Peter van Opperdoes leunde langzaam achterover in zijn stoel. Hij bekeek de weldadig blonde vrouw die tegenover hem zat aandachtig. Ze kende het leven goed en leek hem niet iemand die voor onbenulligheden of halve waarheden naar de politie kwam, daar was hij van overtuigd.
‘Het wapen van uw vader?’ herhaalde hij.
Ze knikte.
‘En hoe weet u dat zo zeker? Er zijn vast wel meer van dat soort wapens in omloop.’
Een glimlach verscheen op haar gezicht, waardoor ze plotseling minder hard oogde. ‘Weet u eigenlijk wel wat voor wapen de Nagant is?’ vroeg ze.
‘Een revolver van voor 1914,’ lachte Peter van Opperdoes. ‘U hebt gelijk. Daar zullen er niet zoveel meer van in omloop zijn.’
Ze knikte gracieus, bijna dankbaar dat hij haar gelijk gaf. ‘Mijn vader had er bovendien iets mee gedaan. Het was zijn lievelingswapen, ziet u. Kijk…’ Ze gebaarde naar een leeg velletje papier dat op het bureau lag. ‘Mag ik?’
‘Zeker…’ Peter van Opperdoes schoof het naar haar toe en haalde een pen uit zijn binnenzak, die hij bijna gracieus aan haar overhandigde.
‘Kijk.’ Ze begon te tekenen. ‘Als je het wapen hebt, het handvat…’
Peter van Opperdoes moest glimlachen toen hij haar zo’n moeite zag doen het duidelijk te tekenen. Zelfs het puntje van haar tong verscheen even tussen haar lippen, maar met een paar pennenstreken schetste ze precies wat ze kennelijk bedoelde. Ze draaide het blaadje met een bescheiden glimlach om.
‘Nou ja, zoiets dus.’
Ze schoof een perfect gemanicuurde nagel met de punt over het papier en hield die midden op de tekening stil. ‘Kijk, dit bedoel ik.’
‘De kolf.’ Ze was haar roeping misgelopen, vond hij. Er was hier onmiskenbaar een groot talent aan haar verloren gegaan.
‘Precies. Vader had met een zakmes een kleine inkeping gemaakt in de kolf. Ik herken dat ding uit duizenden, meneer de rechercheur. Er is echt geen enkele twijfel mogelijk.’
Peter van Opperdoes leunde langzaam achteruit. ‘U tekent erg mooi. U bent creatief.’
Ze knikte. ‘Ik ben creatief in meer dingen, rechercheur,’ glimlachte ze. ‘Daar verdien ik mijn geld wel mee. Tekenen kan ik altijd nog.’
Peter van Opperdoes kon een glimlach niet onderdrukken. ‘Mevrouw De Vries…’ begon hij.
‘Loesje, zei ik toch dat ik heet?’ Haar stem klonk steeds warmer, vriendelijker.
‘Loesje…’ ging Peter van Opperdoes na een beleefde glimlach verder. ‘Die man, die zich Kanjer noemde…. heeft hij wel eens eerder van uw diensten gebruikgemaakt?’
Ze schudde van ‘nee’ en haar blonde lokken dansten langs haar welgevormde hoofd.
‘Hij belde en zei dat een vriend van hem mij aangeraden had. Zo kom ik overigens aan de meeste van mijn klanten.’
‘En die vriend die hem had doorgestuurd, kent u die?’
‘Die is wel eens vaker geweest, ja.’
‘Naam?’
Nu bleef het iets te lang stil.
‘Hoe heet die vriend die Kanjer naar u heeft doorgestuurd?’ vroeg hij nogmaals. ‘Hij moet ons kunnen vertellen wie Kanjer is.’
‘U moet begrijpen dat ik op basis van vertrouwen werk, meneer de rechercheur. Ik vraag niet door naar namen. Mannen komen bij mij omdat ze ergens anders iets missen, misschien thuis, misschien bij een vriendin, wat dan ook. Niemand zit te wachten op een… dame als ik… die aan anderen doorvertelt wie ze als klant heeft. Laat staan aan de politie.’
Peter van Opperdoes zuchtte. ‘Maar zo kom ik niet veel verder. U weet niet wie Kanjer is. U wilt niet vertellen wie Kanjer heeft doorverwezen.’ Hij leunde voorover. ‘En toch verwacht u dat ik hier iets aan doe.’
‘Vader, zoals ik u al vertelde, was een oud-legerofficier. Hij had een groot respect voor zijn werk en een groot respect voor de politie. Zijn wapens waren zijn trots. Als ik aan mijn vader denk, dan zie ik hem aan de tafel zitten voor het grote raam met uitzicht op de Geldersekade. Een kussentje op zijn stoel, een felle bureaulamp. Naast hem stond altijd een flesje olie en een stapeltje zachte doekjes. Ieder wapen werd zorgvuldig onderhouden, alsof het een kindje was. En dan legde hij mij alles uit. Ik ben hier voor hem, uit liefde voor hem, niet zozeer voor mijzelf. Dus vergeef me als ik dat kleine beetje discretie voor mijzelf inbouw. Er zou niemand meer langskomen, als ze wisten dat ik hun namen doorgeef.’
De oude rechercheur maakte een wrevelig gebaar. ‘Dit is niet zomaar iemand. Dit is iemand die met een wapen rondloopt. En een goed functionerend wapen ook nog, als ik u zo over uw vader hoor.’
Ze leek te aarzelen, maar schudde uiteindelijk ferm haar hoofd. ‘Ik had hier niet gezeten als het niet de Nagant van mijn vader betrof.’
‘Goed, goed…’ Peter van Opperdoes streek door zijn haar. ‘Ik snap het. Ik zal niet aandringen.’
Loesje de Vries knikte dankbaar.
‘Maar het onderzoek wordt er niet makkelijker op, dat moet u dan ook begrijpen. Ik zie me nog niet door de stad lopen en in de kroegen navragen of men iemand kent die Kanjer heet.’
‘Dat snap ik.’ Ze glimlachte.
Loesje de Vries stond op en gaf Peter van Opperdoes een warme hand, waarna ze zich omdraaide en haar mantel weer dichtknoopte.
Ze ging voor de ramen staan.
‘Het sneeuwt nog steeds. Gezellig.’
Peter van Opperdoes volgde haar blik. Dikke vlokken sneeuw dwarrelden door de lucht, om zacht op straat te landen. De wereld werd witter en witter en de Marnixstraat en de Nassaukade waren inmiddels zo goed als leeg.
Ze stonden samen even zwijgend naar het mooie, winterse tafereel te kijken.
‘Het voorval zit u toch wel hoog, dat u op eerste kerstdag naar de recherche komt, in plaats van warm binnen te blijven of ergens de eerste kerstdag te vieren waar het gezelliger is dan in dit oude bureau.’
Loesje de Vries boog haar hoofd. Toen ze weer opkeek zag Peter van Opperdoes dat haar ogen betraand waren.
‘Niet lang nadat mijn vader overleed, heeft mijn moeder alle contact met mij verbroken. Ze was er… op een of andere manier… achter gekomen waar ik mijn geld mee verdien. Ik zou niets liever willen dan binnen zitten, de kerstdagen vieren met familie…’
Ze haalde haar schouders op.
Peter van Opperdoes legde zijn hand maar even op haar schouder, want hij wist niet goed wat hij moest zeggen. Ze schonk hem een verdrietige glimlach, legde even haar hand op de zijne en liep toen de recherchekamer af. Vlak voordat ze de kamer uitliep, stond ze heel even stil. Peter van Opperdoes hoorde haar twee keer diep ademhalen, voordat ze haar rug rechtte en met vlotte stappen het bureau verliet.
Hij bleef even naar de stille gang staren en ging toen voor het raam staan.
Hij zag haar het bureau uitlopen en met snelle, korte stapjes de Marnixstraat oversteken. Ze keek voorzichtig om zich heen, liet een eenzaam glibberende fietser voorgaan en liep de brug naar de Bloemgracht op. Ongetwijfeld was ze op weg naar de Eerste of Tweede Anjeliersdwarsstraat. Ze woonde en werkte in de smalle Derde Anjeliersdwarsstraat, had ze gezegd, maar Peter van Opperdoes wist heel goed dat er maar twee dwarsstraten waren van de Anjeliersstraat. Ze wilde niet prijsgeven wat haar adres was.
Vlak voordat ze uit het zicht verdween, zag hij haar even omkijken. Ze zwaaide aarzelend en wat onbeholpen naar het raam waar Peter van Opperdoes achter stond. Na een paar seconden draaide ze zich om en loste op in de dichte sneeuwval op de Lijnbaansgracht.
‘Zo, vertel eens… wat heb je met haar?’ vroeg zijn vrouw.
‘Ze doet me aan iemand denken,’ zei Peter van Opperdoes.
‘Aan mij? Haha, ik ben nooit prostituee geweest,’ lachte ze.
‘Nee, dat weet ik. En zij is ook niet dood.’
‘O, wat zijn we weer leuk.’
Meteen had hij spijt van zijn cynische opmerking. ‘Sorry, dat bedoel ik natuurlijk niet zo. Het is alleen…’ Peter van Opperdoes keek uit over het winterse Amsterdam en schudde langzaam zijn hoofd.
‘Ik snap hoe je je voelt, schat. Maar ik kan er toch ook niks aan doen dat ik dood ben,’ zei zijn vrouw zacht en verontschuldigend.
Peter van Opperdoes zweeg en staarde naar de zacht vallende sneeuwvlokken.
‘Je moet het wel een beetje gezellig maken, hoor. Het is kerst. Het sneeuwt. Kijk nou hoe mooi Amsterdam is.’
‘Gezellig…’ Peter van Opperdoes draaide zich om en ging langzaam in zijn stoel zitten.
‘Ja, denk dan aan hoe het was. Weet je nog, de kerstboom? Hoe je altijd aan het vechten was om die boom naar huis te slepen vanaf de Noordermarkt?’
Peter van Opperdoes moest glimlachen, ondanks alles.
‘Nep komt hier niet binnen!’ had zijn vrouw altijd gezegd. ‘Die ruiken niet zo lekker.’
Ze kon een hele middag bezig zijn met het versieren van de boom. Plukjes engelenhaar, verse kerstkransjes van de bakker, zilveren ballen en slingers. Wat hem betrof hing het meteen goed, maar zij kon alles tientallen keren verhangen. Pas als ze helemaal tevreden was, ging ze warme chocolademelk maken en kon de kerstviering beginnen. En ze had gelijk, een echte boom rook gezelliger.
Het was alsof de geur zich over de recherchekamer verspreidde. Peter van Opperdoes sloot zijn ogen. Langzaam gleed hij terug in de tijd, naar Kerstmis vorig jaar, toen zijn vrouw er nog was.
‘Zie je wel…?’ zei zijn vrouw. ‘Misschien wordt het nog wel een beetje een vrolijke kerst. Wacht maar af.’
‘Ho, ho, hooo…’ klonk het plotseling.
Peter van Opperdoes schrok op.
‘Merry Christmas!’ In de deuropening stond een vrolijk ogende, ietwat gezette jongeman, met een welgevulde tas van een supermarkt op zijn arm.
‘Heerlijk, die sneeuw,’ zei de jongeman. Met een gehandschoende hand veegde hij de sneeuw wild van zijn haren, nadat hij de tas op het bureau tegenover Peter van Opperdoes had gezet.
‘Jacob,’ stelde hij zich voor en hij stak zijn hand uit, die hij haastig terugtrok toen hij zich realiseerde dat hij zijn natte handschoen nog aan had. ‘En ik… eh… ik zit hier.’ Hij wees naar het bureau tegenover Peter van Opperdoes.
‘Je bent vroeg. Alles rustig? Geen binnenkomende misdrijven toch, op eerste kerstdag? We moeten het wel rustig houden vandaag, hoor,’ zei hij terwijl hij zijn handschoenen en jas uittrok.
‘Nee, er is volgens mij… helemaal niks gebeurd.’
Peter van Opperdoes leek even van zijn stuk gebracht door de joviale binnenkomst van zijn collega, maar Jacob toonde al geen interesse meer in het antwoord.
‘Kijk… kerstbrood, kerstkransjes, hier…’ Jacob trok een sliert kerstslingers uit de tas. ‘En slingers! En een Kerstman.’
Peter van Opperdoes stond versteld van hoeveel er wel niet in de tas paste. ‘Jij bent rechercheur? Hier op de Raampoort?’
Jacob keek op. ‘Uhuh… al een paar jaar.’
‘Leuk bureau?’
Jacob stopte even met uitpakken. ‘Jij komt toch van de Warmoesstraat? Of heeft u liever dat ik u zeg?’
‘Hoe lang ben jij al rechercheur?’
‘Hoezo?’
‘Rechercheurs onder elkaar zeggen nooit u. Behalve tegen bazen, want dat zijn je natuurlijke vijanden waar je gepaste afstand van dient te houden.’
‘Nou, dat is duidelijk.’
Als laatste haalde Jacob een kerstbrood uit de tas en legde dat op zijn bureau.
‘De Raampoort is, net als de Warmoesstraat, een van de oudste politiebureaus van Amsterdam. En dat merk je goed als je hier werkt. Hier hangt tenminste nog een beetje sfeer. Niet zo’n dooie nieuwbouwblokkendoos. En de buurt is natuurlijk geweldig. Hartje Amsterdam.’
Peter van Opperdoes moest inwendig lachen.
‘Op de Warmoesstraat noemen ze de Wallen hartje Amsterdam.’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Moeten zij weten. Eén vierkante kilometer ellende is het, meer niet. Hier in de Jordaan heb je van alles. Niet alleen maar hoeren en junks.’
Peter van Opperdoes glimlachte. ‘In de Jordaan woont in ieder geval één jongedame van lichte zeden. Dat weet ik zeker.’
‘Ha! Dan ben ik heel benieuwd hoe jij dat weet.’
‘Omdat ze vanochtend in al haar glorie op de stoel zat waar jij nu ook op zit en een interessant verhaal vertelde.’
Jacob luisterde aandachtig naar het verhaal zoals Loesje de Vries dat had verteld.
‘Dus toch een zaak. Weliswaar niets spectaculairs, een inbraak en een man met een heel oud vuurwapen, maar toch… een zaak. In ieder geval een die rustig tot na de kerst kan wachten.’ Hij sneed met geoefende hand twee plakken van het kerstbrood af, legde die op kartonnen bordjes en gaf er een aan Peter van Opperdoes.
‘We kunnen er wel wat mee.’
Peter van Opperdoes bekeek het kerstbrood aandachtig. ‘Waarmee?’
‘Met haar verhaal. Ze wil niet zeggen wie die vriend is die hem naar haar heeft doorverwezen, maar die hebben we helemaal niet nodig.’
Peter van Opperdoes was benieuwd waar Jacob naartoe wilde.
‘Hoe wou jij er dan achter komen?’
Jacob nam een grote hap kerstbrood. ‘Nou… als we haar telefoongegevens opvragen, krijgen we een lijst van mensen die met haar gebeld hebben. Daar zit de man met het vuurwapen, de Nagant 7.62, tussen. Hij is waarschijnlijk degene die haar vlak voor de afspraak gebeld heeft, dat kunnen we zo terugrekenen. Kwestie van de officier van justitie bellen en een machtiging aanvragen.’
‘Dan houden we hetzelfde probleem.’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Ik zie het probleem niet?’
‘Loesje de Vries wil het vertrouwen van haar klanten niet beschamen. Wij moeten immer open kaart spelen in een onderzoek. Als je het op deze manier doet, dan krijgt men te horen dat zij bij de recherche geweest is.’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘Alsof het woord van een prostituee?’
Peter van Opperdoes onderbrak hem scherp. ‘Dat woord is net zoveel waard als van ieder ander, jongeman.’
Een donkere schaduw viel de kamer in.
‘Jullie hebben elkaar gevonden, merk ik?’
Commissaris Van Straaten stond in de deuropening. Van zijn spreekwoordelijke vrolijke stemming was weinig meer te merken. ‘De 3.04 vraagt om de recherche. Dat zijn jullie, volgens mij.’
Jacob keek Peter van Opperdoes aan, nam een grote hap kerstbrood en trok zijn jas van de leuning van de stoel.
‘Wil jij rijden?’
Peter van Opperdoes schudde zijn hoofd. Hij voorvoelde dat het een nog slechtere kerst zou worden dan hij al verwacht had.
Jacob reed gespannen de Marnixstraat uit, in de richting van het Haarlemmerplein.
‘Weet je waar we naartoe moeten?’
Jacob hield een klein stukje papier omhoog, dat hij tussen zijn vingers geklemd had. ‘De wachtcommandant gaf het adres mee.’
Hierna viel een stilte in de recherchewagen.
Toen Jacob rechtsaf de Westerstraat in draaide, wist Peter van Opperdoes zeker dat hij gelijk had met zijn voorgevoel. De doorgaans zo drukke Westerstraat was stil, vredig en wit, wat het contrast met het zacht wapperende rood-witte afzetlint bij de zijstraat des te groter maakte.
Twee agenten, waarvan een met opvallend kromme benen, stonden bij het lint en hielden het zwijgend en licht klappertandend iets omhoog, zodat de twee rechercheurs als enigen ongestoord de plaats delict konden betreden. Peter van Opperdoes wachtte even, voor hij eronderdoor kroop.
‘Zijn er getuigen?’
De grootste schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij niet.’
‘Ga de straat door. Bel overal aan waar licht brandt en vraag of ze iets is opgevallen. Dan houd je ook nog eens warme voeten.’
De grote agent met de kromme benen knikte.
Peter van Opperdoes wist zonder de straat in te kijken al wat hij zou aantreffen. Met een zwaar gevoel in zijn maag liep hij door. Ongeveer vijfentwintig meter van de hoek lag ze, voorovergevallen, met haar gezicht in de sneeuw. Peter van Opperdoes bukte zich naast haar hoofd en draaide het iets om. Haar ogen stonden nog open, de dood had haar volkomen verrast.
Peter van Opperdoes ademde zwaar. Tot zijn afschuw kon hij de schrik op haar gezicht nog zien.
Hij ging met zijn hand naar haar ogen.
Jacob kwam snel een stap dichterbij.
‘Eh… ik weet niet of…’
Peter van Opperdoes keek op. ‘Wat?’
‘Sporen… dna.’
Peter van Opperdoes keek hem alleen maar aan, maar dat was genoeg.
Jacob deed weer een stap terug.
Zachtjes en voorzichtig duwde Peter van Opperdoes haar oogleden dicht, wat haar gelaat gelijk een bepaalde rust verschafte. Toen kwam hij weer moeizaam overeind. Hij had een verbeten trek op zijn gezicht.
Jacob leek nog iets te willen zeggen, want hij opende zijn mond, maar sloot die uiteindelijk weer zonder dat er een geluid uit kwam.
‘Laat maar. Het is nu toch al te laat.’
Peter van Opperdoes keek om zich heen en zag dat de deur van haar woning in de Tweede Anjeliersdwarsstraat half openstond. Hij zag haar dode vingers zich tevergeefs uitstrekken naar haar sleutels die een halve meter verderop in de sneeuw terecht waren gekomen.
Loesje de Vries zou nooit meer thuiskomen.