hij daar?’
‘Nee, daar was hij om…’ Zijn stem stokte. ‘Ik weet het ook niet.’
Gabriëlle stond op. ‘En jij hebt dit geweten en mij niets gezegd.’
Ze nam het glas water en gooide het in Cas Dodewaards gezicht, waarna ze zich vooroverboog. ‘Je hebt mazzel dat we hier zitten. Ik had je ogen eruit moeten krabben.’
Ze verliet snel het restaurant en sloeg links af. In een verre donkere zijstraat zaten Peter van Opperdoes en Jacob zoals afgesproken in hun rechercheauto te wachten. Gabriëlle liep direct naar ze toe en haalde onderweg een klein digitaal opnameapparaat uit het borstzakje van haar colbertje. Terwijl ze langs de onherkenbare recherchewagen liep, liet ze het apparaat waarmee ze het hele gesprek met Cas Dodewaard had opgenomen ongezien door het geopende raampje in Jacobs schoot vallen.
‘Zorg dat je die smerige moordenaar snel te pakken krijgt, anders pak ik hem zelf,’ siste ze terwijl ze doorliep met haar wapperende jas en golvende haren, de donkere Jordaan in.
Twee uur later, op de recherchekamer van bureau Raampoort, luisterden Peter van Opperdoes en Jacob met stijgende verbazing het hele opgenomen gesprek af.
‘Dus onze Kanjer heeft niet gelogen,’ stelde Jacob na afloop tevreden vast.
‘Igor heeft er vast op gegokt dat Kanjer zijn mond zou houden, na zijn stomme fout in het kamertje bij Loesje. Voor hem was niet alleen Loesje een onverwacht risico geworden, maar ook haar dagboeken waarin ze ongetwijfeld de hele geschiedenis van Igor en haar vader had beschreven. Dat is Maurits Lepelaar noodlottig geworden.’
‘En Igor heeft voor de zekerheid Cas Dodewaard naar het bureau gestuurd om Kanjer er even van te “overtuigen” dat hij maar beter kon zwijgen over Igor. Door middel van bedreigingen… of het aanbieden van veel geld. Alleen kreeg hij geen toegang tot de verdachte.’
Peter van Opperdoes plukte aan zijn neus. ‘Blijft de vraag: waar vinden we Igor de Verschrikkelijke? Als we al weten waar hij zit, zal niemand hem vermoedelijk herkennen, als het klopt wat jij beweert over plastische chirurgie.’
Jacob had een koptelefoon opgezet en luisterde het gesprek nog een keer terug. Hij stopte bij een bepaalde passage en luisterde die nog een keer af. En nog een keer. Toen liet hij het aan Peter van Opperdoes horen.
‘Luister hier eens naar.’
Hij klikte op ‘play’ en de stem van Cas Dodewaard klonk: ‘Nee, daar was hij om…’ en nog een keer: ‘Nee, daar was hij om…’
Peter van Opperdoes luisterde aandachtig. ‘Hij maakt zijn zin niet af… alsof hij op het laatste moment merkt dat hij iets gaat zeggen wat Gabriëlle niet aangaat.’
Jacob was enthousiast. ‘Waarom was Igor in het Amstel Hotel? Wat slikt Cas Dodewaard in? Dat Igor daar was om iets te doen.’
‘Hij heeft een missie, zei Cas. Hij wil wraak nemen op iemand. Zou hij daarvoor in het Amstel zijn geweest? Om degene te zoeken op wie hij wraak wil nemen?’
‘Dan hadden we het wel gehoord, als daar een moord was gepleegd.’
Peter van Opperdoes knikte. ‘We kunnen er rustig van uitgaan dat de moord… als het inderdaad om een moord gaat… nog gepleegd moet worden. Anders had Cas Dodewaard wel gezegd dat Igor al wraak had genomen.’
‘Het enige moment waarop Dodewaard aarzelde, was bij het Amstel Hotel.’
Jacob pakte de telefoon.
‘Wat ga je doen?’ vroeg Peter van Opperdoes.
‘Ik ken het hoofd security van het Amstel Hotel. Die is absoluut te vertrouwen.’
Peter van Opperdoes leunde achterover. ‘Bel hem maar.’
Jacob voerde een kort gesprek en maakte wat notities, waarna hij de hoorn op het toestel gooide.
‘De Russische afgezant van de regering komt vanavond aan in het hotel. Hij heeft daar met iemand een topbespreking.’
Peter van Opperdoes kwam snel overeind. ‘Heb je zijn naam?’
Jacob scheurde het papiertje uit zijn notitieblok en wapperde ermee.
Gabriëlle staarde naar het papiertje met de Russische naam erop. ‘Boris Tarkovski. Die naam zal ik mijn hele leven nooit vergeten.’ Ze schoof het ver van zich weg. ‘Hij is de man die mijn vader en zijn vriend heeft verraden. Op de klassieke manier, u kent het misschien uit films zoals The Godfather. Als ze je in de val willen lokken, laten ze je bellen door iemand die je vertrouwt. Boris Tarkovski belde mijn vader… Ze gingen naar de afgelegen plek… voor overleg, dachten ze… en ze werden van alle kanten beschoten. Mijn vader raakte gewond, en zijn vriend… de vader van Igor… overleed. Tarkovski werd later beloond met een hoge positie in de nieuwe regering. Nu snap ik waarom Igor zich niet wil laten tegenhouden. Dit is eerwraak voor de moord op zijn vader. U moet voorzichtig zijn.’
Peter van Opperdoes keek haar bedachtzaam aan. ‘Hij heeft zijn gezicht vast laten veranderen. Is er iets anders waar wij hem aan kunnen herkennen?’
Ze lachte nerveus en haalde een foto uit een lade. ‘Dat is niet zo moeilijk. Kijk naar zijn ogen. Die zullen ze niet kunnen veranderen, zijn ogen verraden alles. Als van een witte haai. Doods, donker, kil, zonder enige emotie. De aankondiging van de dood.’
Jacob was onder de indruk. Ook al glimlachte de man op de foto, zijn ogen weerspiegelden niets. Iemand die tegenover deze man stond en diep in zijn ogen keek, zou een rilling over zijn rug voelen, dat was zeker.
‘Mogen we deze meenemen?’ vroeg Peter van Opperdoes.
‘Ik wil niets meer van die man in mijn huis hebben.’ Ze begeleidde de twee rechercheurs naar de voordeur. ‘Ik hoop dat u hem te pakken krijgt.’
‘We doen ons best, dat beloven wij u.’
Jacob en Peter van Opperdoes concentreerden zich op het Amstel Hotel. Het hele ritueel van het aankomen op Schiphol en het transport naar het hotel was niet interessant, omdat Cas daar niet over gesproken had. Om geen argwaan te wekken, waren er ook geen extra maatregelen getroffen in het hotel. Alleen Jacob en Peter van Opperdoes liepen er rond.
Boris Tarkovski was het prototype van een horkerige Rus. Hij kwam stampend binnen en wilde meteen naar zijn kamer. Vervolgens liet hij zich niet meer zien. Aan beide uiteinden van de gang zat iemand van de beveiliging, die iedereen die voor een gesprek op bezoek kwam zorgvuldig fouilleerde.
Na middernacht had Boris Tarkovski alle gesprekken afgerond en was hij, na het luidruchtig nuttigen van diverse wodka’s in de hotelbar, naar zijn kamer gestampt en in een diepe slaap gevallen.
Een verdieping lager stonden de twee rechercheurs bij de receptie.
‘We kunnen ook wel gaan slapen,’ opperde Jacob. ‘Er gaat nu niet veel meer gebeuren. Die twee op de gang houden iedereen wel tegen. En beneden staan ook agenten.’
De telefoon ging en de dame achter de receptie nam op. ‘Ja, natuurlijk. Komt in orde. Ook nog iets te eten erbij? Misschien wat nootjes, of zo?’ Ze glimlachte verontschuldigend naar de twee rechercheurs.
‘Meneer Tarkovski is wakker geworden en wil nog iets drinken. Ik stuur de room service even naar boven.’ Ze belde de bestelling door.
‘Dan blijft-ie in elk geval in zijn kamer. Ga je mee? Zorgen we dat we morgenochtend vroeg weer hier zijn. Voordat hij naar buiten komt.’
Maar Peter van Opperdoes voelde zich onrustig. Het leek hem niet goed om het hotel te verlaten, voordat… In zijn ooghoek zag hij iemand in de kleding van het hotel de trap op lopen. De man droeg een dienblad waarop een fles wodka, een glas en een bakje met kennelijk wat nootjes stonden.
Iets deed de oude rechercheur nog een keer omkijken. Er klopte iets niet, maar wat?
De bediende keek strak voor zich uit. Peter van Opperdoes tikte met zijn elleboog Jacob aan en gebaarde naar de bediende.
‘Wat bedoel je?’ vroeg Jacob.
Peter van Opperdoes hobbelde snel naar de trap. ‘Iemand die in zo’n hotel werkt houdt een dienblad op één hand. Niet zo amateuristisch met twee handen.’
Hij wachtte tot de man uit het zicht was en riep naar de vrouw achter de receptie: ‘Waarschuw onze collega’s. Die man is de moordenaar.’
Met grote ogen pakte ze de telefoon. Jacob trok zijn pistool en snelde met twee treden tegelijk de trap op. Boven waren ze net op tijd om te zien hoe de bediende de eerste agent uitschakelde door hem een slag op het hoofd te geven.
Met getrokken wapen liep Igor de gang in. Hij richtte zijn wapen op de tweede agent aan het uiteinde van de gang, die snel wegdook. Inmiddels stond hij voor de kamer van Boris.
‘Igor!’ riep Peter van Opperdoes. ‘Geef je over. Je komt hier niet weg!’
‘Dat had ik ook niet verwacht,’ schreeuwde Igor. Hij keek de oude rechercheur aan. Zijn ogen waren inderdaad niet te missen. Igor zou geen fractie van een seconde aarzelen iedereen die hem tegen probeerde te houden uit de weg te ruimen.
Igor keek van links naar rechts. Aan beide kanten stonden rechercheurs, maar die zouden niet op hem kunnen schieten zonder het risico te lopen elkaar te raken.
Igor probeerde de deur van Boris Tarkovski te openen, maar die werd tot zijn verrassing snel van binnenuit opengetrokken. Een grommende Tarkovski stortte zich op Igor en hield zijn arm met het wapen vast. Jacob stormde naar voren om de man te helpen Igor onder controle te krijgen. Met twee handen had Tarkovski Igors hand vast.
Jacob was bijna bij de twee, toen een vrouwenstem hem riep. ‘Jacob, kijk uit!’
Hij hield in, meteen daarop klonk een schot, waarna Tarkovski neerviel. Igor draaide zich vliegensvlug naar Jacob en richtte op de plek waar die zich net daarvoor bevond. Maar Jacob stond veilig achter een pilaar halverwege de gang. Langzaam liep Igor in de richting van Jacobs schuilplek.
‘Het is genoeg geweest, Igor.’
Peter van Opperdoes verscheen en liep midden door de gang in de richting van Igor. Die keek hem aan met duistere ogen, die niets van zijn gedachten verraadden.
‘Je hebt je wraak, Igor. Wraak voor je vader. Wraak voor de vader van Gabriëlle. Wat wil je nog meer? Wegkomen zul je niet meer. Andere moorden…’ Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op, ‘…zijn zinloos. Je zal niet wegkomen. Ergens onderweg tussen deze plek en de uitgang staan agenten die jou zullen neerschieten. Je hebt lang gewacht, Igor, en je hebt wat je wilde. Je kunt je laten doodschieten, maar je kunt ook genieten van je wraak. Het is genoeg zo.’
Igor liep door. Zijn wapen hield hij langs zijn lichaam. Hij liep langs Jacob, die hem zou kunnen neerschieten als hij zou willen, maar Igor lette niet op hem. Met een kort handgebaar beval de oude rechercheur Jacob zijn wapen niet te gebruiken.
Toen Igor vlak voor Peter van Opperdoes stond, hief hij het wapen, zijn vinger in de beugelkrop bij de trekker. Peter van Opperdoes schudde kort ‘nee’.
Toen liet Igor het wapen kantelen om zijn vinger en bood het op die manier aan de oude rechercheur aan.
Igor de Verschrikkelijke was aangehouden.